Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3201

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
C/02/445591 / JE RK 26-355
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van de Kraats
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling van vier minderjarigen wegens conflicterend ouderschap

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om een ondertoezichtstelling van vier minderjarigen vanwege de gespannen en conflictueuze relatie tussen de ouders, die het gezamenlijk ouderschap bemoeilijkt. De minderjarigen wonen bij hun moeder en lopen risico om klem te raken tussen de ouders door de voortdurende spanningen.

Tijdens de zitting verklaarden beide ouders hun instemming met het verzoek, waarbij de moeder de noodzaak van duidelijke afspraken benadrukte en de vader zijn bereidheid tot samenwerking uitte. De gecertificeerde instelling bood hulpverlening aan om de ouders te ondersteunen bij het dragen van hun verantwoordelijkheid.

De kinderrechter oordeelde dat aan de voorwaarden voor ondertoezichtstelling is voldaan, omdat vrijwillige hulpverlening onvoldoende is gebleken en de situatie een ernstige ontwikkelingsbedreiging vormt. De ondertoezichtstelling is bedoeld om de ouders te helpen constructief samen te werken en zo de ontwikkeling van de kinderen te beschermen.

De beschikking geldt voor de duur van een jaar en is direct uitvoerbaar, ook bij hoger beroep. De minderjarigen worden zo min mogelijk belast met de maatregel, waarbij ook aandacht is voor hun emotionele behoeften en ondersteuning.

Uitkomst: Vier minderjarigen worden voor een jaar onder toezicht gesteld vanwege conflicten tussen ouders die hun ouderschap niet constructief vormgeven.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/445591 / JE RK 26-355
Datum uitspraak: 20 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
Regio Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2012 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3], geboren op [geboortedag 3] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 3] ,
[minderjarige 4], geboren op [geboortedag 4] 2018 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 4] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Brabant, locatie Etten-Leur, hierna te noemen de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 2 maart 2026;
  • de op 17 maart 2026 ontvangen brief van de moeder.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordiger van de GI (aanwezig via Teams-verbinding).
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] .
2.2.
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] wonen bij hun moeder.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
Namens de Raad is naar voren gebracht dat de minderjarigen last hebben van de manier waarop de ouders op dit moment met elkaar omgaan en waarbij het hen niet lukt om hun ouderschap vorm te geven. Een ondertoezichtstelling is nodig om strakke kaders te hebben waaraan beide ouders zich dienen te committeren, maar ook dat afspraken gemaakt worden over waarover wel en niet gecommuniceerd wordt. Indien de ouders elkaar daarin niet kunnen vinden kan de GI hierin een knoop doorhakken. Dit moet vlot getrokken worden, dat zijn de ouders aan hun kinderen verplicht. Regievoering vanuit de GI is daarin zeker van toegevoegde waarde. Het idee is om de minderjarigen zo min mogelijk last te laten hebben van de ondertoezichtstelling. De Raad handhaaft het verzoek.
4.2.
De moeder heeft ter zitting verklaard dat het belangrijk is dat er afspraken komen die duidelijkheid scheppen voor beide ouders. Dat is nu niet het geval en dat ervaart de moeder als storend. Op dit moment werkt het niet omdat de vader afspraken, die voor de moeder glashelder zijn, anders interpreteert. De minderjarigen moeten een zo goed mogelijke jeugd krijgen en zij wil niet dat zij hier nog verder last van hebben. Zij zijn hoogbegaafd en kunnen zich goed uiten. Er is daarbij ook sprake van parentificatie en dat moet stoppen. De moeder stemt in met een ondertoezichtstelling. Het is goed om de minderjarigen niet teveel last te laten hebben van de ondertoezichtstelling, maar het is wel belangrijk dat er oog blijft voor hen.
4.3.
De vader heeft ter zitting verklaard dat hij graag wil samenwerken met de moeder als ouder. Het is belangrijk om naar elkaar te luisteren, waarbij het belang van de minderjarigen voorop staat. Er is niks mis met de opvoeding van de minderjarigen, maar wel met de manier waarop de ouders met elkaar omgaan. De vader vindt het erg om in de rechtbank te zitten maar het is nodig dat er iemand mee gaat kijken.
4.4.
Namens de GI is naar voren gebracht dat het belangrijk is dat de ouders verantwoordelijkheid gaan dragen voor hun eigen gedrag en de onderlinge spanningen die dat met zich meebrengt. Daar is hulpverlening bij nodig en de GI is bereid om deze hulpverlening te bieden in het kader van de ondertoezichtstelling.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
De minderjarigen groeien op in een situatie waarin sprake is van conflicten tussen de ouders. De ouders zijn het niet met elkaar eens en het lukt hen niet (makkelijk) om tot compromissen te komen. De moeder wil afstand in het contact met vader, terwijl de vader juist met de moeder in gesprek/overleg wil. Dit frustreert de ouders en hun emoties staan hierbij op de voorgrond. De moeder geeft de voorkeur aan solo parallel ouderschap en de vader wil werken aan meer afstemming met de moeder en wil juist gezamenlijk ouderschap. Zij houden daarbij allebei vast aan hun eigen visie en dat maakt dat vrijwel ieder contact spanningsvol verloopt. Hoewel gezamenlijk ouderschap wenselijk is, lukt het de ouders niet of onvoldoende om te voldoen aan de voorwaarden die hiervoor nodig zijn. Hiervoor is constructieve samenwerking noodzakelijk waarbij zij hun eigen emoties kunnen parkeren. Van die situatie is nog geen sprake. Hierdoor lopen de minderjarigen het risico om klem te raken tussen hun ouders.
De kinderrechter wil benadrukken dat een ondertoezichtstelling nodig is voor de ouders. Zij zullen samen hun verantwoordelijkheid moeten pakken om de situatie voor hun kinderen weer beter te maken. De minderjarigen hebben geen schuld aan de ontstane situatie en het is ook belangrijk om hen zo min mogelijk te belasten met deze ondertoezichtstelling. Dit betekent natuurlijk niet dat noodzakelijke hulpverlening voor (één van) de minderjarigen niet ingezet zou kunnen worden, maar het is belangrijk dat de ontwikkelingsbedreiging bij de bron wordt aangepakt, in dit geval de ouders.
Binnen de ondertoezichtstelling dient gewerkt te worden aan de volgende doelen:
- Er is een passende vorm van ouderschap. Ouders hebben een constructieve onderlinge communicatie c.q. samenwerking en maken afspraken met elkaar in het belang van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] .
- Ouders kunnen vanuit het belang van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] denken en hun eigen belang daaraan ondergeschikt maken.
- Er ligt een ouderschapsplan.
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kunnen steun zoeken en hulp vragen (evt. bij voor hem/haar veilige personen) of zij weten waar hij/zij terecht kan voor steun/hulp.
- [minderjarige 3] en [minderjarige 4] hebben een plekje waar zij hun gevoelens kunnen uiten en de ingrijpende gebeurtenissen kunnen verwerken.
5.3.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening.
5.4.
De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] onder toezicht voor de duur van een jaar.
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 20 maart 2026 tot 20 maart 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2026 door mr. Van de Kraats, kinderrechter, in aanwezigheid van Rozendaal als griffier, en op schrift gesteld op 27 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW Pro.