ECLI:NL:RBZWB:2026:327

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
02-257055-24
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Behandeling van een strafzaak met betrekking tot bedreiging en mishandeling met tbs als maatregel

Op 23 januari 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte, geboren in 1984 in Polen, die zich schuldig heeft gemaakt aan meermalen gepleegde bedreiging en mishandeling. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte niet strafbaar is en heeft hem ontslagen van alle rechtsvervolging. In plaats daarvan is aan de verdachte terbeschikkingstelling (tbs) met verpleging opgelegd. De zaak werd inhoudelijk behandeld op 9 januari 2026, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten hebben gepresenteerd. De tenlastelegging omvatte bedreiging en mishandeling van twee aangevers, waarbij de verdachte met een mes stekende bewegingen heeft gemaakt en hen bij de keel heeft gegrepen. De rechtbank oordeelde dat de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar was ten tijde van de feiten, zoals bevestigd door rapportages van een psychiater en psycholoog. De rechtbank heeft de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke gevangenisstraf afgewezen, omdat de verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging. De beslissing is gebaseerd op de artikelen van het Wetboek van Strafrecht die van toepassing waren ten tijde van de feiten.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-257055-24
Parketnummer tul: 01-146271-21
Vonnis van de meervoudige kamer van 23 januari 2026
[verdachte] ,
geboren [geboortedag] 1984 in [geboorteplaats] (Polen),
gedetineerd in [verblijfplaats] ,
raadsman mr. P.A. Groenhuis, advocaat te Breda.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 9 januari 2026, waarbij de officier van justitie mr. J.J. Peerboom en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
Overeenkomstig artikel 369 van het Wetboek van Strafvordering heeft de politierechter de zaak naar deze kamer verwezen.
Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging met bovenvermeld parketnummer behandeld.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
feit 1[aangever 1] heeft bedreigd door met een mes stekende bewegingen te maken richting de ribben van [aangever 1] ;
feit 2[aangever 1] heeft mishandeld door hem (met kracht) bij de keel te grijpen, te duwen en op het oog van [aangever 1] te drukken;
feit 3[aangever 2] heeft mishandeld door hem (met kracht) bij de keel te grijpen;
feit 4[aangever 2] heeft bedreigd door met een mes stekende bewegingen te maken richting de ribben van [aangever 2] .

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan beide mishandelingen en bedreigingen. Er dient partiële vrijspraak te volgen voor het duwen van [aangever 1] nu dat niet tot pijn of letsel heeft geleid.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is met de officier van justitie van mening dat alle vier de feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden, met uitzondering van het duwen van [aangever 1] .
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
De rechtbank acht op grond van de aangehaalde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [aangever 1] en [aangever 2] heeft mishandeld en bedreigd.
Bij de bedreigingen overweegt de rechtbank dat verdachte bij beide aangevers met een mes stekende bewegingen heeft gemaakt richting de ribben. Het is een feit van algemene bekendheid dat zich daar vitale organen bevinden en dat een eventuele steekwond in deze vitale delen tot fataal letsel kan leiden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte [aangever 1] en [aangever 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht.
Evenals de officier van justitie en de verdediging spreekt de rechtbank verdachte bij feit 2 vrij van het duwen van [aangever 1] nu niet is gebleken dat dit duwen tot pijn of letsel heeft geleid.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
feit 1op 11 augustus 2024 te [plaats] , [aangever 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door met een mes stekende bewegingen te maken richting de ribben van die [aangever 1] ;
feit 2op 11 augustus 2024 te [plaats] , [aangever 1] heeft mishandeld door die [aangever 1]
- (met kracht) bij de keel te grijpen en
- op het oog te drukken;
feit 3op 11 augustus 2024 te [plaats] , [aangever 2] heeft mishandeld door die [aangever 2] bij de keel te grijpen;
feit 4op 11 augustus 2024 te [plaats] , [aangever 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door met een mes stekende bewegingen te maken richting de ribben van die [aangever 2] .
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

