Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3301

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 maart 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
C/02/441119 FA RK 25-5429
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Baggel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:244 BWArt. 1:247 lid 2 BWArt. 1:277 lid 1 BWArt. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanhouding verzoek tot herstel ouderlijk gezag wegens onvoldoende informatie

De ouders hebben verzocht om het ouderlijk gezag over hun minderjarige kinderen te herstellen en de gecertificeerde instelling als voogd te ontslaan. De minderjarigen verbleven sinds 2020 in pleeggezinnen en waren onder toezicht gesteld. In mei 2024 werd het gezag van de ouders beëindigd en de voogdij aan de William Schrikker Stichting toegewezen, wat door het gerechtshof in december 2024 werd bekrachtigd.

Sinds juli 2025 wonen de minderjarigen weer bij de ouders, die zelf hulpverlening organiseren. De gecertificeerde instelling erkent tekortkomingen in haar rol en pleit voor aanhouding van de zaak om hulpverlening te starten en nader onderzoek te doen naar het ouderschap. De Raad voor de Kinderbescherming adviseert herstel van het gezag zonder nader onderzoek.

De rechtbank constateert dat de situatie sinds het beëindigen van het gezag recent is en dat de GI tekort is geschoten in haar taken. De rechtbank vindt het verzoek van de ouders begrijpelijk maar acht meer informatie noodzakelijk om te beoordelen of herstel in het gezag in het belang van de minderjarigen is. Daarom wordt de behandeling van het verzoek aangehouden voor zes maanden, waarna een schriftelijk verslag van de GI en ouders wordt verwacht.

Uitkomst: De rechtbank houdt het verzoek tot herstel van het ouderlijk gezag aan voor zes maanden wegens onvoldoende informatie en noodzaak van nader onderzoek.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Enkelvoudige Kamer
Zaaknummer: C/02/441119 FA RK 25-5429
beschikking over herstel ouderlijk gezag
in de zaak van
[de vrouw] ,
verder te noemen: de vrouw,
verder tezamen met de man te noemen: de ouders,
wonende [woonplaats] ,
advocaat mr. ing. J.G. van Ek in Heerlen,
en
[de man] ,
verder te noemen: de man,
verder tezamen met de vrouw te noemen: de ouders,
wonende [woonplaats] ,
advocaat mr. ing. J.G. van Ek in Heerlen,
over de minderjarigen:
-
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2018 te [geboorteplaats 1] ,
-
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 1] 2018 te [geboorteplaats 1] .
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI),
gevestigd in Amsterdam.
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
1 Het verloop van de procedure
1.1 In het dossier zitten de volgende stukken:
- het op 22 oktober 2025 ontvangen verzoek, met bijlagen;
- de op 13 februari 2026 ingediende bijlage, van de zijde van de ouders;
- de op 19 februari 2026 ingediende bijlage, van de zijde van de ouders;
- de uittreksels uit het gezagsregister over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
1.2 Het verzoek is mondeling behandeld op 23 februari 2026. Bij die behandeling zijn gekomen: de ouders, bijgestaan door hun advocaat, en een vertegenwoordigster namens de GI. Ook was een vertegenwoordigster namens de Raad aanwezig.

