Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3315

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
BRE 25/2059
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:36c AwbArt. 220 GemeentewetArt. 1 Verordening OZBArt. 117 WaterschapswetArt. 2 Verordening Watersysteemheffing
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen aanslagen onroerendezaakbelasting, watersysteemheffing en afvalstoffenheffing 2025

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslagen onroerendezaakbelasting, watersysteemheffing en variabele afvalstoffenheffing opgelegd voor het jaar 2025 door de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant. De rechtbank behandelde het beroep op 16 april 2026, waarbij belanghebbende niet is verschenen ondanks correcte uitnodiging.

De rechtbank overwoog dat belanghebbende op 1 januari 2025 eigenaar was van de woning en daarmee belastingplichtig was voor de onroerendezaakbelasting en watersysteemheffing over het gehele jaar, ondanks dat hij vanaf 14 april 2025 geen eigenaar meer was. Voor de afvalstoffenheffing was belanghebbende terecht aangeslagen voor de periode 1 januari tot 28 oktober 2024, omdat hij gedurende die tijd op het adres stond ingeschreven en gebruik kon maken van de voorzieningen.

De rechtbank concludeerde dat de aanslagen terecht zijn opgelegd en verklaarde het beroep ongegrond. Belanghebbende krijgt geen teruggaaf van griffierecht of vergoeding van proceskosten. De uitspraak is mondeling gedaan en geanonimiseerd gepubliceerd. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep binnen zes weken.

Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de aanslagen is ongegrond verklaard en de aanslagen zijn bevestigd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/2059
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,

en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant (gemeente Etten-Leur), de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 4 april 2025.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende ter zake van de onroerende zaak [adres] in [plaats] (de woning) voor het jaar 2025 (voor zover van belang) een aanslag onroerendezaakbelastingen eigenaar, een aanslag watersysteemheffing gebouwd en een aanslag variabele afvalstoffenheffing opgelegd (de aanslagen).
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens de heffingsambtenaar deelgenomen: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] .
1.4.
Belanghebbende is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. De griffier heeft op 15 januari 2026 in het digitale dossier van belanghebbende een bericht geplaatst waarbij belanghebbende is uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Van de plaatsing van dit bericht is op dezelfde datum een notificatie aan belanghebbende verzonden naar het door belanghebbende voor dit doel opgegeven e-mailadres. Daarom neemt de rechtbank aan dat belanghebbende dit bericht op 15 januari 2026 heeft ontvangen. [1] De rechtbank stelt daarmee vast dat belanghebbende correct en op de juiste wijze voor de zitting is uitgenodigd.
1.5.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

2. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en legt hierna uit waarom.

Overwegingen

Onroerendezaakbelasting en watersysteemheffing
3. De onroerendezaakbelasting [2] en de watersysteemheffing [3] zijn beide tijdstipbelastingen. [4] Uit de akte van verdeling volgt dat belanghebbende vanaf 14 april 2025 geen eigenaar meer is van de woning. Belanghebbende betwist ook niet dat hij op 1 januari 2025 eigenaar was van de woning. Dit betekent dat belanghebbende kan worden aangemerkt als belastingplichtige voor de onroerendezaakbelastingen en de watersysteemheffingen voor het hele jaar.
Afvalstoffenheffing
4. Belanghebbende is voor de afvalstoffenheffing [5] aangeslagen voor de periode van 1 januari 2024 tot 28 oktober 2024. Het is niet in geschil dat belanghebbende gedurende deze periode stond ingeschreven op het adres van de woning en hiervan gebruik kon maken.
Belanghebbende is daarom terecht en voor de juiste periode aangeslagen voor de afvalstoffenheffing.

Conclusie en gevolgen

5. De heffingsambtenaar heeft de aanslagen terecht opgelegd. Het beroep is ongegrond. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug en ook geen vergoeding van zijn proceskosten, voor zover al gemaakt.
5.1.
Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 april 2026 door mr. A.M.L.E. Ides Peeters, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. de Vos, griffier, en geanonimiseerd gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Gelet op artikel 8:36c, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
2.Artikel 220, aanhef en onder b, van de Gemeentewet en artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening op de heffing en invordering van onroerendezaakbelastingen 2025 (Verordening OZB).
3.Artikel 117 van Pro de Waterschapswet en artikel 2, tweede lid, van de Verordening Watersysteemheffing waterschap Brabantse Delta 2025 (Verordening Watersysteemheffing).
4.Artikel 119, eerste lid, van de Waterschapswet en artikel 2, derde lid, van de Verordening Watersysteemheffing.
5.Artikel 15.33, eerste lid, van de Wet milieubeheer en artikel 2, eerste lid, van de Verordening op de heffing en invordering van afvalstoffenheffing 2025 (Verordening afvalstoffenheffing) jo. artikel 3 van Pro de Verordening afvalstoffenheffing.