Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3253

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
24/6867
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Wet WIAArt. 5 Wet WIAArt. 6:19 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling mate arbeidsongeschiktheid en toekenning WIA-uitkering aan eiser

Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser en de toekenning van een WIA-uitkering door het UWV. Eiser, voormalig havenarbeider in België, was ziekgemeld wegens lichamelijke en psychische klachten en betwist de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid.

De rechtbank beoordeelt de medische rapportages van verzekeringsartsen en concludeert dat de beperkingen van eiser adequaat zijn vastgesteld, waaronder beperkingen door autisme, borderline, rug- en nekklachten, en een essentiële tremor. De rechtbank wijst de stellingen van eiser af dat hij verdergaand beperkt zou zijn, onder meer op het gebied van fijne motoriek en prikkelgevoeligheid.

De arbeidsdeskundige van het UWV heeft passende functies geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op basis van een maatmanomvang van 36,25 uur per week. De rechtbank bevestigt dat de mate van 49,91% juist is vastgesteld en dat er geen reden is voor een reductiefactor.

Het beroep tegen eerdere besluiten is niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang, terwijl het beroep tegen het laatste besluit ongegrond wordt verklaard. De rechtbank veroordeelt het UWV tot betaling van griffierecht en proceskosten aan eiser vanwege het nemen van een nieuw besluit tijdens de procedure.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep tegen het laatste besluit ongegrond en bevestigt de vaststelling van 49,91% arbeidsongeschiktheid door het UWV.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats: Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/6867 WIA

uitspraak van 21 april 2026 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser,

(gemachtigde: mr. V.M.C. Verhaegen)
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(UWV; kantoor Heerlen), verweerder.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de toekenning van een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aan eiser. Eiser is het niet eens met de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid op juiste gronden heeft vastgesteld.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid per 30 augustus 2023 terecht heeft vastgesteld op 49,91%. Eiser krijgt dus (geen) gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Eiser heeft geen procesbelang meer bij een inhoudelijke beoordeling van de eerder genomen besluiten van het UWV. Het beroep voor zover dit gericht is tegen de eerdere besluiten is daarom niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Relevante feiten en omstandigheden

2. Eiser is werkzaam geweest als havenarbeider in België. Wegens medische klachten is eiser uitgevallen voor deze werkzaamheden. Eiser heeft daarna een uitkering ontvangen vanuit de Belgische Mutualiteit. Nadat deze uitkering werd beëindigd, heeft eiser in Nederland een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd. Het UWV heeft aan eiser per 10 augustus 2020 een WW-uitkering toegekend. Op 1 september 2021 heeft eiser zich vanuit de WW-uitkeringssituatie ziekgemeld wegens lichamelijke en psychische klachten. Het UWV heeft aan eiser per 10 september 2021 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Na het doorlopen van de wachttijd heeft eiser een WIA-aanvraag ingediend.

Procesverloop

3. Het UWV heeft met het besluit van 25 juli 2023 (primair besluit) geweigerd per 30 augustus 2023 aan eiser een WIA-uitkering toe te kennen. Met het besluit van 26 augustus 2024 (bestreden besluit 1) is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3.1.
Vervolgens heeft het UWV op 24 februari 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar (bestreden besluit 2) genomen, waarin alsnog een WIA-uitkering aan eiser is toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 47,46%. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van eiser mede betrekking op dit besluit.
3.2.
De rechtbank heeft het beroep op 14 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en mr. H.M. van Gent namens het UWV.
3.3.
Ter zitting is het onderzoek geschorst en afgesproken dat de arbeidsdeskundige van het UWV zal reageren op hetgeen eiser ter zitting heeft aangevoerd over zijn maatmanomvang. Naar aanleiding hiervan heeft het UWV op 27 oktober 2025 een nieuw besluit (bestreden besluit 3) genomen, waarmee de arbeidsongeschiktheid van eiser is vastgesteld op 49,91%. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep van eiser mede betrekking op dit besluit.
3.4.
Eiser heeft op 5 december 2024 gereageerd op bestreden besluit 3. Op 9 februari 2026 heeft het UWV gereageerd op het bericht van eiser. Aangezien geen van partijen opnieuw mondeling op een zitting wenste te worden gehoord, heeft de rechtbank bepaald dat verder onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft zij het onderzoek op 24 maart 2026 gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