2.De feiten

2.1
De ouders zijn met elkaar getrouwd. Uit hun huwelijk zijn de volgende nog minderjarige kinderen geboren:
- [minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 2] 2010 te [geboorteplaats 2] ,
- [minderjarige 4] , geboren op [geboortedag 3] 2017 te [geboorteplaats 2] ,
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2018 te [geboorteplaats 1] ,
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 1] 2018 te [geboorteplaats 1] ,
- [minderjarige 5] , geboren op [geboortedag 4] 2020 te [geboorteplaats 3] .
2.2
[minderjarige 3] en [minderjarige 5] wonen bij de ouders. Zij hebben onder toezicht gestaan, maar de ondertoezichtstelling is laatstelijk niet verlengd. [minderjarige 4] verblijft in een pleeggezin.
2.3
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] (hierna: de minderjarigen) verbleven sinds 30 september 2020 op vrijwillige basis in een pleeggezin. Bij beschikking van deze rechtbank 24 januari 2022 zijn de minderjarigen onder toezicht gesteld van het Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering en is er een machtiging uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg verleend. De rechtbank heeft de ondertoezichtstellingen en uithuisplaatsingen telkens verlengd.
2.4
Bij beschikking van 22 mei 2024 heeft de rechtbank bepaald dat het gezamenlijk gezag van de ouders over de minderjarigen eindigt en is de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering benoemd tot voogd over de minderjarigen. Het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch heeft de beschikking van de rechtbank op 19 december 2024 bekrachtigd.
2.5
Sinds 1 juli 2025 wonen de minderjarigen weer bij de ouders.

3.Het verzoek

3.1
De ouders verzoeken om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering te Amsterdam, van de voogdij over de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te ontslaan, en het ouderlijk gezag van de ouders over de minderjarigen te herstellen, en te bepalen dat van de in deze te nemen beslissing aantekening wordt gemaakt in het in artikel 1:244 BW Pro genoemde openbare gezagsregister.

