Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3333

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
C/02/444017 / JE RK 26-74
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Maandag
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:247 BWArtikel 2 Besluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling minderjarige wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging door conflicterende ouders

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 24 maart 2026 een beschikking gegeven in een rekestprocedure van de Raad voor de Kinderbescherming betreffende een ondertoezichtstelling van een minderjarige geboren in 2017. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit, maar zijn niet in staat om samen beslissingen te nemen over de zorg en opvoeding van hun kind.

De Raad verzoekt de ondertoezichtstelling vanwege ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarige, veroorzaakt door conflicten tussen de ouders en zorgen over de nieuwe partner van de moeder die in detentie verblijft. De vader heeft geen eigen slaapkamer voor het kind, wat de situatie bemoeilijkt. De ouders zijn verwezen naar hulpverlening, maar slagen er niet in om respectvol te communiceren.

De kinderrechter oordeelt dat aan de wettelijke voorwaarden voor ondertoezichtstelling is voldaan: de ontwikkeling van de minderjarige wordt ernstig bedreigd, vrijwillige hulpverlening is onvoldoende, en er is een reële verwachting dat de ouders binnen een aanvaardbare termijn de zorg kunnen dragen. De beschikking wordt voor de duur van een jaar gegeven en is direct uitvoerbaar. De ouders en de gecertificeerde instelling zijn betrokken bij de uitvoering van de maatregel.

