ECLI:NL:RBZWB:2026:33

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
7 januari 2026
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
BRE 25/5546
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 4.2a WooArt. 6:12 AwbArt. 4.4 Woo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op Woo-verzoek en oplegging dwangsom

Eiser heeft een beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van verweerder op zijn Woo-verzoek van 8 september 2025. Verweerder stelde dat de beslistermijn was opgeschort wegens overmacht door de ziekte van eiser, maar de rechtbank oordeelt dat deze opschorting op 10 september 2025 is geëindigd.

De rechtbank stelt vast dat verweerder niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist en dat de mediation-overeenkomst niet rechtsgeldig is getekend, waardoor geen verdere opschorting van de beslistermijn kan worden aangenomen. De rechtbank bepaalt dat verweerder binnen zes weken alsnog een besluit moet nemen.

Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 voor elke dag dat verweerder de beslistermijn overschrijdt. Verweerder moet tevens het griffierecht van €194 aan eiser vergoeden. Het beroep wordt zonder zitting behandeld en gegrond verklaard.

Uitkomst: Verweerder moet binnen zes weken alsnog beslissen op het Woo-verzoek en een dwangsom betalen bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/5546

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,

en
[werkgever], gezamenlijk: verweerder,
(gemachtigde: mr. V.L.S. van Cruijningen).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn verzoek (aanvraag) op grond van de Wet open overheid (Woo) van 26 juli 2025 om informatie over drie belangrijke afnemers van de [werkgever] die eiser voor de toekomst niet langer inzetten voor het leveren van juridische ondersteuning, dit naar aanleiding van de manier waarop eisers optreden in een bepaalde aangelegenheid is beleefd.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
Is het beroep kennelijk gegrond?
3. Het beroep is kennelijk gegrond. Eiser heeft de aanvraag ingediend op 8 september 2025. Verweerder moet binnen vier weken beslissen op de aanvraag. [2]
3.1.
Verweerder geeft in het verweerschrift van 19 november 2025 aan dat de beslistermijn opgeschort is geweest vanwege overmacht. [3] De [werkgever] is namelijk werkgever van eiser en eiser is met ingang van [datum] 2025 ziekgemeld. De ziekmelding is werkgerelateerd, dit blijkt uit de terugkoppeling van de bedrijfsarts van 24 juli 2025. Uit deze en andere terugkoppelingen van de bedrijfsarts in de maanden erna heeft verweerder moeten begrijpen dat eiser wegens ziekte in het geheel niet belastbaar was met werk en vanwege zijn gezondheid buiten staat andere gesprekken met zijn werkgever te voeren dan in het kader van belangstellende contact vanuit de direct leidinggevende. Hierdoor kon verweerder niet in contact treden met eiser over zijn Woo-verzoek om informatie over drie belangrijke afnemers van de [werkgever] die eiser voor de toekomst niet langer inzetten voor het leveren van juridische ondersteuning, dit naar aanleiding van de manier waarop eisers optreden in een bepaalde aangelegenheid is beleefd.
Verweerder stelt dat deze overmachtssituatie voortduurt zolang het nog niet mogelijk is gebleken met eiser te spreken.
3.2.
De rechtbank stelt echter vast dat uit de brief van verweerder aan eiser van 15 oktober 2025 blijkt dat de overmachtssituatie waar verweerder zich op beroept, is opgehouden te bestaan op 10 september 2025. Naar aanleiding van een rapport van bedrijfsarts van die datum wil verweerder immers in contact treden met eiser over zijn Woo-verzoek.
Een beslistermijn kan niet (verder) opgeschort worden in afwachting van dit gesprek. OP grond van artikel 4.2a van de Woo kan een bestuursorgaan met de indiener van een omvangrijk Woo-verzoek in overleg kan treden over de prioritering en afhandeling van het verzoek, maar het artikel verbindt aan dat overleg geen gevolgen voor de beslistermijn. Slechts voor zover partijen dat samen overeenkomen, kan de beslistermijn worden opgeschort. De termijn waarbinnen verweerder moet beslissen is inmiddels voorbij.
3.3.
Eiser heeft verweerder op 15 oktober 2025 in gebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.
3.4.
Dat eiser, zoals verweerder heeft aangevoerd, op 17 oktober 2025 zou hebben ingestemd met mediation, blijkt niet uit de overgelegde mediation-overeenkomst nu deze niet is ondertekend. De rechtbank kan er dan ook niet, zoals verweerder bepleit, vanuit gaan dat (ook) deze Woo-procedure nadien wederom is stilgezet, althans dat de beslistermijn (nogmaals) is opgeschort.
3.5.
De rechtbank heeft van eiser vernomen dat de (poging tot) mediation op 18 december 2025 beëindigd is, waardoor er geen aanleiding meer is om de situatie van het moment te bevriezen, zoals verweerder aanvoert.
Welke beslistermijn moet aan verweerder worden opgelegd?
4. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen.
4.1.
Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
4.2.
Verweerder verzoekt in zijn verweerschrift van 19 november om een langere termijn.
4.3.
Naar het oordeel van de rechtbank moet een termijn recht doen aan de reële mogelijkheden om op het verzoek te beslissen, maar ook aan het belang om binnen afzienbare tijd een beslissing te ontvangen. Een langere termijn dan twee weken acht de rechtbank in dit geval aangewezen gelet op de omvang van het Woo-verzoek. In dit geval acht de rechtbank het redelijk dat verweerder zes weken de tijd krijgt het besluit te nemen.
Welke dwangsom wordt aan verweerder opgelegd?
5. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, verweerder de onder 4.3. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan verweerder de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd.
7. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die volgens de wet vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 7 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
2.Dit staat in artikel 4.4, eerste lid, van de Woo
3.Zoals bedoeld in artikel 4:15, tweede lid, onder c, van de Awb.