4.De standpunten van de ouders en de GI en het advies van de Raad

Het standpunt van de ouders
4.1
Ter onderbouwing van hun verzoek hebben de ouders in de stukken en tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, het volgende aangevoerd. In april 2025 bleek dat de relatie van de pleegouders van de minderjarigen onder spanning stond. Daarmee werd het verblijf van de minderjarigen bij de pleegouders onzeker. De ouders wilden de zorg voor de minderjarigen weer op zich nemen. De situatie van de ouders is in de afgelopen jaren aanmerkelijk verbeterd. Dit wordt bevestigd door het feit dat de ondertoezichtstellingen van [minderjarige 3] en [minderjarige 5] in januari 2024 niet meer zijn verlengd. De ouders hebben dan ook een verzoek tot thuisplaatsing van de minderjarigen gedaan. Sinds 1 juli 2025 wonen de minderjarigen weer bij de ouders. De ouders hebben van de GI geen signalen ontvangen dat de terugplaatsing tijdelijk zou zijn. De ondersteuning in het gedwongen kader loopt echter niet goed. Er zijn wisselingen bij de GI, beloftes worden niet nagekomen en de te volgen koers verandert voortdurend. De ouders hebben dan ook zelf contact gelegd met de gemeente voor hulpverlening en zetten zelf zaken in werking. Daarmee is nu de situatie ontstaan dat de ouders de minderjarigen weer opvoeden, waarbij zij de daarbij benodigde hulpverlening zelf organiseren. Zij worden ondersteund door de ouders van de vrouw. De GI (in de persoon van [persoon] ) houdt zich op de achtergrond en geeft vaak aan dat ouders het zelf mogen regelen. De ouders voeren feitelijk dus zelf de regie over de opvoeding en hulpverlening van de minderjarigen. Zij worden daarin echter belemmerd, omdat zij niet het gezag hebben over de minderjarigen. Daardoor zijn zij minder slagvaardig. Gelet op het voorgaande is het in het belang van de minderjarigen dat de feitelijke en juridische situatie in overeenstemming met elkaar worden gebracht en dat de ouders in het gezag worden hersteld. De ouders hebben geen bezwaar tegen hulpverlening in het vrijwillig kader. Zij hebben daar juist behoefte aan. Zij hebben wel bezwaar tegen een ondertoezichtstelling van de minderjarigen. Ook zien zij geen reden om de behandeling van hun verzoek aan te houden voor een periode van een half jaar, zoals is verzocht door de GI.
Het standpunt van de GI
4.2
De medewerkster van de GI geeft tijdens de mondelinge behandeling aan dat zij aanwezig is als vervanger van [persoon] . Zij erkent dat de GI het afgelopen jaar steken heeft laten vallen als voogd van de minderjarigen. Zo is er voorafgaand aan de thuisplaatsing van de minderjarigen in juli 2025 geen onderzoek gedaan naar ‘goed genoeg ouderschap’, hetgeen wel had moeten gebeuren. Daardoor heeft er geen goede afweging plaatsgevonden ten tijde van de thuisplaatsing. Verder heeft zij gezien dat de hulpverlening niet van de grond is gekomen en dat de GI de ouders teveel de regie heeft gegeven. Volgens de ouders zijn de omstandigheden gewijzigd, omdat de ondertoezichtstelling van [minderjarige 3] en [minderjarige 5] niet is verlengd. Het verzoek tot herstel in het gezag gaat echter over andere kinderen, met andere behoeften en problematiek. Er zijn zorgen over de minderjarigen, met name over de seksuele ontwikkeling van [minderjarige 1] . Ook de ouders geven aan dat zij met betrekking tot het gedrag van beide minderjarigen ondersteuning wensen. Het is fijn dat de ouders zelf op zoek zijn gegaan naar hulpverlening, maar de GI acht het nodig om zelf voor zowel de minderjarigen als de ouders (ambulante) hulpverlening te organiseren en om alsnog nader onderzoek te kunnen doen naar ‘goed genoeg ouderschap’. Inmiddels is [minderjarige 1] aangemeld bij [accommodatie] (GGZ) en zijn de ouders aangemeld bij WSG gezinsvormen voor (ambulante) ondersteuning door middel van de methode ‘Houvast’. De verwachting is dat deze hulpverlening op zeer korte termijn kan starten. Zolang er geen zicht is op het ‘goed genoeg ouderschap’, kan de GI niet instemmen met het verzoek van de ouders om hen te herstellen in het gezag. De GI verzoekt de behandeling van het verzoek aan te houden voor een periode van zes maanden, zodat de hulpverlening kan starten, de ouders en de GI weer tot een goede samenwerking kunnen komen en zodat door middel van de in te zetten hulpverlening het ‘goed genoeg ouderschap’ in beeld kan worden gebracht. Subsidiair verzoekt de GI om de minderjarigen onder toezicht te stellen ter ondersteuning van de ouders in de uitoefening van het gezag en ter waarborging van de belangen van de minderjarigen. Tot slot geeft de GI aan dat zij intern zal aangeven dat er een andere werker vanuit de GI bij het gezin betrokken moet worden, omdat de samenwerking en hulpverlening onder de huidige werker niet van de grond is gekomen.
Het advies van de Raad
4.3
Volgens de Raad heeft de GI de nodige steken laten vallen. De Raad gaat ervan uit dat sprake is van ‘goed genoeg ouderschap’, omdat de GI de minderjarigen per 1 juli 2025 bij de ouders heeft teruggeplaatst. De Raad ondersteunt dan ook het verzoek van de ouders en adviseert de ouders in het gezag te herstellen. De Raad ziet geen meerwaarde in een raadsonderzoek en ziet geen aanwijzing voor een zodanig bedreigde ontwikkeling van de minderjarigen om het verzoek van de GI tot ondertoezichtstelling van de minderjarigen over te nemen. De Raad acht het van belang dat de GI de signaalfunctie elders belegt, bijvoorbeeld bij de school van de minderjarigen of bij de hulpverlening.

