ECLI:NL:RBZWB:2026:3271
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Veroordeling UWV in proceskosten na toekenning Wajong-uitkering
Verzoekster stelde beroep in tegen het besluit van het UWV van 27 september 2023 waarin haar een Wajong-uitkering werd geweigerd. Op 10 februari 2026 wijzigde het UWV dit besluit en kende zij met ingang van 25 februari 2023 alsnog een Wajong-uitkering toe. Hierna trok verzoekster haar beroep in en verzocht het UWV te veroordelen in de proceskosten.
De rechtbank besloot op grond van artikel 8:54, eerste lid, Awb, de behandeling van het verzoek ter zitting achterwege te laten. Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, Awb, kan de rechtbank het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten indien het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen.
De rechtbank oordeelde dat het UWV aan verzoekster is tegemoetgekomen en veroordeelde het UWV in de door verzoekster gemaakte reiskosten van € 22,64. Daarnaast wees de rechtbank erop dat het griffierecht van € 50,- door het UWV vergoed moet worden op grond van artikel 8:41, zevende lid, Awb, zodat een veroordeling daarvoor niet nodig was.
Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten van verzoekster van € 22,64 na wijziging van het besluit en toekenning van een Wajong-uitkering.