4.3.2.De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feiten 2 en 3
Omdat verdachte de feiten 2 en 3 heeft bekend en door de verdediging geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen (bijlage II). Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de feiten 2 en 3 heeft begaan.
Feit 1
(On)rechtmatigheid
Op basis van de stukken in het dossier stelt de rechtbank vast dat verdachte op 27 januari 2025 is aangetroffen in een huurauto op een plek waarvan bij de politie bekend is dat daar veel wordt gedeald. De verbalisant verklaart dat hij de dag ervoor hetzelfde voertuig had gecontroleerd waarbij hij al het vermoeden had dat de bestuurder zich bezig hield met de handel in verdovende middelen. Op 27 januari 2025 werd gezien dat verdachte twee telefoons op schoot had liggen, vertelde hij een volgens de politie onlogisch verhaal over zijn aanwezigheid op die plaats en bij de fouillering van verdachte bleek hij 10 ponypacks met daarin cocaïne in zijn jaszak te hebben. Verdachte is daarna aangehouden.
Op basis van de verdenking van handel in- en bezit van harddrugs is door de officier van justitie gevorderd om de gegevens op de twee inbeslaggenomen telefoons te onderzoeken. De rechter-commissaris heeft daarvoor, met inachtneming van de waarborging zoals die volgt uit Landeck-arrest, een machtiging afgegeven voor de periode van zes maanden. De rechtbank stelt vast dat die machtiging niet onbeperkt is geweest en specifiek zag op de verdenking van handel in harddrugs. De rechtbank is gelet daarop van oordeel dat deze machtiging daarmee niet disproportioneel is geweest.
In het kader van het onderzoek naar de handel in harddrugs is de politie gestuit op Arabische en Russische teksten die zij via Google Translate heeft vertaald. De verdediging stelt dat de politie, door de teksten te vertalen, buiten haar machtigingsbevoegdheid is getreden. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. De politie was nog bezig met het onderzoek naar de handel in harddrugs en in het kader van adequate opsporing, mag een tekst in een buitenlandse taal die de politie niet begrijpt, vertaald worden. Ook als het daarbij om Arabisch of Russisch gaat. Een ander oordeel zou een effectieve opsporing in de weg staan.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van een onrechtmatig onderzoek van de gegevens op de telefoons. Het daarin aangetroffen bewijsmateriaal kan dan ook worden gebruikt voor het bewijs. Dat geldt ook voor het bewijsmateriaal dat op basis van de latere machtiging tot onderzoek van gegevens op de telefoons van verdachte is verkregen.
Gebruik ambtsbericht voor het bewijs
Het is vaste rechtspraak dat het gebruik in een strafzaak van een door de AIVD opgesteld ambtsbericht tot het bewijs is toegestaan. De strafrechter moet wel met de nodige behoedzaamheid beoordelen of het materiaal, gelet op de soms beperkte toetsbaarheid, tot het bewijs kan meewerken.
Met inachtneming van dit uitgangspunt, gaat de rechtbank ervan uit dat de ambtsberichten van de AIVD in deze zaak als bewijs kunnen worden gebruikt, voor zover er voldoende andere informatie is die daarvoor als steunbewijs kan dienen.
Het Landelijk Parket heeft van de AIVD een ambtsbericht ontvangen, gedateerd 19 mei 2025 waarin staat vermeld dat de AIVD over betrouwbare informatie beschikt over verdachte. Deze informatie houdt onder meer in dat verdachte aanhanger is van het jihadistische gedachtegoed van IS, in oktober 2024 zijn baya aan IS oefende en gezegd heeft dat hij wilde uitreizen om zich in Syrië bij IS aan te sluiten, dat hij sinds oktober 2024 meermaals een aanslagintentie heeft uitgesproken, hij in januari 2025 de prijs voor twee AK-47’s met volle magazijnen heeft ontvangen, in maart 2025 heeft gezegd over een pistool te beschikken en primair gebruik maakt van het [telefoonnummer 1] . Op 24 september 2025 is nog een tweede ambtsbericht naar het Landelijk Parket verstuurd, waarin audiofragmenten van twee telefoongesprekken met het hierboven genoemde telefoonnummer zijn verstrekt.
De rechtbank constateert allereerst dat niet alleen de ambtsberichten hebben geleid tot de verdenking van deelname aan een terroristische organisatie door verdachte, maar dat deze verdenking ook uit het onderzoek naar de al in januari 2025 in beslag genomen telefoons naar voren is gekomen.
Ten aanzien van de informatie die volgt uit het ambtsbericht van de AIVD van 19 mei 2025 geldt naar het oordeel van de rechtbank dat die op essentiële onderdelen wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen in het dossier. Zo blijkt uit het politieonderzoek onder meer dat in de iPhone 11 Pro Max van verdachte berichten aan verdachte zijn aangetroffen inhoudende “2ak47 russisch 3,8k de stuk” en daarna: “Met volle magazijnen”. Ook wordt de informatie uit het ambtsbericht dat verdachte zou hebben gezegd over een pistool te beschikken naar het oordeel van de rechtbank ondersteund door het feit dat bij een doorzoeking in mei 2025 daadwerkelijk een gaspistool bij verdachte is aangetroffen. Daarnaast heeft verdachte onder meer erkend dat hij het door de AIVD genoemde [telefoonnummer 1] heeft gebruikt, dat hij zeer veel informatie over IS heeft opgezocht, met anderen in chatgroepen over IS heeft gesproken en zichzelf heeft gefilmd terwijl hij strijdliederen zong.
Ten aanzien van de bij het ambtsbericht van 24 september 2025 aangeleverde audiofragmenten geldt dat verdachte, na deze (deels) te hebben beluisterd, heeft verklaard dat hij zijn stem heeft herkend als een van de gespreksdeelnemers aan die telefoongesprekken. Met inachtneming daarvan ziet de rechtbank geen reden om de vertaalde uitwerking van die telefoongesprekken niet voor het bewijs te gebruiken.
Van een omstandigheid dat het resultaat van het onderzoek van de AIVD niet tot het bewijs kan dienen, is de rechtbank dan ook niet gebleken.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat beide ambtsberichten tot het bewijs kunnen worden gebruikt.
De rechtbank is van oordeel dat het voorwaardelijk verzoek van de verdediging, om het hoofd van de AIVD als getuige te horen over de ambtsberichten, onvoldoende is onderbouwd. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om het onderzoek ten behoeve van het horen van de getuige te heropenen.
Deelnemen terroristische organisatie
Volgens vaste jurisprudentie wordt IS (evenals haar voorlopers ISIL en ISIS) gezien als een organisatie als bedoeld in artikel 140a Sr die het plegen van terroristische misdrijven tot oogmerk heeft. Van deelneming aan een dergelijke organisatie kan slechts dan sprake zijn als de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk. Verdachte wist dat IS een organisatie betreft die het oogmerk heeft om terroristische misdrijven te plegen. Verdachte heeft daarover ter terechtzitting verklaard dat IS nog verder gaat dan het zijn van een terroristische organisatie en dat zij in dat kader ook handelingen verricht die daarbij aansluiten.
De rechtbank stelt vast dat verdachte zich gedurende een periode van ruim tweeënhalf jaar, waarvan de laatste maanden het meest intensief, heeft bezig gehouden met extremisme en jihadisme. Uit het digitale onderzoek van de gegevensdragers volgt dat verdachte via verschillende social media kanalen deelnam aan chatgroepen waarin allerlei nieuwsberichten, foto’s en video’s van en over IS met gewelddadige en extremistische content werden gedeeld, hij was geabonneerd op de (wekelijkse) nieuwsbrief van IS die hij ook verspreidde en hij hielp anderen bij het zich abonneren op die nieuwsbrief. Hij heeft jihadistische strijdliederen gezongen en zichzelf daarbij gefilmd.
In het door verdachte gevoerde telefoongesprek op 20 december 2024 reageert hij blij op het nieuws van een op die dag gepleegde aanslag op een kerstmarkt waarbij vele doden en gewonden zijn gevallen. Na de vraag van zijn gesprekspartner of er al een reactie of opeising van ‘onze kant’ is gekomen, reageert verdachte ontkennend waaruit valt te concluderen dat de kant waar verdachte en zijn gesprekspartner toe behoren aanslagen pleegt en opeist.
Het handelen van de verdachte past naadloos in de mediastrategie van IS. Daarbij wordt vooropgesteld dat IS niet alleen een fysieke strijd op het slagveld voert maar ook een ideologische oorlog via (sociale) media. In verschillende officiële oproepen van IS wordt media-activisme zelfs gelijkgesteld aan de strijd op het slagveld.
Door voornoemde handelingen te verrichten en via verschillende accounts propaganda van IS te verspreiden, heeft de verdachte aan de oproep van IS om deel te nemen aan de elektronische jihad op een zodanige manier en in een zodanige mate gevolg en vorm gegeven, dat hij niet slechts als sympathisant van IS is aan te merken, maar is gaan behoren tot het samenwerkingsverband van IS. Hij heeft met deze handelingen en het verspreiden van de IS-ideologie ook een bijdrage geleverd aan de terroristische oogmerken van IS. Gelet hierop concludeert de rechtbank dat de verdachte heeft deelgenomen aan de terroristische organisatie IS.
De alternatieve verklaring van verdachte dat hij enkel uit nieuwsgierigheid onderzoek heeft verricht naar IS, terwijl hij stoned was en mede daardoor maar weinig heeft gelezen en meegekregen van die informatie, schuift de rechtbank terzijde. Door het actieve en langdurige handelen van verdachte, waaronder het zingen van jihadistische strijdliederen en het deelnemen aan chatgesprekken en chatgroepen waarin pro-IS informatie werd gedeeld en nieuws over aanslagen goedkeurend werd besproken en smeekbedes werden gedaan voor aanslagplegers, ook door verdachte, acht de rechtbank dat ongeloofwaardig.
Naast het instemmend reageren op aanslagen lijkt verdachte ook zelf bereid te zijn geweest om geweld te gebruiken. Verdachte noemt in chatgesprekken nadat is gesproken over een aanslagpleger dat hij hoopt dat hij ook wordt uitgekozen. En in het telefoongesprek op 16 januari 2025 waarin wordt gesproken over dat “zij aanzetten tot iets” zegt verdachte dat hij elke dag dichtbij komt om ‘naar buiten te gaan’, hetgeen opgevat kan worden als dat hij in actie wil komen. In dat licht bezien, is het in zijn telefoon aangetroffen Snapchatgesprek op 21 januari 2025 waarin hij het bericht krijgt met ‘2ak47 russisch 3,8 k de stuk, met volle magazijnen’, zeer waarschijnlijk verwijzend naar Kalasjnikov geweren met volle patroonmagazijnen, zeer onrustbarend. Dat geldt ook voor de bij verdachte in mei 2025 aangetroffen wapens waaronder een gaspistool met munitie en messen, ook al kan uit het dossier niet geconcludeerd worden dat verdachte zelf actief bezig is geweest met (het voorbereiden van) een concrete aanslag.
Voor wat betreft de start van de ten laste gelegde periode overweegt de rechtbank dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte vanaf 1 september 2022 via Telegram deelnam aan een chat type Broadcast.
De rechtbank acht feit 1 dan ook wettig en overtuigend bewezen.