4. Aan bestreden besluit 3 heeft het UWV ten grondslag gelegd dat eiser per 30 augustus 2023 voor 49,91% arbeidsongeschikt is.
4.1.
Bij de beoordeling of de bestreden besluit juist zijn, is van belang of eiser medische beperkingen heeft en of hij daardoor geheel of gedeeltelijk niet meer in staat is met arbeid inkomsten te verwerven.
4.2.
De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Zijn de beperkingen juist vastgesteld?
5. De bestreden besluiten, voor zover deze zien op de medische beoordeling, zijn gebaseerd op rapporten van een (verzekerings)arts en een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) van het UWV.
5.1.
Verzekeringsgeneeskundige beoordelingen door het UWV
Verzekeringsarts [naam 1] heeft eiser in het kader van de ziektewetbeoordeling gezien op het spreekuur van 2 november 2021, waarbij psychisch onderzoek werd verricht. In zijn rapportage van 4 november 2021 heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat eiser wegens psychische klachten en lichamelijke klachten arbeidsongeschikt is voor zijn arbeid. De psychische klachten bestaan uit een autismespectrumstoornis, borderline persoonlijkheidsstoornis en alcoholverslaving. De lichamelijke klachten betreffen de rug, knieën, darmen en een fistel.
Arts [naam 2] (medeondertekend door verzekeringsarts Raad) heeft eiser aan het einde van de wachttijd beoordeeld en gezien op het spreekuur van 13 juli 2023, waarbij psychisch en lichamelijk onderzoek werd verricht. In de rapportage van 20 juli 2023 heeft de arts geconcludeerd dat geen sprake lijkt te zijn van noemenswaardige toename van belemmeringen ten aanzien van de gezondheidssituatie vóór de ziekmelding. De gezondheidsproblematiek, ervaren belemmeringen en genoemde beperkingen zijn reeds lange tijd aanwezig en waren reeds bij aanvraag van de WW-uitkering aanwezig. De problematiek is niet wezenlijk veranderd en de triggers vanuit de privésfeer lijken de laatste tijd juist wat minder aanwezig. De belastbaarheid van eiser per einde wachttijd is overeenkomstig de belastbaarheid per datum van het toekennen van de WW-uitkering.
Verzekeringsarts [naam 3] heeft eiser tijdens de bezwaarprocedure gezien op het spreekuur van 12 maart 2024, waarbij psychisch onderzoek is verricht. In de rapportage van 28 maart 2024 heeft de verzekeringsarts b&b zich aangesloten bij het primaire oordeel dat de belastbaarheid per datum einde wachttijd beter is dan op de dag vóór de ziekmelding. Daarom zou er per 14 juli 2023 (dag na primaire beoordeling) feitelijk geen recht meer op ZW-uitkering bestaan en zou de datum einde wachttijd niet zijn bereikt. De primaire arts heeft echter per abuis geen ‘beslissing arbeidsongeschikt’ afgegeven na het spreekuur van 13 juli 2023. Hoewel op medische gronden geen reden is voor het opstellen van een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML), zijn de beperkingen en de belastbaarheid van eiser neergelegd in de FML van 28 maart 2023.
Verzekeringsarts b&b [naam 4] heeft eiser later in de bezwaarprocedure gezien op het spreekuur van 12 juli 2024, waarbij lichamelijk en psychisch onderzoek is verricht. In de rapportage van 12 juli 2024 heeft de verzekeringsarts b&b gelet op de nek- en rugklachten een aanvullende beperking aangenomen voor werken boven schouderhoogte. Ten aanzien van knieklachten wordt overwogen dat eiser bij het knielen/hurken op de goede knie kan steunen, waardoor er geen beperkingen worden aangenomen. Als gevolg van psychische problematiek en prikkelverwerking is eiser aangewezen op werk waar hij niet of nauwelijks wordt afgeleid door activiteiten van anderen. Ook is eiser aanvullend beperkt te achten voor het omgaan met emotionele problemen van anderen. Op de overige punten (met name in rubriek 1) worden geen beperkingen aangenomen, omdat eiser in het basaal dagelijks functioneren niet belemmerd wordt door zijn klachten. Zo kan hij langdurig een gesprek voeren, autorijden of huishoudelijke taken uitvoeren. Ook ziet de verzekeringsarts b&b geen reden om eiser verder te beperkten ten aanzien van het aantal mensen in de directe omgeving. Omdat eiser al beperkt is op het gebied van samenwerken en contact met anderen en hij binnen zijn eigen deeltaak werkt, acht de verzekeringsarts b&b medisch niet onderbouwd dat eiser niet adequaat kan functioneren als er bijvoorbeeld tien mensen in zijn directe omgeving zijn. Eiser heeft vroeger op school ook gefunctioneerd met meerdere mensen in de klas. Verder heeft de verzekeringsarts b&b geconcludeerd dat eiser voltijds belastbaar is. De therapie die eiser volgt leidt niet tot een verminderde beschikbaarheid. Door de autisme en borderline kan eiser wel sneller vermoeid zijn bij overbelasting. Kijkend naar het dagverhaal, de psychische observatie en rekening houdend met de aangenomen beperkingen leidt dit niet tot de aanname dat eiser in passende werkzaamheden een dermate grote noodzaak aan recuperatie zal hebben dat er overdag extra rustmomenten noodzakelijk zijn, dan wel dat er een reëel risico bestaat dat cliënt mentaal zal decompenseren. De gewijzigde beperkingen en aangepaste belastbaarheid van eiser is neergelegd in de FML van 12 juli 2024.
