ECLI:NL:RBZWB:2026:325

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
09-082686-23
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor mishandeling zonder straf of maatregel opgelegd in verband met gelijktijdige tbs

Op 23 januari 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van mishandeling. De zaak werd inhoudelijk behandeld op 9 januari 2026, waarbij de officier van justitie, mr. J.J. Peerboom, en de verdediging hun standpunten naar voren brachten. De verdachte, geboren in 1984 in Polen en gedetineerd, had meerdere vuistslagen uitgedeeld aan de aangever, wat resulteerde in een gebroken neus. De rechtbank oordeelde dat er onvoldoende bewijs was voor zwaar lichamelijk letsel, omdat het dossier geen medische gegevens bevatte. De verdachte had een bekennende verklaring afgelegd en de rechtbank achtte de mishandeling wettig en overtuigend bewezen, maar sprak de verdachte vrij van andere tenlasteleggingen.

De officier van justitie vorderde een schuldigverklaring zonder straf of maatregel, en de verdediging heeft geen argumenten aangedragen voor een straf. De rechtbank oordeelde dat de verdachte een ernstige inbreuk had gemaakt op de lichamelijke integriteit van de aangever, maar dat er in een andere, gelijktijdig behandelde zaak al een maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging zou worden opgelegd. Daarom werd besloten om geen straf op te leggen voor de mishandeling. De rechtbank verklaarde het tenlastegelegde bewezen, sprak de verdachte vrij van andere beschuldigingen, en concludeerde dat de verdachte strafbaar was, maar geen straf of maatregel werd opgelegd.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 09-082686-23
Vonnis van de meervoudige kamer van 23 januari 2026
[verdachte] ,
geboren [geboortedag] 1984 in [geboorteplaats] (Polen),
gedetineerd in [verblijfplaats] ,
waarnemend raadsman mr. P.A. Groenhuis, advocaat te Breda.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 9 januari 2026, waarbij de officier van justitie mr. J.J. Peerboom en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
Overeenkomstig artikel 369 van het Wetboek van Strafvordering heeft de politierechter van de rechtbank Den Haag de zaak verwezen naar deze rechtbank voor gelijktijdige behandeling met de zaak met parketnummer 02-257044-24.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte [aangever] meerdere vuistslagen op zijn neus heeft gegeven waardoor de neus van die [aangever] gebroken is.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van [aangever] . Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat er bij [aangever] sprake was van zwaar lichamelijk letsel.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is met de officier van justitie van mening het feit wettig en overtuigend bewezen kan worden, met uitzondering van het ten gevolge van de mishandeling ontstaan van zwaar lichamelijk letsel.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
Aangezien verdachte ten aanzien van het feit een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 9 januari 2026;
- de aangifte van [aangever] van 25 maart 2023.
Evenals de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is om vast te stellen dat [aangever] als gevolg van de bewezen verklaarde mishandeling zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen nu het dossier geen medische gegevens bevat.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 24 maart 2023 te [plaats], [aangever] heeft mishandeld door die [aangever] meerdere vuistslagen in zijn gezicht te geven.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn/haar strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert om verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf of maatregel.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft niets aangevoerd ten aanzien van de op te leggen straf.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van [aangever] door hem meerdere vuistslagen op zijn neus te geven. Met zijn handelen heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [aangever] . Geweld tegen een ander persoon is onaanvaardbaar en een feit van deze aard rechtvaardigt in beginsel het opleggen van straf.
De rechtbank overweegt dat aan verdachte echter in een andere, gelijktijdig behandelde, strafzaak de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging zal worden opgelegd. Dit brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich mee dat met een strafoplegging voor onderhavig feit geen redelijk doel meer is gediend. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat kan worden volstaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van een straf.

7.Beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
mishandeling;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- bepaalt dat
geen straf of maatregel wordt opgelegd.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.A.H.A. Schnitzler-Strijbos, voorzitter, en mr. D.H. Hamburger en S.P.W. van Dooren, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.J.M. van de Vrede, griffier, en is uitgesproken ter de openbare zitting op 23 januari 2026.
De voorzitter is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat
hij op of omstreeks 24 maart 2023 te [plaats], althans in Nederland, [aangever] heeft mishandeld door die [aangever] één of meerdere vuistslagen op zijn neus, althans in zijn gezicht, te geven, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken neus, ten gevolge heeft gehad.