Eiser heeft beroep ingesteld tegen het UWV omdat het niet tijdig heeft beslist op zijn bezwaar tegen het besluit van 30 juli 2024 over een Wajong-uitkering. De rechtbank stelt vast dat het UWV de beslistermijn heeft overschreden, ondanks een ingebrekestelling op 21 mei 2025 die het UWV op 4 juni 2025 ontving.
De rechtbank bepaalt dat het UWV binnen vier maanden na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit moet nemen. Deze termijn is verlengd ten opzichte van de standaard twee weken vanwege het belang van zorgvuldige besluitvorming en het tekort aan verzekeringsartsen dat het UWV als reden voor de vertraging heeft opgegeven.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag dat het UWV de termijn overschrijdt, met een maximum van €15.000. Het UWV wordt ook veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht van €54 en proceskosten van €467 aan eiser. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 22 april 2026.