5.De beoordeling

5.1
In artikel 1:277 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de rechtbank de ouder van wie het gezag is beëindigd, op zijn of haar verzoek in het gezag kan herstellen als:
- herstel in het gezag in het belang van de minderjarige is, en
- de ouder duurzaam de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro in staat is te dragen.
5.2
Bij de beantwoording van de vraag of herstel van het ouderlijk gezag is aangewezen, is het belang van de minderjarige het uitgangspunt. Daarbij staat het recht van het kind op een gezonde en evenwichtige groei naar zelfstandigheid centraal.
5.3
De rechtbank neemt het volgende in aanmerking. De beslissing van de rechtbank om het ouderlijk gezag van de ouders over de minderjarigen te beëindigen is nog vrij recent, namelijk van 22 mei 2024. Dat geldt ook voor de beslissing van het gerechtshof van 19 december 2024, waarbij de beschikking van de rechtbank is bekrachtigd. Een beslissing waarbij het gezag van ouders over hun kind wordt beëindigd, wordt niet lichtvaardig genomen. Dat blijkt ook uit de beschikking van de rechtbank, waarin die beslissing uitgebreid is gemotiveerd. Daarbij is onder meer overwogen dat de minderjarigen een belaste voorgeschiedenis kennen en ingrijpende levensgebeurtenissen hebben meegemaakt, dat zij ernstig werden bedreigd in hun ontwikkeling en dat de SDW op basis van een onderzoek in het kader van ‘goed genoeg ouderschap’ heeft geconcludeerd dat het perspectief van de minderjarigen niet meer bij de ouders lag, omdat zij onvoldoende in staat waren om de minderjarigen te bieden wat zij nodig hadden.
5.4
De feitelijke situatie is sinds 1 juli 2025 veranderd, in die zin dat de minderjarigen niet meer bij de pleegouders wonen, maar bij de ouders. Gebleken is echter dat met betrekking tot die thuisplaatsing door de GI geen, dan wel een onzorgvuldige, afweging is gemaakt, doordat er voorafgaand aan de thuisplaatsing niet opnieuw een onderzoek naar ‘goed genoeg ouderschap’ heeft plaatsgevonden. Verder is gebleken dat de GI sinds de thuisplaatsing de regievoering (ten onrechte) teveel aan de ouders heeft overgelaten en dat de hulpverlening niet van de grond is gekomen, terwijl ouders en de GI het met elkaar eens zijn dat zowel de minderjarigen als de ouders hulp nodig hebben. De rechtbank stelt vast dat de GI hierin tekort is geschoten. Daarmee zijn zowel de ouders als de minderjarigen tekort gedaan. De rechtbank vindt het positief dat de ouders open staan voor hulpverlening en dat zij daartoe zelf contact hebben opgenomen met de gemeente en hulpverleners. Echter, het enkele gegeven dat de GI de minderjarigen heeft teruggeplaatst bij de ouders en dat de ouders zelf en vrijwillig hulp en ondersteuning zoeken, maakt nog niet dat is voldaan aan de vereisten die de wet stelt om de ouders in het gezag te kunnen herstellen. De redenering van de Raad acht de rechtbank in dat kader te kort door de bocht. Daar komt bij dat de situatie waarin de minderjarigen weer bij de ouders verblijven nog maar pril is. Om een beslissing tot herstel van het gezag te kunnen nemen - terwijl relatief kort geleden nog werd geconcludeerd dat het perspectief van de minderjarigen niet meer bij de ouders lag en het gezag werd beëindigd - heeft de rechtbank meer informatie nodig. De rechtbank zal de behandeling van het verzoek daarom aanhouden voor een periode van zes maanden, zodat de door de GI recent aangevraagde hulpverlening alsnog kan worden gestart en de GI de gelegenheid heeft onderzoek te doen naar ‘goed genoeg ouderschap’. Na afloop van deze periode van zes maanden, verwacht de rechtbank van de GI en van de ouders schriftelijk bericht, zo mogelijk onderbouwd met stukken, over het verloop van de verschillende vormen van hulpverlening en onderzoek en wat dat betekent voor het door de ouders ingediende verzoek.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1
houdt de behandeling van deze zaak aan tot
1 september 2026 PRO FORMA, in afwachting van bericht van de GI en de ouders zoals overwogen in de laatste volzin van rechtsoverweging 5.4 van deze beschikking.
Deze beschikking is gegeven door mr. Baggel, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2026 in aanwezigheid van mr. Bishop-van Kollenburg, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.