ECLI:NL:RBZWB:2026:3225
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen naheffingsaanslag parkeerbelasting en aanmaningskosten
Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting en de daarbij in rekening gebrachte aanmaningskosten. De aanslag betrof parkeren op 31 oktober 2024 en diende uiterlijk 12 december 2024 betaald te zijn. Na het niet tijdig betalen volgden een aanmaning en een dwangbevel. Belanghebbende betaalde op 7 januari 2025 een bedrag inclusief aanmaningskosten, maar maakte bezwaar tegen deze kosten.
De rechtbank heeft op 31 maart 2026 het beroep behandeld en beoordeelt of de naheffingsaanslag op juiste wijze is opgelegd en verzonden. De invorderingsambtenaar heeft met onder meer verzendadministraties en verklaringen van betrokken partijen aannemelijk gemaakt dat de aanslag op 7 november 2024 is verzonden via een keten van Invoned, Addcomm en PostNL.
Belanghebbende stelde dat de aanslag niet ontvangen was, maar dit was onvoldoende om de aannemelijkheid van verzending te weerleggen. De rechtbank concludeert dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd en dat de aanmaningskosten terecht zijn berekend. Het beroep wordt ongegrond verklaard en belanghebbende krijgt geen griffierecht of proceskosten vergoed.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting en aanmaningskosten wordt ongegrond verklaard.