6.De strafbaarheid van verdachte

De officier van justitie en de raadsman sluiten zich aan bij de conclusie van de psycholoog en de psychiater dat verdachte als volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden beschouwd voor de vier feiten.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de rapportages van [psychiater] van 17 oktober 2025 en [psycholoog] van 9 oktober 2025. Zij concluderen dat verdachte ten tijde van het begaan van de strafbare feiten leed aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, te weten een schizo-affectieve stoornis en matige stoornissen in het gebruik van alcohol en cannabis.
Beide deskundigen hebben zich op het standpunt gesteld dat er een causaal verband bestaat tussen de genoemde stoornissen en de ten laste gelegde feiten en adviseren om de ten laste gelegde feiten in het geheel niet aan verdachte toe te rekenen en verdachte geheel ontoerekeningsvatbaar te verklaren.
De rechtbank neemt de overwegingen en conclusies van de psychiater en de psycholoog over en stelt vast dat verdachte tijdens het plegen van de strafbare feiten volledig heeft gehandeld onder invloed van zijn stoornis. Verdachte was niet in staat om zijn wil te vormen en weloverwogen en doelbewust keuzes te maken. Gelet daarop kunnen de feiten niet aan verdachte worden toegerekend. Dit betekent dat de rechtbank verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar verklaart en dat verdachte niet strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten. De rechtbank zal verdachte daarom ontslaan van alle rechtsvervolging.

7.De strafoplegging

7.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden geacht, waardoor hij niet strafbaar is en dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Gelet op het advies van de deskundigen vordert de officier van justitie aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (tbs) met dwangverpleging op te leggen.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om geen tbs aan verdachte op te leggen omdat aannemelijk is dat zijn verblijfsrecht om die reden zal eindigen. Zonder verblijfsrecht en dus zonder verlof is het in beginsel niet mogelijk om op termijn de tbs te beëindigen. Dit leidt tot een uitzichtloze situatie welke in strijd is met het EVRM. Overdracht van de tenuitvoerlegging naar Polen of terugkeer naar Polen met beëindiging van de tbs (met nazorg in Polen) is niet waarschijnlijk omdat Polen daartoe niet verplicht kan worden en daar niet aan wil meewerken. In een dergelijk geval pleit de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming voor het introduceren van een gevangenisstraf met forensische zorg in plaats van het opleggen van een tbs-maatregel. Verdachte heeft deze zorg gedurende zijn voorarrest in [verblijfplaats] reeds langere tijd mogen ontvangen.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
Aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft [aangever 1] en [aangever 2] mishandeld door hen bij hun keel te grijpen en bij [aangever 1] op het oog te drukken. Daarnaast heeft hij hen bedreigd door met een mes stekende bewegingen richting hun ribben te maken. Het is een feit van algemene bekendheid dat dit soort feiten bij de slachtoffers, naast pijn en letsel, gevoelens van angst en onveiligheid teweegbrengen.
In deze zaak komt de rechtbank aan het opleggen van een straf niet toe omdat de rechtbank met de officier van justitie en de verdediging van oordeel is dat verdachte vanwege de toestand waarin hij in het kader van zijn stoornis verkeerde geen strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Een dader die geen verwijt kan worden gemaakt voor zijn handelen kan daarvoor ook niet worden bestraft. Dit doet echter niet af aan de ernst van wat heeft plaatsgevonden. De vraag is aan de orde of aan verdachte tbs moet worden opgelegd
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft kennisgenomen van de rapportages van [psychiater] en [psycholoog] . Bij de overwegingen over de strafbaarheid van verdachte heeft de rechtbank de adviezen uit deze rapporten al deels besproken. Beide deskundigen hebben geadviseerd om aan verdachte tbs met verpleging van overheidswege op te leggen.
Een behandeling op vrijwillige basis dan wel een kader met voorwaarden is volgens de deskundigen niet haalbaar vanwege het ontbreken van ziektebesef en -inzicht, het ontbreken van motivatie voor een (klinische) behandeling en de wisselende medicatietrouw. Een zorgmachtiging is naar de mening van de deskundigen ook geen geschikt kader gezien het als hoog ingeschatte recidiverisico op gewelddadig gedrag. Het beveiligingsniveau zal ontoereikend zijn.
De reclassering heeft in het rapport van 28 november 2025 met dezelfde onderbouwing ook negatief geadviseerd over tbs met voorwaarden. Zij zien geen mogelijkheden om met voorwaarden de risico's te beperken of het gedrag van verdachte te veranderen.
De reclassering komt tot de conclusie dat er sprake is van een hoog afbreukrisico en daarbij ook een hoog risico op letselschade gezien het delictpatroon. Ondanks het huidige verblijf van verdachte in de gestructureerde en beveiligde omgeving van de penitentiaire inrichting zijn de overtuigingen dat hij gedurende zijn leven geprovoceerd wordt en zijn gedachten en handelen overgenomen worden onveranderd aanwezig.
Maatregeloverwegingen
Gelet op de inhoud van de rapporten, de ernst van de feiten en het strafblad van verdachte is de rechtbank van oordeel dat een maatregel van terbeschikkingstelling noodzakelijk is.
Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat wordt voldaan aan de eisen die de wet daaraan stelt, te weten:
- bij verdachte bestond ten tijde van het plegen van het feit een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens;
- op het gepleegde misdrijf is een gevangenisstraf van vier jaren of meer gesteld;
- de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eist die maatregel.
De rechtbank acht, gelet op de ernst van de problematiek en het gevaar dat verdachte voor anderen oplevert, dwangverpleging noodzakelijk.
De rechtbank stelt vast dat de maatregel wordt opgelegd voor een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De totale duur van de maatregel kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.
Over van het verweer van de verdediging dat ziet op problemen in de tenuitvoerlegging van de tbs overweegt de rechtbank dat deze gestelde problemen pas aan de orde zouden kunnen komen als de veroordeling van verdachte consequenties heeft voor zijn verblijfstitel. Als daarvan al op enig moment sprake zou zijn, volgt uit recente jurisprudentie (te weten onder meer ECLI:NL:GHARL:2025:5029 en ECLI:NL:GHARL:2025:6210) dat overdracht van de tenuitvoerlegging van tbs met dwangverpleging naar Polen mogelijk is. De rechtbank ziet op grond van hetgeen de raadsman heeft aangevoerd dan ook geen reden om tot een andere beslissing te komen.