Uitkomst: De minderjarige wordt voor de duur van een jaar onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming Brabant vanwege ernstige bedreiging van haar ontwikkeling door conflicten tussen de ouders.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/444017 / JE RK 26-74
Datum uitspraak: 24 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
Regio Zeeland-West-Brabant,
locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2017 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat mr. C.J.W.F. Dekkers uit Tilburg,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats] ,
advocaat mr. R.G.J. van Kerkhof uit Gilze.
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Tilburg, hierna te noemen de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 14 januari 2026
  • het op 22 januari 2026 van mr. Dekkers ontvangen stelbericht;
  • het op 26 januari 2026 van mr. Van Kerkhof ontvangen stelbericht;
  • de op 25 februari 2026 aan [minderjarige] verzonden uitnodiging voor het kindgesprek;
  • het op 10 maart 2026 van de GI ontvangen verzoek om digitaal te mogen aansluiten bij de zitting;
  • het op 16 maart 2026 van de moeder ontvangen verzoek om het kindgesprek te verplaatsen.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 24 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- de vertegenwoordigsters van de GI (via Teams).
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
1.4.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft, gelet op de nauwe samenhang tussen deze verzoeken, gelijktijdig plaatsgevonden met de behandeling van de verzoeken van de ouders, betreffende de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Dit verzoek is geregistreerd onder het zaaknummer C/02/408832 / JE RK 23-1928. Op dit verzoek wordt bij separate beschikking beslist.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij haar moeder.
2.3.
Bij beschikking van deze rechtbank van 18 augustus 2023 is bepaald dat de man en [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voorlopig gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar éénmaal per twee weken van vrijdag na school tot zondag 19.00 uur. Daarnaast zijn zij gerechtigd tot contact met elkaar gedurende vakanties en de feestdagen op de volgende wijze:
- gedurende de voorjaarsvakantie in de even jaren, waarbij de vakantie start op vrijdag vanuit school;
- gedurende de meivakantie in de oneven jaren in de eerste week en in de even jaren in de tweede week;
- gedurende de zomervakantie tijdens drie weken, waarvan twee weken aaneengesloten, waarbij de vrouw in de even jaren de eerste keuze heeft en de man in de oneven jaren, welke uiterlijk 1 november in het voorgaande jaar bekend moeten worden gemaakt, waarbij tevens rekening wordt gehouden dat [minderjarige] op haar verjaardag om en om bij de vrouw en de man is en de andere ouder de gelegenheid heeft om [minderjarige] telefonisch te feliciteren;
- gedurende de herfstvakantie in de oneven jaren; waarbij de vakantie start op vrijdag vanuit school;
- gedurende de Kerstvakantie in de oneven jaren in de eerste week, inclusief Eerste en Tweede kerstdag en in de even jaren in de tweede week, inclusief Oud en Nieuw, waarbij de vakantie start op vrijdag vanuit school en de wissel zal plaatsvinden op vrijdag 20.00 uur, indien de kerstdagen daarvoor vallen;
- gedurende Pasen, inclusief de voorafgaande Goede Vrijdag in de even jaren;
- gedurende Pinksteren in de oneven jaren;
- op Hemelvaartsdag conform de reguliere regeling;
- op de verjaardag van de man;
- op Vaderdag.
De man, de vrouw en [minderjarige] zijn in het kader van het Uniform Hulpaanbod (UHA) verwezen naar het loket van de samenwerkende gemeenten voor een (jeugd)hulptraject.
2.4.
In het kader van het UHA is er voor de ouders bij De Gezinsmanager (DGM) ouderschapsbemiddeling ingezet. Voor [minderjarige] is Scheidingseducatie (KIES) ingezet. In onderling overleg hebben de ouders besloten om de weekenden, waarin [minderjarige] bij de vader is, met een nacht te verlengen. Hierdoor vinden de wisselmomenten plaats op vrijdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school.
2.5.
De vader heeft zijn verzoek ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken in die zin gewijzigd, dat hij vraagt om te bepalen dat de zorg voor [minderjarige] bij helfte tussen de ouders wordt verdeeld, waarbij [minderjarige] steeds op maandagochtend naar school tussen haar ouders zal wisselen.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De Raad baseert het verzoek op het volgende. De Raad ziet twee betrokken ouders, die in beginsel bereid zijn om met elkaar samen te werken. Aan de oppervlakte lijken de problemen mee te vallen, maar er is sprake van forse onderliggende problematiek. Hierdoor worden ogenschijnlijk eenvoudige zaken, zoals een BSO, vrijetijdsbesteding of een vakantie naar het buitenland, niet geregeld. De vader maakt zich grote zorgen over de nieuwe partner van de moeder. Deze man is een vriend uit het verleden, die in detentie verblijft. De moeder heeft een dochter met deze man. De vader vraagt zich af welke rol deze man zal gaan spelen in het leven van [minderjarige] , als hij uit detentie komt. Volgens de vader wordt hij vanuit de penitentiaire inrichting gebeld en bedreigd door de partner van de vrouw. Ten aanzien van de woonsituatie van de vader geeft de Raad aan, dat deze verre van ideaal is, omdat hij voor [minderjarige] geen eigen slaapkamer heeft. [minderjarige] slaapt nu nog bij de vader in bed, wat gelet op haar leeftijd en haar behoefte aan privacy niet geschikt is. De huidige woningmarkt is echter zeer gespannen, waardoor het voor de vader niet eenvoudig is om aan passende woonruimte te komen. De ouders van [minderjarige] slagen er niet meer in om respectvol met elkaar te communiceren. De ouders hebben hulpverlening nodig om het ouderschap vanuit het parallel ouderschap vorm te geven. [minderjarige] wordt volgens de Raad in haar ontwikkeling bedreigd, omdat zij dreigt klem te geraken tussen haar ouders. Daarnaast heeft de Raad zorgen over wat [minderjarige] meekrijgt van de spanningen tussen haar vader en de nieuwe partner van haar moeder. De Raad ziet bij [minderjarige] nog geen klachtgedrag, maar het risico is groot dat dit zal gaan ontstaan op het moment dat de spanningen tussen de ouders blijven bestaan. De Raad vindt daarom de inzet van een neutrale partij noodzakelijk, die het gezag over [minderjarige] met de ouders gaat delen en er voor gaat zorgen dat de benodigde hulpverlening er komt en blijft doorlopen.
4.2.
De moeder stemt in met het verzoek van de Raad. Zij verwacht in het kader van de ondertoezichtstelling te kunnen werken aan het uitbreiden van Solo Parallel Ouderschap. Er moet duidelijkheid komen waarover de ouders nog samen moeten overleggen en waarover niet. Ook moet er een plan komen voor het geval de ouders er samen niet uit komen. De moeder hoopt dat door het maken van duidelijke afspraken, er rust gaat komen. Zij vraagt de vader om alsnog toestemming te verlenen voor de familievakantie in het buitenland.
4.3.
De vader stemt eveneens in met het verzoek van de Raad. Aanvankelijk voelde het verzoek van de Raad voor de vader alsof hij gefaald had. Inmiddels ziet hij in dat een ondertoezichtstelling noodzakelijk is. [minderjarige] zit klem tussen de ouders door de onderlinge spanningen. De Raad heeft terecht geconcludeerd dat de ouders er samen niet meer uitkomen. De hulp van de GI, als neutrale derde, is dan wenselijk en noodzakelijk. De vader zoekt naar een meer geschikte woning, waarin hij voor [minderjarige] een eigen slaapkamer kan realiseren. In de huidige woningmarkt is dat echter geen gemakkelijke opgave. De vader zoekt ook in de nabijheid van de woning van de moeder, zodat hij een grotere rol kan spelen in het leven van [minderjarige] . De grootste zorg van de vader is gelegen in de nieuwe partner van de moeder. De vader hoopt dat de GI gaat kijken welke rol hij gaat spelen in het leven van [minderjarige] , als hij in juli van dit jaar uit detentie komt. Volgens de vader kan het niet zo zijn, dat er vóór dat moment nog geen vaste jeugdbeschermer aan [minderjarige] is verbonden. De vader is bereid om toestemming te verlenen voor een vakantie met [minderjarige] in het buitenland, mits er duidelijke afspraken komen tussen hem en de moeder.
4.4.
De GI staat achter het verzoek van de Raad. Een ondertoezichtstelling is noodzakelijk om de bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige] weg te nemen. In het kader van de ondertoezichtstelling zal er worden gewerkt aan het verbeteren van de oudercommunicatie. De ouders zullen zich moeten gaan houden aan de te maken afspraken. Door wachtlijstproblematiek zal het waarschijnlijk een paar maanden duren, voordat er een vaste jeugdbeschermer aan [minderjarige] wordt toegewezen. De GI kan zich vinden in de door de Raad genoemde doelen. De GI is bereid om met de ouders mee te denken over de geplande familievakantie in het buitenland.

5.De beoordeling

5.1.
In artikel 1:255 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat de kinderrechter een minderjarige onder toezicht kan stellen van een GI, als een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW in staat zijn te dragen.
5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.3.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt ernstig bedreigd. De ouders van [minderjarige] hebben het beste met haar voor, maar hebben eigen ideeën over wat het meest in haar belang is. Ook zijn er zorgen over de nieuwe partner van de moeder en over de zoektocht van de vader naar een geschikte woning. Voor [minderjarige] is het belangrijk dat er met de ouders wordt gewerkt aan een vorm van ouderschap, waarin zij gezamenlijk beslissingen over [minderjarige] kunnen nemen, zonder dat zij daarmee belast wordt.
5.4.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. De ouders zijn het vertrouwen in elkaar verloren en raken verwikkeld in onderlinge discussies. Zij slagen er niet in om samen op één lijn te komen over beslissingen voor [minderjarige] en zij heeft hier last van. Het is dan in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat er in het kader van een ondertoezichtstelling hulp en ondersteuning komt voor de ouders.
5.5.
De doelen waaraan in het kader van de ondertoezichtstelling gewerkt moet worden, zijn de volgende:
- [minderjarige] groeit op in een veilige, stabiele en duidelijke opvoedingssituatie, waarbij ouders op elkaar vertrouwen, op een constructieve wijze met elkaar communiceren en afstemmen;
- [minderjarige] wordt niet blootgesteld aan spanningen tussen ouders;
- [minderjarige] heeft een positief, onbelast en structureel contact met haar beide ouders.
5.6.
De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige] onder toezicht voor de duur van een jaar.
5.7.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [1]
5.8.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 24 maart 2026 tot 24 maart 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van Joosen als griffier, en op schrift gesteld op 3 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.