Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3241

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
25/5978
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • N.S.S. Obispo
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 lid 1 ParticipatiewetArt. 16 ParticipatiewetZorgverzekeringswetWet langdurige zorgWet maatschappelijke ondersteuning
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand voor tandartskosten wegens ontbreken medische noodzaak en goedkoopste adequate oplossing

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand ter bekostiging van tandartskosten voor de behandeling van parodontitis, met een bedrag van € 1.980,91. Werkplein Hart van West-Brabant heeft deze aanvraag op 16 juli 2025 afgewezen, omdat de kosten volgens medisch advies niet noodzakelijk zijn en niet de goedkoopste adequate oplossing vormen. Eiser maakte bezwaar, maar het bezwaar werd op 7 oktober 2025 eveneens afgewezen.

Eiser voerde aan dat het medisch advies van Stichting SAP niet beperkt was tot een medisch oordeel en dat onvoldoende is gemotiveerd waarom er geen sprake is van zeer dringende redenen. De rechtbank toetste of Werkplein het beleid van de gemeente [plaats] consistent en juist heeft toegepast, waarbij het beleid bepaalt dat bijzondere bijstand alleen wordt verstrekt bij medische noodzaak en als de behandeling de goedkoopste adequate oplossing is.

De rechtbank oordeelde dat Werkplein terecht is uitgegaan van het medisch advies dat de gevraagde behandeling niet de goedkoopste adequate oplossing is, mede omdat een volledig kunstgebit als alternatief werd geadviseerd. Er is geen schending van fundamentele rechten vastgesteld. Het beroep is daarom ongegrond verklaard, het besluit van Werkplein blijft in stand en eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de aanvraag bijzondere bijstand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/5978

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 april 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. I.M. van den Heuvel),
en

het dagelijks bestuur van Werkplein Hart van West-Brabant, Werkplein

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet. Eiser is het niet eens met de afwijzing en voert daartoe beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de aanvraag van eiser terecht is afgewezen. Dit betekent dat eiser dus geen gelijk krijgt en het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3. Daarbij gaat de rechtbank in op de vraag of Werkplein het beleid consistent en op juiste wijze heeft toegepast. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
1.3.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand. Werkplein heeft deze aanvraag met het besluit van 16 juli 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 7 oktober 2025 op het bezwaar van eiser, is Werkplein bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Werkplein heeft een verweerschrift ingediend.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 10 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van Werkplein. Eiser was niet aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand ter bekostiging van tandartskosten. Hij heeft gevraagd om een bedrag van € 1.980,91 voor de behandeling van parodontitis. Met het besluit van 16 juli 2025 is deze aanvraag afgewezen.
3.1.
In bezwaar heeft eiser aangevoerd dat Werkplein ten onrechte heeft geoordeeld dat de gevraagde kosten niet noodzakelijk zijn. Stichting SAP, die Werkplein heeft voorzien van medisch advies, zou zich daarbij niet hebben beperkt tot een medisch oordeel. Daarnaast is onvoldoende gemotiveerd waarom niet kan worden gesproken van ‘zeer dringende redenen’.
3.2.
Werkplein heeft in het bestreden besluit overwogen dat de gevraagde kosten niet in aanmerking komen voor verlening van bijzondere bijstand op grond van artikel 15 lid 1 van Pro de Participatiewet, omdat de kosten in de Zorgverzekeringswet als niet noodzakelijk worden aangemerkt. Een uitzondering op grond van artikel 16 van Pro de Participatiewet kan niet worden gemaakt, omdat niet is gebleken dat sprake is van zeer dringende redenen die de verlening van bijstand noodzakelijk maken. Dit is door eiser onvoldoende aannemelijk gemaakt. Op basis van medisch advies van Stichting SAP wordt geconcludeerd dat de behandeling voor parodontitis niet de goedkoopste adequate oplossing is. Hierdoor voldoet eiser ook niet aan de voorwaarden die voortvloeien uit de beleidsregels van de gemeente [plaats] .
Is de aanvraag voor bijzondere bijstand terecht afgewezen?
3.3.
De rechtbank beoordeelt of de aanvraag van eiser terecht is afgewezen. Dit doet zij aan de hand van de beroepsgronden.
Toepassing beleidsregels
3.4.
Ter zitting is namens eiser aangevoerd dat wat hem betreft enkel de toepassing van het (begunstigend) beleid van de gemeente [plaats] in geding is. Dat eiser niet voldoet aan de wettelijke eisen van de Participatiewet staat dus niet ter discussie. De rechtbank toetst daarom of Werkplein het beleid consistent heeft toegepast.
3.5.
De gemeente [plaats] heeft beleidsregels vastgesteld die zij aanmerkt als buitenwettelijk begunstigend beleid. Op basis van deze beleidsregels zou een aanvrager toch aanspraak kunnen maken op bijzondere bijstand, ondanks dat deze niet voldoet aan de voorwaarden uit de Participatiewet. Naar vaste rechtspraak dient dit door de bestuursrechter terughoudend te worden getoetst. [1] Dat houdt in dat de aanwezigheid en de toepassing van dat beleid als een gegeven wordt aanvaard. Getoetst wordt of het beleid op consistente wijze is toegepast en of fundamentele rechten waarop de betrokkene zich beroept niet zijn geschonden.
3.6.
Uit het beleid volgt dat bijzondere bijstand voor tandheelkundige behandelingen alleen wordt verstrekt als er een medische noodzaak aanwezig is en als de verzochte behandeling kan worden aangemerkt als de goedkoopste adequate oplossing/behandeling. Bovendien volgt uit het beleid dat Werkplein zich dient te voorzien van medisch advies, om te bepalen of de kosten van tandheelkundige behandelingen voor vergoeding in aanmerking komen. Werkplein heeft daarom Stichting SAP om advies gevraagd. In het bestreden besluit heeft Werkplein overwogen dat zij redelijkerwijs van het advies uit heeft kunnen gaan nu de inhoud of de totstandkoming van het advies niet onzorgvuldig zijn gebleken.
3.7.
Eiser voert aan dat het advies van stichting SAP om een volledig kunstgebit te nemen, is ingegeven door financiële overwegingen. Niet wordt gesproken van de noodzaak tot het nemen van een volledig kunstgebit en het adviseren van een prothese is geen medisch advies.
3.8.
De beroepsgrond richt zich tot de inhoud van het advies van Stichting SAP. Zoals volgt uit het beleid is getoetst of de door eiser gevraagde voorziening de goedkoopst adequate oplossing is. In tegenstelling tot hetgeen eiser aanvoert, is die toets niet beperkt tot welke medische behandelingen er mogelijk zijn, maar kan daarbij ook betrokken worden of er andere adequate oplossingen zijn, zoals bijvoorbeeld een prothese (in dit geval een kunstgebit). Hoewel in het advies is geoordeeld dat het noodzakelijk is om de parodontitis te behandelen, komt stichting SAP tot de conclusie dat de verzochte behandeling niet de goedkoopst adequate oplossing is. Hiermee voldoet de verzochte behandeling niet aan de eisen die in het beleid worden gesteld, waardoor deze niet voor vergoeding in aanmerking komt.
3.9.
Het voorgaande overwegende komt de rechtbank tot het oordeel dat Werkplein het beleid op consistente en juiste wijze heeft toegepast. Aangevoerd noch gebleken is dat met toepassing van het beleid fundamentele rechten zijn geschonden. De afwijzing van de aanvraag is dus terecht geweest.
3.10.
Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het besluit van Werkplein waarin het bezwaar van eiser ongegrond wordt verklaard, in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.S.S. Obispo, rechter, in aanwezigheid van
J. Boer-IJzelenberg, griffier, op 21 april 2026 en openbaar bekend gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
-

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Beleidsregels Bijzondere bijstand gemeente [plaats] 2025
Artikel 16. Relatie collectieve zorgverzekering minima en bijzondere bijstand
1. Een aanvraag bijzondere bijstand voor:
a. Medische kosten/behandelingen en/of
b. De door het Centraal Administratiekantoor (CAK) opgelegde eigen bijdrage op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) of Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), wordt geweigerd omdat de Zvw, WIZ en Wmo als zogenaamde passende en toereikende voorliggende voorzieningen worden aangemerkt;
2. In afwijking van het bepaalde in lid 1 wordt, in het kader van buiten wettelijk begunstigend beleid, bijzondere bijstand verstrekt voor de noodzakelijke bijzondere medische kosten als:
a. de belanghebbende deelneemt aan de collectieve zorgverzekering voor minima en naar het oordeel van het Werkplein Hart van West-Brabant de noodzakelijke bijzondere kosten hoger zijn dan de maximale vergoeding die op basis van de collectieve zorgverzekering voor minima kan worden verstrekt tenzij in de "Bijlage kostensoorten bijzondere bijstand" is bepaald dat voor de betreffende kosten geen bijzondere bijstand wordt verstrekt. De hoogte van de dan te verstrekken bijzondere bijstand wordt vastgesteld op het verschil tussen die noodzakelijke kosten en de maximale vergoeding op grond van de daadwerkelijke collectieve zorgverzekering voor minima;
b. De aanvrager vanwege redenen die buiten zijn beïnvloedingssfeer liggen en waarvan hem redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt nog geen gebruik kan maken van de collectieve zorgverzekering voor minima. De hoogte van de te verstrekken bijzondere bijstand wordt in dit geval vastgesteld op het bedrag van de noodzakelijke bijzondere kosten met als maximumbedrag het bedrag zoals genoemd in de vergoedingsoverzichten van de collectieve zorgverzekering met de laagste premie;
Bijlage: Kostensoorten bijzondere bijstand

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 15 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:700.