Verzekeringsarts b&b [naam 4] heeft naar aanleiding van het beroepsschrift nader gerapporteerd op 30 januari 2025. Daarin is overwogen dat los van de vraag of eiser op dat moment hinder ondervond, niet wordt ingezien hoe een essentiële tremor tot een beperking in repetitieve handbewegingen kan leiden. Mocht hij op de datum in geding wel bekend zijn met een medicamenteus behandelde essentiële tremor, ziet de verzekeringsarts b&b geen aanwijzingen dat eiser hierdoor dermate beperkt is dat dit in de FML zou moeten leiden tot een beperking op fijn motorische handelingen. Eiser heeft tijdens de eerdere spreekuren niet aangegeven dat hij een tremor heeft waardoor hij beperkingen in de handfunctie ondervindt. De gebruikte medicatie heeft als doel de symptomen te onderdrukken. De medicamenteuze effecten lijken dermate goed te zijn dat eiser geen problemen in het functioneren ondervindt.
5.2.
Beroepsgronden
Eiser heeft aangevoerd dat hij wegens een tremor beperkt moet worden geacht op het gebied van fijn motorisch vingergebruik en repetitieve handelingen. Verder kan eiser door de samenwerkingsproblematiek maximaal vijf personen in zijn nabijheid verdragen. Ook zijn de nek- en rugklachten ernstiger dan in de FML is aangenomen. Er dient een beperking te worden aangenomen voor boven schouderhoogte actief zijn. Daarnaast is er door de prikkelgevoeligheid vanwege zijn autisme en verslavingsproblematiek sprake van een energetische beperking, waardoor er sneller vermoeidheid optreedt. Hiervoor is ten onrechte geen preventieve beperking opgenomen. Tot slot volgt eiser twee uur per week behandeling, zodat ook sprake is van verminderde beschikbaarheid.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
Fijne motoriek/repetitieve bewegingen
5.3.1.
Partijen zijn verdeeld over de vraag of eiser als gevolg van de essentiële tremor beperkt moet worden geacht op het gebied van fijne motoriek en repetitieve bewegingen. Eiser heeft hierbij verwezen naar de verklaring van de huisarts. De huisarts heeft aangegeven dat eiser lijdt aan een essentiële tremor, waarvoor hij meer dan tien jaar medicatie gebruikt. Daarom zou eiser geen werkzaamheden (waarvoor fijne motoriek nodig is) kunnen uitoefenen.
5.3.2.
Uit de medische rapportages blijkt niet dat eiser heeft aangegeven dat sprake is van een tremor of verminderde handfunctie. De medicatie (propranolol) wordt voor het eerst genoteerd tijdens het spreekuur van 12 maart 2024. Uit de verklaring van de huisarts blijkt dat eiser al meer dan tien jaar medicatie gebruikt voor een tremor. Daaruit kan worden afgeleid dat eiser de tremor op de datum in geding al had. Echter is voor het beoordelen van de belastbaarheid van belang in hoeverre dit leidde tot beperkingen. De rechtbank is van oordeel dat het UWV voldoende heeft gemotiveerd dat geen aanleiding bestaat verdere beperkingen aan te nemen. Eiser heeft ook geen nadere informatie overgelegd waaruit blijkt dat hij ondanks het gebruik van de medicatie klachten ervaarde door de tremor. Er is onvoldoende twijfel gezaaid aan het oordeel van de verzekeringsartsen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Samenwerkingsproblematiek
5.3.3.
De verzekeringsarts heeft eiser beperkt acht voor werkomgevingen waarbij veel (meer dan tien) mensen om eiser heen zijn, vanwege de onrust die dit bij hem kan geven. Op basis van de aanwezige ziektebeelden (autisme en emotieregulatieproblematiek) werd deze beperking plausibel geacht voor eiser. De verzekeringsarts b&b heeft geen reden gezien om het aantal mensen in de werkomgeving verder te beperken, omdat er reeds beperkingen zijn aangenomen ten aanzien van het samenwerken en contact met anderen.
5.3.4.
Eiser heeft gesteld dat hij maximaal vijf personen in zijn nabijheid kan verdragen. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser verwezen naar verslagen van behandelaren. In de brief van 23 mei 2024 schrijft de behandelaar van Emergis dat eiser door zijn autisme veel klachten heeft op het gebied van prikkels door omgevingsgeluiden. Daarbij wordt verwezen naar piepende machines dan wel omgevingsgeluiden door in een ruimte te zijn met te veel dan wel meer dan vijf personen.
5.3.5.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV zich terecht op het standpunt gesteld dat voldoende rekening is gehouden met eisers prikkelgevoeligheid en samenwerkingsproblematiek. Zo is eiser beperkt geacht voor langdurige werkzaamheden in omgevingen met veel geluid of veel wisselende geluiden en aangewezen op een voorspelbare werksituatie zonder veelvuldige deadlines of productiepieken. Daarnaast wordt hij beperkt geacht in het hanteren van emotionele problemen van anderen, omgaan met conflicten en het samenwerken met anderen. Eiser is aangewezen op een eigen, van tevoren afgebakende, deeltaak. Ook is hij aangewezen op werk zonder patiëntencontact en beperkt klantencontact en zonder leidinggevende aspecten. Tot slot is eiser beperkt geacht voor werkomgevingen met meer dan tien collega’s of andere mensen om hem heen.
5.3.6.
Dat de behandelaar van Emergis aangeeft dat eiser in het kader van zijn prikkelverwerking moeite heeft met piepende machines en omgevingsgeluiden in een ruimte met te veel dan wel meer dan vijf personen, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om twijfel te zaaien aan het oordeel van de verzekeringsarts. Daarbij is van belang dat, zoals het UWV terecht heeft aangevoerd, eiser door de aangenomen beperkingen op het persoonlijk en sociaal functioneren reeds is aangewezen op een werkomgeving met veel minder prikkels dan normaal. Het UWV heeft voldoende gemotiveerd dat het onder die omstandigheden niet aannemelijk is dat eiser niet kan functioneren bij meer dan vijf personen om zich heen.
Nek- en rugklachten
5.3.7.
Eiser is verder bekend met artrose in de onderrug en nek. Daarom heeft de verzekeringsarts beperkingen aangenomen in de rubrieken dynamische handelingen en statische houdingen. De verzekeringsarts b&b heeft een aanvullende beperking aangenomen, waarbij is bepaald dat de norm van twee minuten achtereen boven schouderhoogte actief zijn voor eiser maximaal is.
5.3.8.
Eiser heeft aangevoerd dat de nek- en rugklachten ernstiger zijn dan is aangenomen. Dit zou moeten leiden tot een (grotere) beperking op het item boven schouderhoogte actief zijn. Daarbij heeft eiser verwezen naar de verklaring van de huisarts van 26 juni 2024. Daarin heeft de huisarts verklaard dat eiser is aangetast door een fysische en/of psychische invaliditeit van meer dan 44% voor de gekende nek- en rugklachten.
5.3.9.
Uit de verklaring van de huisarts blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat eiser geen twee minuten (maximaal) boven schouderhoogte actief kan zijn. Dit blijkt ook niet uit de eerder overgelegde medische informatie over de nek- en rugklachten. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij aanvullend beperkt moet worden geacht. Het UWV heeft zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt mogen stellen dat voldoende rekening is gehouden met de nek- en rugklachten door beperkingen op te nemen voor dynamische handelingen en statische houdingen.
Urenbeperking
5.3.10.
Volgens de standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid kan de verzekeringsarts de duurbelastbaarheid van een betrokkene beperken op grond van de volgende indicatiegebieden:
  • Stoornis in de energiehuishouding: als er wegens een aandoening extra recuperatieperiodes nodig zijn.
  • Preventief: bij een aandoening waarvan bekend is dat ziekteverschijnselen optreden of verergeren.
  • Verminderde beschikbaarheid: als de betrokkene wegens een noodzakelijke behandeling niet in staat is arbeid te verrichten.
5.3.11.
Eiser heeft aangevoerd dat ten onrechte geen preventieve beperking is aangenomen. De verzekeringsarts b&b heeft overwogen dat eiser door zijn autisme en borderline sneller vermoeidheid kan raken bij overbelasting. Dit kan reden zijn voor een preventieve urenbeperking. Echter gelet op de reeds aangenomen beperkingen (zoals voor prikkels en omgang met anderen), het dagverhaal en de psychische observatie komt de verzekeringsarts b&b tot de conclusie dat eiser in passende werkzaamheden geen dermate grote noodzaak aan recuperatie nodig zal hebben en niet de verwachting is dat eiser mentaal zal decompenseren.
5.3.12.
De rechtbank is van oordeel dat het UWV voldoende heeft gemotiveerd dat door het aannemen van beperkingen die de arbeid voor eiser passend maken, het risico op overbelasting en decompensatie flink afneemt, waardoor er geen reden meer is om een urenbeperking te hanteren. Eiser heeft zijn stelling dat hij wél is aangewezen op een urenbeperking niet nader onderbouwd.
5.3.13.
Ten aanzien van de urenbeperking wegens verminderde beschikbaarheid overweegt de rechtbank dat het gaat om één of twee therapiemomenten per week van ongeveer een uur. Hiermee is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een intensieve behandeling waardoor eiser verminderd beschikbaar was voor arbeid. Het UWV heeft in dat kader terecht aangevoerd dat deze behandelingen ook gepland kunnen worden rond de te werken uren.
Conclusie
5.3.14.
Niet gebleken is dat in de FML van 12 juli 2024 de beperkingen van eiser zijn onderschat. De beroepsgrond dat eiser meer beperkt moet worden, slaagt niet. Voor de verdere beoordeling gaat de rechtbank dan ook uit van de belastbaarheid die is neergelegd in die FML.
Zijn de aan de schatting ten grondslag gelegde functies geschikt?
6.
Arbeidsdeskundige beoordelingen door het UWV
De arbeidsdeskundige van het UWV heeft, rekening houdend met de vastgestelde FML, de volgende functies ten grondslag gelegd aan de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid: productiemedewerker industrie (SBC-code 111180), textielproductenmaker (SBC-code 111160) en lader, losser (SBC-code 111220). Als reservefuncties zijn geduid: productiemedewerker textiel, geen kleding (SBC-code 272043) en wikkelaar (SBC-code 267053). Op basis hiervan heeft de arbeidsdeskundige geconcludeerd dat eiser 31,01% arbeidsongeschikt is.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep (arbeidsdeskundige b&b) heeft naar aanleiding van de gewijzigde FML de reservefunctie productiemedewerker textiel (SBC-code 272043) laten vervallen. De overige geduide functies blijven geschikt. Wel heeft de arbeidsdeskundige b&b de omvang van de maatgevende functie op 40 uur bepaald, waardoor de arbeidsongeschiktheid berekend wordt op 34,44% (bestreden besluit 1). Het maatmaninkomen van € 20,54 per uur blijft ongewijzigd.
De arbeidsdeskundige b&b heeft naar aanleiding van het beroepsschrift het maatmaninkomen opnieuw berekend. Gelet op eisers inkomen in België en de specifieke regels die daarbij gelden, heeft de arbeidsdeskundige b&b het maatmaninkomen aangepast naar € 26,97 per uur, waardoor de arbeidsongeschiktheid berekend wordt op 47,46%. Gelet hierop wordt aan eiser de WIA-uitkering toegekend (bestreden besluit 2)
De arbeidsdeskundige b&b is vervolgens naar aanleiding van hetgeen eiser ter zitting heeft aangevoerd, uitgegaan van een maatmanomvang van 36,25 uur per week. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt vervolgens bepaald op 49,91% (bestreden besluit 3).
6.1.
Beroepsgronden
Eiser heeft aangevoerd dat de geduide functies niet geschikt zijn, omdat eiser verdergaand beperkt is. Daarnaast kennen de functies samensteller van producten alsmede wikkelaar een overschrijding van de belastbaarheid vanwege de beperking aangaande de fijne motoriek.
6.2.
Oordeel van de rechtbank
De beroepsgronden van eiser geven de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de medische geschiktheid van de geselecteerde functies Eisers standpunt dat hij niet in staat is de geduide functies te verrichten, vloeit voort uit zijn opvatting dat zijn medische beperkingen zijn onderschat. Zoals de rechtbank in overweging 5.3 heeft geconcludeerd is die opvatting niet juist. De hiervoor genoemde functies mochten worden gebruikt voor de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid.
Is de mate van arbeidsongeschiktheid juist vastgesteld?
7. Op basis van de inkomsten die eiser met de geduide functies kan verdienen, heeft het UWV met bestreden besluit 3 een berekening gemaakt die leidt tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 49,91%. Eiser heeft hiertegen aangevoerd dat er nog een reductiefactor dient te worden toegepast. Dit is naar het oordeel van de rechtbank niet het geval. De maatmanomvang van eiser is met bestreden besluit 3 vastgesteld op 36,25 uur per week. De laagste omvang van de geduide functies is 38,01 uur per week. Eiser kan daarom alle uren van zijn maatman werken in de geduide functies, waardoor er geen reden is om een reductiefactor toe te passen.
7.1.
Dit betekent dat het UWV in bestreden besluit 3 de mate van arbeidsongeschiktheid per 30 augustus 2023 terecht heeft vastgesteld op 49,91%.

Conclusie en gevolgen

8. Het UWV heeft met het bestreden besluit 3 de mate van arbeidsongeschiktheid opnieuw vastgesteld, waardoor de bestreden besluiten 1 en 2 zijn vervangen. Eiser heeft niet gesteld schade te hebben geleden ten gevolge van de bestreden besluiten 1 en 2. Het UWV heeft in bestreden besluit 2 alsnog een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend. Gelet hierop heeft eiser geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van de bestreden besluiten 1 en 2. De rechtbank verklaart daarom het beroep voor zover gericht tegen de bestreden besluiten 1 en 2 wegens het ontvallen van procesbelang niet-ontvankelijk.
8.1.
Het beroep voor zover gericht tegen bestreden besluit 3 is ongegrond. Dat betekent dat er voor eiser niets verandert en bestreden besluit 3 in stand blijft.
8.2.
De rechtbank ziet wel aanleiding voor een proceskostenvergoeding, nu het UWV aanleiding heeft gezien om in beroep nieuwe beslissingen op bezwaar te nemen die hebben geleid tot een andere mate van arbeidsongeschiktheid. Het UWV moet daarom het griffierecht en de proceskostenvergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.

Beslissing

De rechtbank
  • verklaart het beroep voor zover gericht tegen de bestreden besluiten 1 en 2 niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep voor zover gericht tegen bestreden besluit 3 ongegrond;
  • bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden;
  • veroordeelt het UWV tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.H. van der Linden, rechter, in aanwezigheid van J. Boer-IJzelenberg, griffier, op 21 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage: wettelijk kader

In artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA is bepaald dat volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.
Volgens artikel 5 van Pro de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Dit betekent dat pas recht op uitkering bestaat bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer.