Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3188

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
C/02/439384 / FA RK 25-4477
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • De Beer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:251a BWArt. 1:253n BWArt. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging gezamenlijk gezag naar eenhoofdig gezag wegens langdurige afwezigheid vader

Partijen zijn gescheiden en hebben gezamenlijk gezag over twee minderjarige kinderen die bij de moeder verblijven. De moeder verzoekt om wijziging van het gezamenlijk gezag naar eenhoofdig gezag vanwege het langdurige gebrek aan betrokkenheid van de vader.

De vader is niet verschenen en heeft geen verweer gevoerd. De rechtbank heeft de minderjarige [minderjarige 1] gehoord en heeft vastgesteld dat de vader al meer dan een jaar geen contact heeft met de kinderen en geen uitvoering geeft aan zijn gezagsverplichtingen. Dit leidt tot praktische problemen bij belangrijke beslissingen over de kinderen.

De rechtbank oordeelt dat de omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat het in het belang van de kinderen is het gezag aan de moeder toe te wijzen. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard om de continuïteit in de zorg en beslissingen voor de kinderen te waarborgen.

Uitkomst: Het gezamenlijk gezag wordt gewijzigd in eenhoofdig gezag voor de moeder vanwege het langdurige gebrek aan betrokkenheid van de vader.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/439384 / FA RK 25-4477
Datum uitspraak: 20 maart 2026
Beschikking betreffende wijziging gezag
in de zaak van
[de vrouw],
hierna te noemen: de vrouw,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. R. Wouters te Middelburg,
tegen
[de man] ,
hierna te noemen: de man,
wonende te [woonplaats 2] .
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.
Als informant is in de procedure betrokken:
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI).

1.Het procesverloop

1.1
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- het op 1 september 2025 ontvangen verzoekschrift tot wijziging van het (ouderlijk) gezamenlijk gezag in eenhoofdig gezag, met bijlagen.
1.2
Het verzoek is mondeling behandeld op de zitting met gesloten deuren op 11 maart 2026, gelijktijdig met het verzoek van de GI tot het verlengen van de ondertoezichtstelling van de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (met zaaknummer C/02/444572 / JE RK 26-179). Op het verzoek van de GI is bij seperate beschikking beslist.
1.3
Bij de zitting is verschenen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad en een vertegenwoordigster van de GI.
Alhoewel correct en tijdig opgeroepen is de man niet verschenen.
1.4
Voorafgaand aan voornoemde zitting is de hierna te noemen minderjarige [minderjarige 1] gelet op zijn leeftijd in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. [minderjarige 1] heeft daar gebruik van gemaakt door een gesprek te voeren met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de rechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1
Partijen zijn gehuwd geweest. Bij beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, d.d. 17 mei 2021 is in het huwelijk van partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 25 mei 2021 is ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.
2.2
Uit het huwelijk van partijen zijn de navolgende, thans nog minderjarige kinderen geboren:
-
[minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2015;
-
[minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2018.
2.3
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen.
2.4
De minderjarigen verblijven bij de vrouw.
2.5
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 12 maart 2025 zijn de
minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming west
Zeeland voor de duur van twaalf maanden, met ingang van 12 maart 2025 en tot 12 maart
2026.

3.Het verzoek

3.1
De vrouw verzoekt, bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen:
- dat het ouderlijk gezag over de minderjarigen [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2015 en [minderjarige 2] , geboren te
[geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2018 wordt gewijzigd en te bepalen dat de vrouw voortaan het eenhoofdig gezag heeft over de minderjarigen.
3.2
De man is niet verschenen in de procedure en heeft derhalve geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de vrouw.

4.De beoordeling

4.1
De rechter kan ingevolge het bepaalde in artikel 1:253n juncto artikel 1:251a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) het gezamenlijk gezag beëindigen en bepalen dat het gezag aan één ouder toekomt, als zich een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan waardoor:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of;
b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
4.2
De rechtbank dient eerst te beoordelen of er sprake is van gewijzigde omstandigheden. Het is de rechtbank gebleken dat er al lange tijd vrijwel geen communicatie meer plaatsvindt tussen partijen en dat de minderjarigen de man inmiddels al meer dan een jaar niet meer hebben gezien of gesproken. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat de omstandigheden ten opzichte van de situatie zoals die was ten tijde van het uiteengaan van partijen dermate zijn gewijzigd dat de vrouw kan worden ontvangen in haar verzoek.
4.3
De rechtbank overweegt voorts dat het uitgangspunt van de wet is dat ouders gezamenlijk zijn belast met het gezag over hun minderjarige kinderen. Gezamenlijke uitoefening van het gezag vereist evenwel dat de ouders het mogelijk maken dat beslissingen over de verzorging en opvoeding van de kinderen tot stand komen op een wijze die niet belastend is voor de kinderen en hun veiligheid niet in gevaar brengt.
4.4
Op basis van de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting is de rechtbank van oordeel dat er geen goede basis meer aanwezig is voor de uitoefening van gezamenlijk gezag. De vrouw heeft tijdens de zitting toegelicht dat de man ongeveer een jaar geleden tijdens het onderzoek van de Raad heeft aangegeven dat hij geen betrokkenheid meer wenst bij de minderjarigen en dat hij zijn verantwoordelijkheid voor de minderjarigen niet langer wil nemen. Volgens de vrouw is de man hier sindsdien niet meer op teruggekomen. Zo hebben de minderjarigen de man inmiddels al ruim een jaar niet meer gezien of gesproken, tot groot verdriet van de minderjarigen, en toont de man al lange tijd geen enkele betrokkenheid meer bij hen. Ook tussen partijen is er al lange tijd geen contact meer geweest. De vrouw zou dit wel willen, voor de minderjarigen. Daarnaast heeft de man tot op heden elk contact met de jeugdbeschermer van de GI geweigerd, aldus de vrouw. Dit is tijdens de zitting door de GI bevestigd. De rechtbank stelt gelet op al het voorgaande vast dat de man de afgelopen periode geen uitvoering heeft gegeven aan de feitelijke verzorging en opvoeding van de minderjarigen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man hiermee laten zien dat hij geen invulling wil of kan geven aan het ouderlijk gezag. Om dat op een goede manier te doen is het immers nodig dat een ouder belangstelling heeft voor zijn kinderen, bekend is met hun ontwikkeling en weet wat er bij hen speelt en in hen omgaat.
4.5
De rechtbank overweegt verder dat een vereiste voor gezamenlijk gezag is dat de ouders beslissingen van enig belang over hun kinderen in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans ten minste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond de kinderen kunnen voordoen. Gebleken is dat partijen hiertoe niet in staat zijn nu er al lange tijd geen contact meer plaatsvindt tussen partijen. De man lijkt hier niet voor open te staan en lijkt ook het contact met de jeugdbeschermer van de GI te weigeren. De rechtbank acht het dan ook onwaarschijnlijk dat er binnen afzienbare termijn voldoende verbetering zal kunnen plaatsvinden in de communicatie tussen partijen om uitvoering te geven aan het gezamenlijk gezag. Daarbij komt dat het gebrek aan contact tussen de man en de vrouw over de minderjarigen in de praktijk al tot feitelijke problemen in de uitoefening van het gezag heeft geleid. De vrouw heeft toegelicht dat onder andere een onderzoek naar dyslexie voor de minderjarigen niet van start kon gaan, omdat de man daar geen toestemming voor gaf en daarover niet in gesprek wilde gaan met de hulpverlening. Ook is de identiteitskaart van [minderjarige 2] al lange tijd geleden verlopen, terwijl de vrouw vanwege de uitblijvende toestemming en medewerking van de man nog geen nieuwe identiteitsikaart heeft kunnen aanvragen. Gelet hierop valt naar het oordeel van de rechtbank te verwachten dat er de komende tijd bij de instandhouding van het gezamenlijk gezag nog meer belangrijke en mogelijk acute beslissingen over de minderjarigen niet kunnen worden genomen doordat daarvoor een handtekening van de man is vereist. De rechtbank denkt hierbij aan medische beslissingen, inschrijvingen bij een school of uitstapjes naar het buitenland. Dit acht de rechtbank niet in het belang van de minderjarigen.
4.6
De rechtbank is gelet op al het voorgaande en in lijn met het advies van de Raad van oordeel dat het conform het bepaalde in artikel 1:251a, eerste lid, sub b BW in het belang van de minderjarigen noodzakelijk is dat het gezag over de minderjarigen wordt gewijzigd, in die zin dat de vrouw voortaan het gezag over de minderjarigen alleen uitoefent. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw om haar alleen met het gezag te belasten dan ook toewijzen. Daarmee sluit de juridische situatie aan bij de feitelijke situatie en kan de vrouw in het belang van de kinderen handelen.
Uitvoerbaar bij voorraad
4.7
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarigen noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1
bepaalt dat het gezag over de minderjarigen:
- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2015;
- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2018,
voortaan aan de vrouw alleen toekomt;
5.2
verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. De Beer, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2026 in tegenwoordigheid van mr. De Haas, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.