Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3199

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
C/02/445201 / JE RK 26-285
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Voorn
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 BWArt. 1:247 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling van twee minderjarigen wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging en onveilige opvoedsituatie

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 20 maart 2026 besloten om twee minderjarigen, geboren in 2019, onder toezicht te stellen van Stichting Jeugdbescherming West Zeeland voor de duur van twaalf maanden. Dit volgt op een voorlopige ondertoezichtstelling van drie maanden die niet heeft geleid tot vermindering van de zorgen.

De minderjarigen groeien op in een onveilige en onstabiele opvoedomgeving met voortdurende spanningen en conflicten tussen de ouders en hun partners, inclusief fysieke en verbale agressie. De ouders zijn onvoldoende in staat om samen te werken en de ontwikkelingsbedreigingen weg te nemen. De hulpverlening in de vorm van IPT is nog niet gestart vanwege een wachtlijst.

De rechtbank acht het noodzakelijk dat de minderjarigen onder toezicht blijven om hun veiligheid en ontwikkeling te waarborgen. Er worden doelen gesteld zoals het creëren van een veilige en stabiele opvoedsituatie, het voorkomen van huiselijk geweld, en het verbeteren van de communicatie tussen ouders. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en er is mogelijkheid tot hoger beroep binnen drie maanden.

Uitkomst: De rechtbank stelt de minderjarigen onder toezicht van de gecertificeerde instelling voor twaalf maanden wegens ernstige bedreiging van hun ontwikkeling.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/445201 / JE RK 26-285
Datum uitspraak: 20 maart 2026
Beschikking ondertoezichtstelling
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, REGIO ZEELAND-WEST-BRABANT,
locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad,
betreffende
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag] 2019 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag] 2019 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat: voorheen: mr. Q. van Mossevelde te Terneuzen, onttrokken,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats 2] ,
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI).

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift van de Raad van 17 februari 2026 met bijlagen, ontvangen op 17 februari 2026;
- het op 16 maart 2026 ontvangen rapport van de Raad van 13 maart 2026;
- het op 17 maart 2026 ontvangen gewijzigde verzoekschrift van de Raad van 17 februari 2026;
- de op 18 maart 2026 ontvangen aanvullende informatie van de vader.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een vertegenwoordiger van de GI.

2.De feiten

2.1.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn gedurende het geregistreerd partnerschap van de ouders geboren.
2.2.
Bij beschikking van deze rechtbank van [datum] 2024 is het geregistreerd partnerschap van de ouders ontbonden.
2.3.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.4.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de moeder.
2.5.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 24 december 2025 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van drie maanden, met ingang van 24 december 2025 en tot 24 maart 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt, na wijziging, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen van de GI voor de duur van twaalf maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De Raad handhaaft het verzoek. De minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden ernstig in hun cognitieve, sociaal-emotionele, gedragsmatige en hechtingsontwikkeling bedreigd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] groeien al lange tijd op in een onvoorspelbare opvoedomgeving waarin zij worden blootgesteld aan onveiligheid en onstabiliteit. Zo zijn er voortdurend spanningen en conflicten tussen de ouders (en diens partners), waarbij sprake is van fysieke en verbale agressie. Enige tijd geleden is er een groot conflict geweest tussen de vader en de stiefvader, waarna de minderjarigen hun vader met verwondingen hebben gezien. Ook hebben de minderjarigen al meermaals plotseling een periode geen contact gehad met hun moeder. Dit alles maakt dat er veel zorgen zijn over de veiligheid van de minderjarigen, of zij voldoende kunnen toekomen aan hun eigen ontwikkelingstaken en of de ouders voldoende in hun ontwikkelingsbehoeften kunnen voorzien. Het is de afgelopen periode nog niet gelukt om daar zicht op te krijgen, omdat de hulpverlening in de vorm van IPT nog niet is opgestart vanwege de lange wachtlijst. Nu het de ouders daarnaast op dit moment niet lukt om (zonder tussenkomst van de GI) met elkaar te communiceren en samen te werken, zijn zij thans onvoldoende in staat om de ontwikkelingsbedreigingen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op eigen kracht weg te nemen. Daarom verzoekt de Raad [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Deze termijn is passend gezien de forse zorgen binnen de opvoedsituaties en vanwege de vele doelen waar aan gewerkt moet worden. De komende tijd zullen er in ieder geval ook veiligheidsafspraken moeten worden gemaakt. Daarnaast adviseert de Raad de GI om een methodisch kindinterview (NICHD) in te zetten om meer zicht te krijgen op wat er de afgelopen tijd precies is gebeurd en welke impact dit heeft op de minderjarigen. Het is tot slot goed om een kindbehartiger aan te stellen voor de minderjarigen.
4.2.
De vader stemt in met het verzoek van de Raad. Hij maakt zich nog steeds veel zorgen over de opvoedsituatie van de moeder en dan met name over de verzorging van de minderjarigen door de moeder en de aanwezigheid van de stiefvader bij de minderjarigen in de thuissituatie van de moeder. Inmiddels verblijven de minderjarigen om de week een week bij hun beide ouders. Deze zorgregeling biedt de minderjarigen rust en stabiliteit en moet daarom worden voortgezet. Tegelijkertijd vindt de vader het lastig dat de GI de thuissituatie van de moeder enkel op basis van het driehuizenmodel voldoende veilig heeft bevonden. Er is geen politiecheck uitgevoerd. Ook merkt de vader dat de minderjarigen veel spanningen ervaren door de huidige situatie waarin de ouders lijnrecht tegenover elkaar staan, met name tijdens de wisselmomenten. Hij wil graag dat daar hulpverlening voor wordt ingezet. Verder gaat het volgens de vader goed met de minderjarigen; zij doen het goed op school, gaan naar zwemles en hebben veel hobby’s en vriendinnetjes.
4.3.
De moeder stemt ook in met het verzoek van de Raad. Zij is blij dat zij de minderjarigen weer thuis kan ontvangen, en dat gaat volgens de moeder ook goed. Na de wisselmomenten vertonen de minderjarigen wel wat opstandig gedrag, maar dit verbetert na verloop van tijd. Verder gaat het inderdaad goed met de minderjarigen. Zij doen het goed op school en hebben veel hobby’s en vriendinnetjes. De moeder staat tot slot open voor de hulpverlening voor de minderjarigen en ook voor de ouderschapsbemiddeling, die in april van start zal gaan.
4.4.
De GI staat achter het verzoek van de Raad. Er is de afgelopen tijd redelijk wat ingezet om zicht te krijgen op de opvoedsituaties van de minderjarigen, en dan met name op de thuissituatie van de moeder. Zo hebben er gesprekken plaatsgevonden met de ouders en de minderjarigen en zijn er huisbezoeken afgelegd. Op basis daarvan is de thuissituatie van de moeder veilig genoeg geacht. De inzet van IPT is nodig om meer zicht te krijgen op de opvoedsituaties. Dit zal nu op korte termijn van start kunnen gaan. Verder benoemt de GI dat de communicatie tussen de ouders, met tussenkomst van de GI, op dit moment redelijk verloopt. De GI heeft tot slot geen signalen gezien bij de minderjarigen of ontvangen van school waaruit blijkt dat zij veel spanningen of stress ervaren in de huidige situatie of afwijkend gedrag vertonen. Het is gezien de situatie wel vrij logisch dat zij in een loyaliteitsconflict verkeren. Dit zal aan de hand van IPT en de inzet van een kindbehartiger nader worden onderzocht. Daarna zou er alsnog een systematisch kindinterview (NICHD) kunnen worden ingezet. De GI kiest nu eerst voor de inzet van IPT.

5.De beoordeling

Het juridisch kader
5.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
De inhoudelijke beoordeling
5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de bovengenoemde voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. Daarom zal de kinderrechter het verzoek van de Raad toewijzen en de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht stellen van de GI voor de verzochte duur van twaalf maanden, met ingang van 20 maart 2026 en tot 20 maart 2027. De kinderrechter legt hieronder uit waarom zij deze beslissing neemt.
5.3.
Uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting is het de kinderrechter gebleken dat de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. De minderjarigen hebben al veel meegemaakt in hun jonge leven. Zij groeien al lange tijd op in een onstabiele opvoedomgeving waarin sprake is van spanningen, onvoorspelbaarheid en onveiligheid. De ouders wantrouwen elkaar, hebben tegengestelde visies en komen geregeld met elkaar (en/of elkaars partners) in conflict, waarbij er zowel verbaal als fysieke agressie plaatsvindt. Het lukt de ouders dan ook niet om constructief met elkaar te communiceren, samen te werken en afspraken te maken over de minderjarigen. De minderjarigen worden daar voortdurend mee belast. Daardoor zijn er veel zorgen over mogelijke loyaliteitsproblematiek bij beide minderjarigen. Er zijn daarnaast zorgen over de basale verzorging van de minderjarigen en de mate waarin de ouders in de opvoedbehoeften van de minderjarigen kunnen voorzien.
5.4.
Ondanks de betrokkenheid van de GI in het kader van de voorlopige ondertoezichtstelling gedurende de afgelopen periode, is het de ouders nog niet gelukt om de bovengenoemde zorgen te verminderen of weg te nemen. De ouders zijn hiertoe weliswaar bereid, maar vanwege hun moeizame verstandhouding, communicatie en samenwerking op dit moment niet voldoende in staat. Daarbij komt dat de hulpverlening in de vorm van IPT nog niet is opgestart, waardoor er thans nog weinig zicht is gekomen op de zorgen in de beide opvoedsituaties. De kinderrechter is dan ook met de Raad van oordeel dat er voorlopig nog regievoering in het gedwongen kader nodig is.
5.5.
De kinderrechter zal gelet op al het voorgaande [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht stellen van de GI voor de verzochte duur van een jaar. Deze termijn acht de kinderrechter nodig en passend om voldoende verbetering in de situatie van de minderjarigen te kunnen bewerkstelligen. Daarbij bepaalt de kinderrechter dat de komende tijd moet worden gewerkt aan de doelen zoals geformuleerd door de Raad in de raadsrapportage, te weten:
  • [minderjarige 1] en [minderjarige 2] groeien op in een veilige, stabiele, voorspelbare en duidelijke opvoedingssituatie. Ouders accepteren de rol van de (nog in te zetten) hulpverlening en zijn open over wat er speelt.
  • [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn geen getuige of slachtoffer van huiselijk geweld of conflicten of en/of de onveiligheid die dit met zich mee brengt.
  • Er is zicht op of de kinderen eventueel verdere hulpverlening nodig hebben, omdat zij meermaals getuige zijn geweest van huiselijk geweld. Een traumascreening kan overwogen worden.
  • [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben een veilig en onbelast contact met beide ouders. Ouders houden zich aan de nog vast te stellen omgangsregeling.
  • Er is toezicht op het naleven van de gemaakte afspraken door beide ouders.
  • Er komt zicht op de veiligheid van de thuissituatie bij de moeder, inclusief haar partner. Beide ouders geven inzicht in de thuissituatie door de inzet van IPT.
  • Er komt zicht op de beleving en het welzijn van beide kinderen.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.6.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland voor de duur van een jaar, met ingang van 20 maart 2026 en tot 20 maart 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2026 door mr. Voorn, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. De Haas als griffier, en op schrift gesteld op 7 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.