Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd door de heffingsambtenaar van de gemeente Breda. De aanslag betreft parkeren op 21 augustus 2024 op het Chasséveld te Breda. Het bezwaar werd ongegrond verklaard door de heffingsambtenaar op 22 december 2024.
De rechtbank heeft het beroep op 31 maart 2026 behandeld, waarbij belanghebbende aanwezig was en de heffingsambtenaar zich had afgemeld. De rechtbank beoordeelde eerst de ontvankelijkheid van het beroep en concludeerde dat het beroepschrift te laat was ingediend, namelijk op 17 maart 2023, wat vóór de datum van de uitspraak op bezwaar ligt, wat duidt op een kennelijke fout in de datumstelling in het vonnis, maar de rechtbank stelt dat de termijn van zes weken is overschreden.
Belanghebbende heeft geen omstandigheden aangevoerd die de termijnoverschrijding verschoonbaar maken. De rechtbank overweegt ook dat de uitspraak op bezwaar tijdig is gedaan binnen het kalenderjaar 2024, conform artikel 236, tweede lid, van de Gemeentewet. Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en gaat niet in op de inhoud van het geschil. Het griffierecht wordt niet teruggegeven en proceskosten worden niet vergoed.