Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3259

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
12013266 VV EXPL 25-55 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • Swaanen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering werkgever wegens niet-naleving verstrekking correcte loonstroken en jaaropgaven

Werkgever en werknemer zijn sinds 2013 verbonden door een arbeidsovereenkomst. In een eerder kort geding is werkgever veroordeeld tot betaling van achterstallige eindejaarsuitkeringen en tot het verstrekken van correcte loonstroken en jaaropgaven vanaf 2013, onder verbeurte van dwangsommen.

Werkgever heeft slechts loonstroken en jaaropgaven vanaf 2015 verstrekt en heeft geen toelichting gegeven op vermeende fouten in de jaaropgaven van 2021 en 2022. Werknemer stelt dat deze documenten onjuist zijn en heeft daarom dwangsommen opgeëist en beslag gelegd.

De rechtbank oordeelt dat werkgever niet aannemelijk heeft gemaakt aan de veroordeling te hebben voldaan, waardoor dwangsommen verschuldigd zijn en het beslag geoorloofd was. De vordering van werkgever tot terugbetaling van het beslag en matiging van dwangsommen wordt afgewezen.

Werkgever wordt veroordeeld in de proceskosten van €1.009,00. Het vonnis is gewezen door mr. Swaanen en op 8 april 2026 uitgesproken.

Uitkomst: De vorderingen van werkgever worden afgewezen omdat zij niet aannemelijk heeft gemaakt aan de veroordeling te hebben voldaan; dwangsommen zijn verschuldigd en beslag was toegestaan.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Bergen op Zoom
Zaaknummer: 12013266 \ VV EXPL 25-55
Vonnis in kort geding van 8 april 2026
in de zaak van
[werkgever] B.V.,
te [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [werkgever],
gemachtigde: mr. M.E. Smits,
tegen
[werknemer],
te [plaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [werknemer],
gemachtigde: mr. G. Bloem.
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het dagvaarding met bijlagen 1 en 2;
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 12;
- de e-mail van mr. Oliemans, de vorige gemachtigde van [werkgever], van 12 januari 2026 met aantekeningen en producties A tot en met E;
- de mondelinge behandeling van 16 januari 2026 en de door mr. Bloem overgelegde beschikking van deze rechtbank, team Familie- en Jeugdrecht, van 9 januari 2026.
1.2. Op de mondelinge behandeling zijn naast deze zaak ook de zaken 11834388 CV EXPL 25-2683 en 11866641 AZ VERZ 25-58 tussen partijen behandeld.
1.3. Na de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter op verzoek van partijen de procedures aangehouden, zodat zij de mogelijkheden voor een minnelijke regeling konden beproeven. Bij e-mail van 11 februari 2026 heeft mr. Smits bericht dat partijen geen minnelijke regeling hebben getroffen.
1.4. Het vonnis is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[werkgever] en [werknemer] hebben op 1 september 2013 een Arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ondertekend op grond waarvan [werknemer] in dienst trad van [werkgever] in de functie van Secretarieel medewerkster.
2.2.
Op 1 mei 2025 is [werknemer] tegen [werkgever] een kort gedingprocedure gestart bij de kantonrechter van deze rechtbank. Bij vonnis van 20 juni 2025 (hierna: het vonnis) heeft de kantonrechter [werkgever] veroordeeld tot betaling aan [werknemer] van € 7.341,11 netto aan eindejaarsuitkeringen, € 1.835,28 aan wettelijke verhoging en € 997,24 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met wettelijke rente. Daarnaast is [werkgever] veroordeeld tot afgifte aan [werknemer] van correcte loonstroken en jaaropgaven ten name van [werkgever] vanaf 1 september 2013, zulks binnen veertien dagen na betekening van het vonnis en onder verbeurte van een dwangsom. De kosten van de procedure zijn gecompenseerd tussen partijen.
2.3.
Geen van partijen heeft rechtsmiddelen aangewend tegen het vonnis.
2.4.
Op 26 juni 2025 heeft [werknemer] het vonnis aan [werkgever] laten betekenen en is bevel gedaan tot afgifte binnen veertien dagen van de correcte loonstroken en jaaropgaven ten name van [werkgever] vanaf 1 september 2013.
2.5.
Bij e-mail van 7 juli 2025 heeft mevrouw [naam], werkzaam bij [werkgever], loonstroken en jaaropgaven van de jaren 2015 tot en met 2024 verstrekt. Zij heeft gemeld dat volgens de salarisadministratie oudere loonstroken en jaaropgaven niet beschikbaar zijn.
2.6.
Bij e-mail van 8 juli 2025 heeft mr. Bloem bericht dat er fouten in de loonstroken staan en dat [werkgever] ook de oudere loonstroken moet verstrekken.
2.7.
[werknemer] heeft aanspraak gemaakt op dwangsommen. Zij heeft op 14 november 2025 derdenbeslag laten leggen onder de Coöperatieve Rabobank U.A. ten laste van [werkgever]. Het beslag heeft doel getroffen voor een bedrag van € 15.345,76. Dat bedrag is gestort op de derdengeldenrekening van mr. Bloem.

