ECLI:NL:RBZWB:2026:333

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
02-221380-25; 02-260890-24 (ttz gev.); 02-256757-24 (ttz gev.)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor schuldheling en tweemaal mishandeling met ISD-maatregel

Op 23 januari 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die zich schuldig heeft gemaakt aan schuldheling en twee mishandelingen. De verdachte, geboren in Duitsland in 1988 en gedetineerd, werd bijgestaan door raadsman mr. B.M.C.F. de Groen. De zaak werd inhoudelijk behandeld op 9 januari 2026, waarbij de officier van justitie mr. L.T.M. Verhoeven en de verdediging hun standpunten naar voren brachten. De tenlastelegging omvatte onder andere het stelen van een auto en het mishandelen van twee slachtoffers. De rechtbank oordeelde dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan schuldheling van een gestolen auto en aan mishandeling van de slachtoffers, waarbij de mishandeling van het tweede slachtoffer resulteerde in zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank sprak de verdachte vrij van de primair ten laste gelegde diefstal en de poging tot zware mishandeling, maar achtte de overige feiten wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank legde een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op voor de duur van twee jaar, gezien de recidive en de noodzaak van behandeling voor de antisociale persoonlijkheidsstoornis van de verdachte. Daarnaast werden schadevergoedingen toegewezen aan de benadeelde partijen, waaronder een bedrag van €6.000 aan het tweede slachtoffer en €547,34 aan het derde slachtoffer, vermeerderd met wettelijke rente.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummers: 02-221380-25; 02-260890-24 (ttz gev.); 02-256757-24 (ttz gev.)
Vonnis van de meervoudige kamer van 23 januari 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] (Duitsland) op [geboortedag] 1988,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres]
,
gedetineerd in [verblijfplaats] ,
raadsman mr. B.M.C.F. de Groen, advocaat te Breda.

1.Onderzoek op de terechtzitting

Overeenkomstig artikel 369 van het Wetboek van Strafvordering heeft de politierechter de zaak met parketnummer 02-260890-24 naar deze kamer verwezen.
De zaken zijn inhoudelijk behandeld op de zitting van 9 januari 2026, waarbij de officier van justitie mr. L.T.M. Verhoeven en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
Ter zitting zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging in de zaken met parketnummers 02-221380-25 en 02-260890-24 is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.
De tenlasteleggingen zijn als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte

02-221380-25
een auto van [slachtoffer 1] heeft gestolen, dan wel dat hij die auto bij zich heeft gehad terwijl hij wist dat die auto gestolen was;
02-260890-24
[slachtoffer 2] zwaar heeft mishandeld, dan wel heeft geprobeerd hem zwaar te mishandelen dan wel heeft mishandeld;
02-256757-24
[slachtoffer 3] heeft mishandeld.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie

02-221380-25
De officier van justitie vordert vrijspraak voor de primair ten laste gelegde diefstal. De subsidiair ten laste gelegde opzetheling acht zij wel wettig en overtuigend bewezen.
02-260890-24
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de zware mishandeling van [slachtoffer 2]. Door tegen het linkerbeen te trappen is [slachtoffer 2] gevallen en heeft hij zijn rechter enkel en been gebroken. Dit kan in redelijkheid aan verdachte worden toegerekend. Verdachte was immers een geoefend vechter. Gezien de ernst van het letsel, de operatie en hersteltermijn kan het letsel worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel.
02-256757-24
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 3] heeft mishandeld door hem twee keer te slaan.
4.2.
Het standpunt van de verdediging

02-221380-25
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de primair ten laste gelegde diefstal. Gelet op de omstandigheden waaronder hij de auto heeft verkregen, had verdachte ook niet hoeven te vermoeden dat het voertuig van een misdrijf afkomstig was. Daardoor dient verdachte ook van de subsidiair ten laste gelegde heling vrijgesproken te worden.
02-260890-24
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de primair en subsidiair ten laste gelegde (poging) zware mishandeling. Er was geen aanmerkelijke kans op dit letsel en verdachte had niet moeten verwachten dat dit letsel zou intreden. Er is daardoor geen wettig en overtuigend bewijs voor de opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Voor de meer subsidiair ten laste gelegde mishandeling refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.
02-256757-24
De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank en merkt daarbij op dat slechts eenmaal slaan wettig en overtuigend bewezen kan worden.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

