Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3318

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
BRE 25/5198
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2, eerste lid, onder a, Legesverordening gemeente Moerdijk 2023Art. 3:4, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen aanslag leges na weigering omgevingsvergunning

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen een aanslag leges opgelegd door de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant. De aanslag betreft leges voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning, die uiteindelijk is geweigerd en later door de rechtbank is vernietigd vanwege formele gebreken.

De rechtbank oordeelt dat het enkele feit dat de aanvraag is ingediend en in behandeling is genomen, voldoende grond is voor het opleggen van leges. De vernietiging van de weigering van de vergunning is in dit kader niet relevant. Het beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel faalt omdat de onzorgvuldigheid betrekking heeft op het college bij de weigering, niet op de heffingsambtenaar bij het opleggen van de leges.

Ook het beroep op het evenredigheidsbeginsel wordt verworpen. De rechtbank erkent de frustratie van belanghebbende, maar stelt dat de leges een vast bedrag zijn voor het in behandeling nemen van de aanvraag, ongeacht de uitkomst. Het college heeft werkzaamheden verricht en zal dat opnieuw moeten doen vanwege de vernietiging. Daarom is de aanslag leges terecht opgelegd.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, wijst het griffierecht en proceskostenvergoeding af, en wijst op de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch.

Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag leges wordt ongegrond verklaard en de aanslag is terecht opgelegd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/5198
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2026 in de zaak tussen

V.O.F [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,

(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant (gemeente Moerdijk), de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 3 september 2025.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een aanslag leges opgelegd (de aanslag leges).
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van belanghebbende deelgenomen. Namens de heffingsambtenaar hebben [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3] deelgenomen.
1.4.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

2. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en legt hierna uit waarom.

Motivering

De aanslag leges
3. Op grond van de Legesverordening gemeente Moerdijk 2023 (legesverordening) worden er leges geheven voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verlenen van een dienst of het nemen van een besluit. [1]
3.1.
Op 2 augustus 2023 heeft belanghebbende een aanvraag voor een omgevingsvergunning gedaan en deze is geweigerd op 11 februari 2025. Het enkele feit dat belanghebbende een aanvraag heeft ingediend en dat deze in behandeling is genomen, leidt ertoe dat leges worden geheven. Dit betekent dat de heffingsambtenaar de aanslag leges in beginsel terecht heeft opgelegd. Dat de aanvraag is geweigerd en dat die weigering is vernietigd, is in het kader van de heffing van leges in principe niet relevant. De rechtbank zal hierna nog het beroep op het zorgvuldigheids- en evenredigheidsbeginsel bespreken.
Het zorgvuldigheidsbeginsel
3.2.
Het beroep op dit beginsel is gedaan in het kader van de weigering van de omgevingsvergunning. De weigering is bij uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 26 februari 2026 vernietigd in verband met diverse formele gebreken en het college is opgedragen om binnen zes maanden een nieuw besluit te nemen. [2] De onzorgvuldigheid ziet dus op het handelen van het college bij het weigeren van de omgevingsvergunning en ziet niet op het opleggen van de aanslag leges door de heffingsambtenaar. Belanghebbende heeft dit op zitting ook bevestigd. Het beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel slaagt daarom niet.
Het evenredigheidsbeginsel
3.3.
Bij een beroep op dit beginsel gaat het erom of de voor belanghebbende nadelige gevolgen, het betalen van de leges, onevenredig zijn in verhouding tot het met het besluit te dienen doel, het kunnen dienen van het individuele belang - namelijk het in behandeling nemen van de aanvraag. [3]
3.4.
Ondanks dat de weigering van de omgevingsvergunning is vernietigd, heeft het college werkzaamheden gehad aan de aanvraag van belanghebbende. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat het college binnen zes maanden een nieuw besluit moet nemen, waarvoor ook weer werkzaamheden verricht moeten worden. Leges zijn een vast bedrag dat betaald moet worden om een aanvraag in behandeling te nemen, ongeacht de uitkomst van die aanvraag. De rechtbank ziet dan ook geen strijd met het evenredigheidsbeginsel, hoewel de rechtbank de frustratie van belanghebbende over de vergunningsprocedure begrijpt.

Conclusie en gevolgen

4. De heffingsambtenaar heeft de aanslag leges terecht opgelegd. Belanghebbende krijgt geen gelijk en het beroep is ongegrond. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug en ook geen vergoeding van haar proceskosten.
5. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 april 2026 door mr. A.M.L.E. Ides Peeters, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. de Vos, griffier, en geanonimiseerd gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 2, eerste lid, onder a, van de legesverordening.
3.Artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.