3.Het geschil

3.1.
[werkgever] vordert bij vonnis, bij wege van voorlopige voorziening, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren:
primair:
- te bepalen dat sprake is van een onterecht gelegd beslag en [werknemer] te veroordelen om binnen 24 uur na het in deze te wijzen vonnis het op de derdengeldenrekening van haar advocaat gestorte bedrag van € 15.345,76 terug te storten op rekening van [werkgever] en voor zover enige inhouding uit hoofde van dat beslag heeft plaatsgevonden, [werknemer] eveneens te veroordelen tot terugbetaling van het ingehouden bedrag aan [werkgever];
subsidiair:
- indien de kantonrechter van oordeel is dat wel een dwangsom is verschuldigd door [werkgever] deze in redelijkheid en billijkheid te matigen;
primair en subsidiair:
- met veroordeling van [werknemer] in de kosten van dit geding.
3.2.
[werkgever] legt aan de vordering ten grondslag dat zij aan de veroordelingen in het vonnis heeft voldaan.
3.3.
[werknemer] voert verweer.
3.4.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Spoedeisend belang
4.1.
Gelet op de aard van de vordering van [werkgever] is het spoedeisend belang voor dit kort geding gegeven. Zij is daarmee ontvankelijk in haar vordering.
Toetsingskader
4.2.
In dit kort geding dient te worden beoordeeld of het bestaan van de vordering van [werkgever] voldoende aannemelijk is en dat het, mede gelet op de belangen van partijen over en weer, gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan in een bodemprocedure vooruit te lopen door het treffen van de gevorderde voorziening. Gelet op het karakter van een kort geding past daarbij geen uitgebreid onderzoek en is er geen plaats voor nadere bewijsvoering.
Veroordeling
4.3.
Het gaat om de vraag of voldoende aannemelijk is dat [werkgever] heeft voldaan aan de veroordelingen in het vonnis.
4.4.
In punt 5.4. van het vonnis heeft de kantonrechter beslist:
“veroordeelt [werkgever] tot afgifte aan [werknemer] van correcte loonstroken en jaaropgaven ten name van [werkgever] vanaf 1 september 2013, zulks binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis en onder verbeurte van een dwangsom van € 150,00 per dag dat [werkgever] hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 15.000,00,”
4.5.
[werknemer] voert aan dat de door [werkgever] verstrekte jaaropgave van 2021 niet correct is. Daarin staat namelijk een jaarloon van € 17.381,00 bruto (bijlage 2 van [werkgever]). De kantonrechter overweegt dat uitgaande van alleen al het basisloon waarmee [werknemer] is gestart in 2013 – zonder indexering en emolumenten waarover partijen van mening verschillen en een procedure voeren in de zaak 11834388 CV EXPL 25-2683 – van
€ 1.500,00 netto per maand, vermeerderd met 8% vakantietoeslag, het netto jaarloon uitkomt op € 19.440,00 (€ 1.500,00 * 1,08 * 12 maanden). Dat is een hoger nettoloon dan het brutoloon van € 17.381,00 in de jaaropgave. Het komt de kantonrechter voorshands voor dat dit niet correct is. Een nadere toelichting van [werkgever] hoe zij tot het brutoloon in de jaaropgave is gekomen en dat die jaaropgave correct is, was op zijn plaats geweest. Die toelichting heeft zij niet gegeven.
4.6.
[werknemer] voert ook aan dat de verstrekte jaaropgave van 2022 niet correct is. Daarin staat een jaarloon van € 19.975,00 bruto (bijlage 2 van [werkgever]). De kantonrechter overweegt dat dit slechts € 535,00 meer is dan voormeld netto jaarloon van € 19.440,00. Voorshands komt het de kantonrechter voor dat een dergelijk beperkt verschil in bruto/netto gelet op de hoogte van het jaarloon niet correct is. Een nadere toelichting van [werkgever] daarop was op zijn plaats geweest. Die heeft zij niet gegeven.
4.7.
Zonder nadere, toereikende toelichting van [werkgever] op de jaaropgaven van 2021 en 2022 is de kantonrechter voorshands van oordeel dat die jaaropgaven niet correct zijn. Weliswaar loopt tussen partijen in de zaak 11834388 CV EXPL 25-2683 een procedure waarin (onder meer) in geschil is wat het loon bedraagt en welke emolumenten verschuldigd zijn, maar ten aanzien van de jaaropgaven 2021 en 2022 is in ieder geval niet voldoende aannemelijk geworden dat die correct zijn.
4.8.
Naar het voorlopige oordeel van de kantonrechter is daarom niet voldoende aannemelijk geworden dat [werkgever] heeft voldaan aan de veroordeling in punt 5.4. van het vonnis tot het verstrekken van correcte loonstroken en jaaropgaven. [werkgever] is dwangsommen verschuldigd geworden. Het was [werknemer] toegestaan om daarvoor beslag te leggen.
4.9.
De primaire vordering zal daarom worden afgewezen.
4.10.
De subsidiaire vordering wordt eveneens afgewezen. [werkgever] heeft geen omstandigheden gesteld waarom de dwangsommen gelet op de redelijkheid en billijkheid moeten worden gematigd.
Proceskosten
4.11.
[werkgever] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [werknemer] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [werkgever] niet worden veroordeeld tot betaling van de betekeningskosten. De proceskosten van [werknemer] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
865,00
- nakosten
144,00
Totaal
1.009,00

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [werkgever] af,
5.2.
veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe.
Dit vonnis is gewezen door mr. Swaanen en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026.