02-221380-25
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de primair ten laste gelegde diefstal niet wettig en overtuigend bewezen kan worden, zodat verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.
De subsidiair ten laste gelegde schuldheling van de auto acht de rechtbank wel wettig en overtuigend bewezen. Uit de bewijsmiddelen volgt dat op 4 augustus 2025 aangifte is gedaan van de diefstal van een personenauto van het merk Rover met [kenteken]. Op 7 augustus 2025 is verdachte aangetroffen als bestuurder van dit voertuig. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij van een jongen uit de gebruikersscene de auto aangeboden kreeg zodat hij daarin kon slapen. Verdachte had al twee à drie dagen amper geslapen en kon daardoor naar eigen zeggen niet meer kritisch denken. Hij wist dat degene van wie hij de auto kreeg niet helemaal zuiver was, maar heeft over de herkomst van de auto geen vragen gesteld. Verdachte heeft twee nachten in de auto geslapen.
Ondanks de vervuilde toestand van de auto is de rechtbank van oordeel dat wel van verdachte verwacht mocht worden dat hij nadere vragen had gesteld over de herkomst van de auto. Een auto is geen goed dat zomaar voor onbepaalde tijd wordt aangeboden. Verdachte had onder deze omstandigheden redelijkerwijs moeten vermoeden dat de auto van een misdrijf afkomstig was. Dit geldt temeer nu de auto afkomstig was van een niet zuivere kennis uit de gebruikersscene. Dat deze kennis ook de sleutel gaf, maakt dit niet anders. Verdachte had redelijkerwijs moeten vermoeden dat de auto van enig misdrijf afkomstig was. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan schuldheling van voornoemde auto. De rechtbank spreekt verdachte partieel vrij van de opzetheling en het medeplegen, omdat hiervoor geen wettig en overtuigend bewijs is.
02-260890-24
Voor een bewezenverklaring van een (poging tot) zware mishandeling moet volgens vaste rechtspraak sprake zijn van opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte [slachtoffer 2] tegen zijn linker bovenbeen heeft geschopt, waardoor [slachtoffer 2] ten val is komen waarbij hij een breuk aan de binnen- en buitenzijde van zijn rechter enkel heeft opgelopen.
De rechtbank is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat verdachte het volle opzet op het toebrengen van het zwaar lichamelijk letsel had. Naar het oordeel van de rechtbank is ook geen sprake geweest van voorwaardelijk opzet. De schop tegen het linker bovenbeen van aangever [slachtoffer 2] leidt in zijn algemeenheid niet tot een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel. Laat staan dat daardoor een aanmerkelijke kans ontstaat op letsel aan het rechter onderbeen, zoals bij aangever [slachtoffer 2] is gebeurd. Alleen al om die reden kan de (poging) zware mishandeling niet wettig en overtuigend bewezen worden.
De gedragingen van verdachte leveren naar het oordeel van de rechtbank wel de meer subsidiair tenlastegelegde mishandeling op.
02-256757-24
De mishandeling van [slachtoffer 3] kan wettig en overtuigend bewezen worden. Anders dan de officier van justitie en met de verdediging acht de rechtbank gelet op de bewijsmiddelen eenmaal slaan bewezen.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
02-221380-25 subsidiairin de periode van 4 augustus 2025 tot en met 7 augustus 2025 te Breda een auto (merk Rover, gekentekend [kenteken]), voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
02-260890-24 meer subsidiairop 15 augustus 2024 te Breda [slachtoffer 2] heeft mishandeld door met kracht met geschoeide voet tegen het been te schoppen ten gevolge waarvan die [slachtoffer 2] op de grond is gevallen;
02-256757-24
op 11 augustus 2024 te Breda [slachtoffer 3] heeft mishandeld door die [slachtoffer 3] tegen het gezicht te slaan.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaar.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt geen onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen, omdat niet is voldaan aan de zachte criteria. Er zijn nog andere mogelijkheden voor verdachte en er is dus niet voldaan aan het criterium van ‘ultimum remedium’. Er kan worden volstaan met een van de andere door de reclassering geadviseerde mogelijkheden waarbij behandeling gewaarborgd is. De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de keuze tussen deze mogelijkheden.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan schuldheling van een auto. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan twee mishandelingen. De slachtoffers hebben hierdoor letsel opgelopen. Verdachte heeft met zijn handelen de lichamelijke integriteit van de slachtoffers geschonden. [slachtoffer 2] is door de schop van verdachte ongelukkig terecht gekomen, waardoor hij zijn rechter onderbeen heeft gebroken. Daarvoor heeft hij een operatie moeten ondergaan. Hij ondervindt nog altijd de gevolgen van de mishandeling. De mishandelingen hebben bovendien plaatsgevonden op de openbare weg en werden gezien door omstanders. Dat zorgt voor gevoelens van angst en onveiligheid bij die omstanders en breder in de samenleving.
De rechtbank stelt vast dat verdachte een uitgebreide justitiële documentatie heeft en dat sprake is van veelvuldige recidive van onder meer vermogensdelicten.
De rechtbank heeft acht geslagen op het psychiatrisch rapport van 17 november 2025 dat over verdachte is opgesteld. Uit het rapport blijkt dat sprake is van een antisociale persoonlijkheidsstoornis en een ernstige stoornis in het gebruik van cocaïne. Er is geen reden om de feiten in een verminderde mate toe te rekenen. De kans op herhaling van agressief en grensoverschrijdend gedrag wordt zonder behandeling en begeleiding hoog geschat. De psychiater acht het zorgwekkend dat verdachte tot op heden niet tot gedragsverandering is gekomen en dat het hem ontbreekt aan inzicht. Een succesvolle behandeling van de verslavingsproblematiek kan bijdragen aan vermindering van zijn antisociale gedrag. Gezien de herhaaldelijke en uiteenlopende delicten waarvoor verdachte veroordeeld is, het uitblijven van gedragsverandering en de noodzaak van langdurige klinische behandeling en begeleiding wordt geadviseerd een onvoorwaardelijke ISD-maatregel en een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (hierna: GVM) op te leggen.
Ook de reclassering heeft gerapporteerd over verdachte. In het rapport van 10 december 2025 schrijft de reclassering dat dat verdachte een langdurig delictpatroon kent en dat alle leefgebieden instabiel zijn. Hij heeft geen vaste dagbesteding en geen inkomen. De problemen op de leefgebieden, het risico op recidive en middelengebruik hangen sterk samen met de antisociale persoonlijkheidsproblematiek waarvoor verdachte behandeld moet worden. Er zijn drie kaders mogelijk waarin gewerkt kan worden aan recidivevermindering. De eerste mogelijkheid is een onvoorwaardelijke ISD-maatregel waarbij verdachte in de extramurale fase klinisch behandeld zal worden. De reclassering verwacht dat de duur van deze behandeling te kort zal zijn om blijvende verandering te bewerkstelligen. Omdat verdachte geen intrinsieke motivatie heeft voor gedragsverandering is een stok achter de deur noodzakelijk. Volgens de reclassering biedt de ISD-maatregel dit onvoldoende. De onvoorwaardelijke ISD zal op korte termijn leiden tot beveiliging van de samenleving, maar na afloop van de maatregel zullen de risico’s niet verminderd zijn. Een tweede mogelijkheid is een voorwaardelijke ISD-maatregel. Verdachte heeft een toezicht gehad dat is beëindigd in 2021. Hij is binnen een gedwongen kader nog niet klinisch of ambulant behandeld voor zijn middelengebruik. Verdachte zal bij oplegging van een voorwaardelijke ISD-maatregel niet aansluitend aan zijn detentie klinisch behandeld kunnen worden en vrij komen terwijl het toezicht nog moet worden gestart. Gezien de hoge risico’s is dit niet wenselijk. Een laatste mogelijkheid is een voorwaardelijk strafdeel met voorwaarden die dadelijk uitvoerbaar zijn en een GVM (gedragsbeïnvloedende maatregel). De GVM is nodig om verdachte extrinsiek te motiveren voor behandeling en bij recidive om langdurig toezicht te kunnen houden. Volgens de reclassering is deze laatste optie het meest passend.
De rechtbank stelt vast dat nu op de bewezenverklaarde feiten een lagere gevangenisstraf dan vier jaar is gesteld, oplegging van een GVM niet mogelijk is. Al om die reden kan de door de reclassering meest passend bevonden optie niet worden gevolgd.
De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan de voorwaarden die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan de oplegging van een ISD-maatregel stelt. Verdachte heeft zich immers schuldig gemaakt aan misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, terwijl verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan de door hem begane misdrijven ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf is veroordeeld. De feiten zijn ook begaan na de tenuitvoerlegging van deze straffen. Daarnaast zijn er sinds de pleegdatum van het laatst gepleegde misdrijf in de laatste vijf jaren processen-verbaal opgemaakt tegen verdachte voor meer dan tien misdrijffeiten, waarvan ten minste één misdrijf in de laatste twaalf maanden. Er moet bovendien ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan.
De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of de oplegging van een ISD-maatregel passend en geboden is. De ISD-maatregel strekt tot beveiliging van de maatschappij en de beëindiging van recidive. Daarnaast kan tijdens de maatregel worden gewerkt aan de problematiek van verdachte.
Op grond van de rapporten concludeert de rechtbank dat verdachte steeds weer strafbare feiten pleegt en dat er een verontrustende verandering te zien is in het soort feiten dat verdachte begaat. Naast het veelvuldig plegen van vermogensdelicten, pleegt verdachte nu ook geweldsdelicten. Uit de rapporten blijkt dat verdachte zich in het verleden meermaals heeft onttrokken aan opgelegde voorwaarden. Ook de motivatie van verdachte om mee te werken aan de behandeling is zeer wisselend. Voornamelijk wanneer verdachte gedetineerd is en daardoor geen middelen gebruikt, lijkt hij gemotiveerder tot het ondergaan van behandeling en daarmee gedragsverandering. Met de deskundigen is de rechtbank van oordeel dat het verdachte niet zal lukken om in het kader van een voorwaardelijke straf dan wel een voorwaardelijke ISD-maatregel in vrijheid tot gedragsverandering te komen. Om ervoor te zorgen dat de overlast voor de maatschappij door verdachte wordt voorkomen in de toekomst, is een ISD-maatregel dus noodzakelijk. Daarvoor hoeft er geen sprake te zijn van een ‘ultimum remedium’.
Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel voor de duur van twee jaren wenselijk en noodzakelijk is voor de veiligheid van personen en goederen. Daarnaast biedt dit verdachte de mogelijkheid om behandeld te worden voor zijn verslavingsproblematiek en persoonlijkheidsstoornis.

