Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3270

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
22 april 2026
Zaaknummer
BRE 26/1249
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 AwbArt. 4:17 AwbArt. 6:12 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55d Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank beveelt college Breda binnen twee weken te beslissen op jeugdhulpaanvraag en legt dwangsom op

Eiser, stiefvader van een jeugdige, stelde het college van burgemeester en wethouders van Breda in gebreke vanwege het niet tijdig beslissen op een aanvraag voor een individuele jeugdhulpvoorziening ingediend door de moeder van de jeugdige op 8 augustus 2025.

De rechtbank stelt vast dat het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond is, omdat het college de beslistermijn heeft overschreden. Hoewel het college een verlenging van vier weken verzocht vanwege de complexiteit van de situatie, oordeelt de rechtbank dat gezien de verstreken tijd een termijn van twee weken voldoende is om alsnog te beslissen.

De rechtbank legt het college een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 voor elke dag dat het besluit uitblijft na de gestelde termijn. Tevens wordt het college veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiser.

De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 22 april 2026 door rechter M. Breeman.

Uitkomst: Het college van Breda moet binnen twee weken beslissen op de jeugdhulpaanvraag en betaalt een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/1249

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 april 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. W.H. Beishuizen),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, het college.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat het college volgens hem niet op tijd heeft beslist op de aanvraag van 8 augustus 2025 voor een individuele jeugdhulpvoorziening op grond van de Jeugdwet.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
Is het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond?
3. Het beroep is ontvankelijk en kennelijk gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
3.1.
Het college merkt in het verweerschrift op dat eiser het beroep instelt terwijl niet vaststaat dat eiser als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van Pro de Awb kan worden aangemerkt. Het college vermeldt daarbij dat de beoordeling van de ontvankelijkheid over wordt gelaten aan de rechtbank.
3.2.
De rechtbank stelt vast dat [de moeder] , als moeder van de jongere, de aanvraag van 8 augustus 2025 heeft ingediend. In deze beroepsprocedure merkt de rechtbank eiser, als stiefvader van de jongere, aan als belanghebbende bij een besluit op deze aanvraag. Het is aan het college om een besluit te nemen over de aanvraag en de ontvankelijkheid hiervan.
3.3.
Niet in geschil is dat er sprake is van een overschrijding van de beslistermijn. Eiser heeft het college op 6 februari 2026 in gebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken voorbijgegaan.
Welke beslistermijn wordt aan het college opgelegd?
4. Omdat het college nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het college dit alsnog moet doen.
4.1.
Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het college dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
4.2.
Het college verzoekt in het verweerschrift om een beslistermijn van vier weken. In het verweerschrift geeft het college aan dat de aanvraag betrekking heeft op een complexe jeugdhulpsituatie, waarbij zorgvuldig onderzoek noodzakelijk is. Hierbij legt het college uit dat de complexiteit onder meer ziet op de situatie van de jeugdige, de overgang van verblijf in een gespecialiseerde jeugdgroep naar terugplaatsing in de thuissituatie, alsmede de ingrijpende gevolgen die deze veranderingen hebben voor alle betrokken gezinsleden. Deze omstandigheden dragen bij aan een verlengde onderzoeksduur.
4.3.
Naar het oordeel van de rechtbank moet een termijn recht doen aan de reële mogelijkheden om op de aanvraag te beslissen, maar ook aan het belang om binnen afzienbare tijd een beslissing te ontvangen. De rechtbank begrijpt dat bij complexe situaties vanwege het belang van een zorgvuldige besluitvorming een langere onderzoeksduur noodzakelijk kan zijn. Maar gezien de inmiddels verstreken tijd (ruim een half jaar sinds de aanvraag, tweeëneenhalve maand sinds de ingebrekestelling en een maand sinds het verweerschrift) ziet de rechtbank geen aanleiding om het college nu nog een langere termijn dan twee weken te geven om alsnog te beslissen op de aanvraag.
Welke dwangsom wordt aan het college opgelegd?
5. Het college verzoekt de rechtbank om geen rechterlijke dwangsom op te leggen, althans deze aanzienlijk te matigen, nu reeds een dwangsom van rechtswege is verbeurd op grond van artikel 4:17 van Pro de Awb. Daarbij wordt aangegeven dat het college zich inspant om zo spoedig mogelijk te beslissen.
5.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb en in overeenstemming met het landelijke beleid (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) dat het college een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-. De omstandigheden genoemd door het college ziet de rechtbank niet als aanleiding om een lagere dwangsom op te leggen.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, het college de onder 4.3. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan het college de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd.
6.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding voor zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt het college op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat het college aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het college de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 54,- aan eiser moet vergoeden;
  • veroordeelt het college tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van
I. Ambachtsheer, griffier, op 22 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.