8.De vordering tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft verzocht om de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de politierechter van de rechtbank Oost-Brabant van 19 december 2022 af te wijzen.
Nu verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging en er gelet daarop geen straf aan verdachte zal worden opgelegd, wijst de rechtbank de vordering tot tenuitvoerlegging af.

9.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 37a, 37b, 57, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10.Beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1 en 4, telkens:bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
feit 2 en 3, telkens:mishandeling;
- verklaart
verdachte niet strafbaar voor de bewezen verklaarde feiten en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging;
Maatregel
- gelast de
terbeschikkingstellingvan verdachte,
met verplegingvan overheidswege;
Vordering tenuitvoerlegging
- wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.A.H.A. Schnitzler-Strijbos, voorzitter, en mr. D.H. Hamburger en S.P.W. van Dooren, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.J.M. van de Vrede, griffier, en is uitgesproken ter de openbare zitting op 23 januari 2026.
De voorzitter is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat
feit 1hij, op of omstreeks 11 augustus 2024 te [plaats] [aangever 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met een mes stekende bewegingen te maken richting de ribben, althans het lichaam, van die [aangever 1] ;
feit 2hij, op of omstreeks 11 augustus 2024 te [plaats] [aangever 1] heeft mishandeld door die [aangever 1]
- (met kracht) bij de keel te grijpen, en/of
- te duwen, en/of
- op het oog te drukken;
feit 3hij, op of omstreeks 11 augustus 2024 te [plaats] [aangever 2] heeft mishandeld door die [aangever 2] (met kracht) bij de keel te grijpen;
feit 4hij op of omstreeks 11 augustus 2024 te [plaats] [aangever 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met een mes stekende bewegingen te maken richting de ribben, althans het lichaam, van die [aangever 2] .