7.De vordering van de benadeelde partijen

7.1.
De vordering van [slachtoffer 2]
De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert onder parketnummer 02-260890-24 een schadevergoeding van € 20.785,44, bestaande uit € 10.785,44 aan materiële schade en
€ 10.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte de mishandeling heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden. De verdediging heeft het causaal verband tussen de gedraging van verdachte en het ontstane letsel bij de benadeelde partij betwist. De rechtbank is van oordeel dat er wel causaal verband bestaat tussen de mishandeling door verdachte en het daardoor ontstane letsel. Het letsel is immers ontstaan na een val die niet had plaatsgevonden als verdachte [slachtoffer 2] niet had geschopt. Er is daarmee ook sprake van rechtstreekse schade als gevolg van de mishandeling.
Materiële schade
Ter zitting heeft de benadeelde partij medegedeeld dat de gevorderde ziekenhuiskosten reeds zijn vergoed door de zorgverzekering. De rechtbank zal deze post daarom afwijzen.
De verdediging heeft de gevorderde kosten van verlies van inkomen betwist. De rechtbank is van oordeel dat dit gedeelte van de vordering onvoldoende is onderbouwd. De rechtbank zal de benadeelde partij voor dit gedeelte niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, omdat dit nader onderzoek vergt wat een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.
Immateriële schade
Uit de onderbouwing bij de vordering blijkt dat de benadeelde partij als gevolg van de mishandeling letsel heeft opgelopen, namelijk een breuk aan de rechterenkel. Er heeft onder algehele narcose een operatie plaatsgevonden aan de breuk van de binnen- en buitenzijde van de enkel, waarna de benadeelde in het ziekenhuis fysiotherapie heeft gehad. Voor het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding heeft de rechtbank acht geslagen op de Rotterdamse schaal. Hierin wordt voor gering enkelletsel met een herstel binnen ongeveer twee tot vijf jaar een bedrag tussen de € 6.000,- en € 9.500,- gehanteerd. Voor herstel tussen ongeveer zes maanden tot twee jaar wordt een bedrag tussen de € 2.675,- en € 6.000,- billijk geacht. De benadeelde partij heeft ter zitting aangevoerd soms nog steken te ervaren in zijn enkel en ook bij een schuin aflopende straat ervaart hij nog ongemak. Gelet op de Rotterdamse schaal en de omstandigheid dat volledig herstel nog niet heeft plaatsgevonden acht de rechtbank een bedrag van € 6.000,- billijk. De rechtbank zal de vordering van immateriële schade voor het overige afwijzen.
Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 15 augustus 2024. Daarnaast zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
7.2.
De vordering van [slachtoffer 3]
De benadeelde partij [slachtoffer 3] vordert onder parketnummer 02-256757-24 een schadevergoeding van € 1.224,09, bestaande uit € 374,09 aan materiële schade en
€ 850,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
Materiële schade
De verdediging heeft de kosten voor de periodieke controle betwist. De rechtbank is van oordeel dat het causaal verband met de mishandeling voor deze kosten ontbreekt en zal dit gedeelte van de vordering afwijzen. De overige gevorderde tandartskosten van € 347,34 acht de rechtbank wel toewijsbaar. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.
Immateriële schade
De hoogte van de gevorderde immateriële schade is gebaseerd op het lichamelijk letsel dat de benadeelde heeft opgelopen, namelijk een zwelling en blauwe plek op/rond de lip en mond van benadeelde. Dit betekent dat een bedrag aan immateriële schade passend is. Bij de bepaling van de hoogte van het bedrag heeft de rechtbank alle omstandigheden en de bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend in aanmerking genomen. De rechtbank acht vergoeding van het gevorderde bedrag van € 200,00 billijk. De rechtbank zal de vordering van immateriële schade voor het overige afwijzen.
Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente over het immateriële deel worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 11 augustus 2024 en over het materiële deel vanaf de datum van de kostenberekening, te weten 11 september 2024. Daarnaast zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 38m, 38n, 57, 300 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9.Beslissing

De rechtbank:
Vrijspraak
-
spreekt verdachte vrijvan het onder parketnummer 02-221380-25 primair ten laste gelegde feit en de onder parketnummer 02-260890-24 primair en subsidiair ten laste gelegde feiten;
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
02-221380-25 subsidiair:schuldheling
02-260890-24 meer subsidiair:mishandeling
02-256757-24:mishandeling
- verklaart verdachte strafbaar;
Maatregel
- gelast de
plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor twee jaar;
Benadeelde partijen
02-260890-24
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van € 6.000,00, aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 augustus 2024 tot aan de dag der voldoening;
- wijst de gevorderde ziekenhuiskosten van € 9.496,98 af;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het [slachtoffer 2], € 6.000,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 15 augustus 2024 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 55 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
02-256757-24
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] van € 547,34, waarvan € 347,34 aan materiële schade en € 200,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 11 september 2024 voor het materiële deel en 11 augustus 2024 voor het immateriële deel tot aan de dag der voldoening;
- wijst het overige gedeelte van de vordering af;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het [slachtoffer 3], € 547,34 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 11 september 2024 voor het materiële deel (€ 347,34) en 11 augustus 2024 voor het immateriële deel
(€ 200,00) tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 11 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.H. de Brouwer, voorzitter, en mr. E.G.F. Vliegenberg en mr. R.H.M. Pooyé, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. van Krevel, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 23 januari 2026.
Bijlage I: De tenlasteleggingen
02-221380-25
hij op of omstreeks 4 augustus 2025 te Breda, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een auto (merk Rover, gekentekend [kenteken]), in elk geval enig goed, die geheel of
ten dele aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of
zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich
wederrechtelijk toe te eigenen;
( art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij in de periode van 4 augustus 2025 tot en met 7 augustus 2025 te Breda, althans in Nederland
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een auto (merk Rover, gekentekend [kenteken]), althans een goed heeft verworven,
voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen,
terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden
krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden
dat het een door misdrijf verkregen goed betrof
( art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht, art 417bis lid 1 ahf/ond a Wetboek
van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )
02-260890-24
hij op of omstreeks 15 augustus 2024 te Breda
aan [slachtoffer 2],
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken enkel en/of voet en/of been, heeft toegebracht
door meermalen, althans eenmaal (met kracht) (met geschoeide voet) op/tegen het
been te trappen/schoppen (ten gevolge waarvan die [slachtoffer 2] op de grond is gevallen);
( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 15 augustus 2024 te Breda
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan [slachtoffer 2]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
deze meermalen, althans eenmaal (met kracht) (met geschoeide voet) op/tegen het
been heeft getrapt/geschopt (ten gevolge waarvan die [slachtoffer 2] op de grond is gevallen),
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of
zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 15 augustus 2024 te Breda
[slachtoffer 2] heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal (met kracht) (met
geschoeide voet) op/tegen het been te trappen/schoppen (ten gevolge waarvan die
[slachtoffer 2] op de grond is gevallen);
( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
02-256757-24
hij, op of omstreeks 11 augustus 2024 te Breda [slachtoffer 3] heeft mishandeld door
die [slachtoffer 3] meermalen, althans eenmaal, tegen het gezicht, althans tegen het
lichaam, te slaan/stompen;
( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht )