Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3183

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
19 april 2026
Zaaknummer
C/02/443201 FA RK 25-6555
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • Baggel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 223 RvArt. 7 lid 1 Brussel II bis VerordeningArt. 15 lid 1 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening toewijzing hoofdverblijf en zorgregeling minderjarige

Partijen zijn de ouders van een minderjarige geboren in 2022, gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag. De vader verzoekt om voorlopige toewijzing van het hoofdverblijf en een zorgregeling, mede vanwege zorgen over de moeder en het belang van de Nederlandse taalontwikkeling van het kind.

De moeder betwist de toewijzing aan de vader, wijst op het ontbreken van onbewaakt contact tussen vader en kind, de woonomstandigheden van de vader en het verleden van huiselijk geweld. De Raad voor de Kinderbescherming adviseert afwijzing en stelt een hulpverleningstraject voor met begeleide omgang.

De rechtbank oordeelt dat het niet in het belang van het kind is om het hoofdverblijf aan de vader toe te wijzen, mede vanwege onduidelijkheid over de hechtingsrelatie en de woonomstandigheden van de vader. Contact tussen vader en kind kan alleen veilig plaatsvinden onder begeleiding. De rechtbank verwijst partijen naar een (jeugd)hulpverleningstraject en wijst het verzoek van de vader af.

De Raad wordt verzocht een onderzoek te verrichten indien het hulpverleningstraject niet positief verloopt, met rapportage in de bodemprocedure. Partijen zijn geïnformeerd over privacy en hebben ingestemd met de doorverwijzing. De moeder zal maandelijks via advocaten informeren over het welzijn van het kind.

Uitkomst: Het verzoek tot voorlopige toewijzing van het hoofdverblijf en zorgregeling aan de vader wordt afgewezen en partijen worden verwezen naar een (jeugd)hulpverleningstraject met begeleide omgang.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/443201 FA RK 25-6555
datum uitspraak: 19 maart 2026
beschikking betreffende provisionele voorziening ex artikel 223 Rv Pro
in de zaak van
[de man],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen de man,
advocaat mr. I.W.A.J. van Pelt,
en
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. N.A. Boelhouwer.
1 Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 18 december 2025 ontvangen verzoekschrift, met bijlagen;
- het op 3 maart 2026 ontvangen verweerschrift, met bijlagen;
- de F9-formulieren van mr. Van Pelt van 29 december 2025, 14 januari 2026, 20 januari 2025, 4 februari 2026 en 2 maart 2026 (allen met bijlage);
- de brief van mr. Boelhouwer van 11 januari 2026;
- de brief van mr. Van Pelt van 14 januari 2026.
1.2 Bij voormeld verzoekschrift is (ook) de hoofdzaak aanhangig gemaakt, welke procedure bij de rechtbank geregistreerd staat onder kenmerk C/02/443199 FA RK 25-6553. In de hoofdzaak ligt een verzoek met betrekking tot het hoofdverblijf en de zorgregeling ter beoordeling voor.
1.3 De zaak is behandeld op de zitting van 5 maart 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad, om de rechtbank over de verzoeken betreffende de minderjarige te adviseren.

2.De feiten

2.1
Blijkens de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:
- partijen hebben een relatie met elkaar gehad tot juni 2024;
- uit hun relatie is het volgende nu nog minderjarige kind geboren: [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2022 (hierna te noemen: [minderjarige]);
-[minderjarige] is door de man erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].

3.Het verzoek

3.1
De man verzoekt bij wege van voorlopige voorziening ex artikel 223 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), in afwachting van de beslissing in de hoofdzaak:
- toevertrouwing van [minderjarige] aan de man;
- vaststelling van een regeling inzake de verdeling van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] (hierna: de zorgregeling), inhoudende dat:
- [minderjarige] eens per veertien dagen gedurende één weekend bij de vrouw verblijft;
- een verdeling van de vakanties en feestdagen bij helfte;
- dan wel een zorgregeling die de rechtbank juist acht;
-
voorwaardelijk:te bepalen dat een raadsonderzoek zal worden gelast teneinde de draagkracht en geschiktheid van de vrouw te onderzoeken, alsook welke zorgregeling in het beste belang is van [minderjarige].

4.De beoordeling

Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht
4.1
Vanwege de Indonesische nationaliteit van de vrouw heeft deze zaak internationaal privaatrechtelijke aspecten. De rechtbank zal die ambtshalve beoordelen.
4.2
Aangezien de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om te beslissen op de voorliggende verzoeken (artikel 7 lid 1 BrusselII Pro
terVerordening). De rechtbank zal hierbij Nederlands recht toepassen (artikel 15 lid 1 Haags Pro Kinderbeschermingsverdrag 1996).
Ontvankelijkheid
4.3
Ingevolge artikel 223 lid 1 Rv Pro kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat de vordering moet samenhangen met de hoofdvordering.
4.4
Naar het oordeel van de rechtbank hangt het onderhavige verzoek samen met het verzoek in de hoofdzaak, zodat de man kan worden ontvangen in zijn verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
Toevertrouwing van de minderjarige, de zorgregeling en het Uniform Hulp Aanbod (UHA)
4.5
De man legt het volgende aan zijn verzoeken ten grondslag. Hij heeft zorgen over [minderjarige] en haar ontwikkeling. De vrouw plaatst op Facebook namelijk zorgelijke uitlatingen waarin zij de man zwart maakt en haar wensen uitspreekt om met [minderjarige] terug te keren naar Indonesië. Daarnaast spreekt de vrouw slecht Nederlands en acht de man het in het belang van [minderjarige] dat zij de Nederlandse taal voldoende onder de knie krijgt voordat zij over een jaar naar de basisschool zal gaan. De man heeft er belang bij dat spoedig de voorlopige voorzieningen worden getroffen, aangezien er al enkele weken geen contact plaatsvindt tussen hem en [minderjarige]. Hij vindt het belangrijk dat [minderjarige] een goed contact heeft met de vrouw. Wel moet er rust en regelmaat komen. Ter zitting heeft de man, gelet op het verweer van de vrouw, aangegeven dat er weliswaar sprake was van fysiek geweld tijdens hun relatie, maar dat dit kwam door de onderliggende dynamiek tussen hen en dat dit niet eenzijdig vanuit hem was. Ook heeft hij aangegeven dat hij nu op een kamer woont waar geen kinderen mogen verblijven, maar bezig is met het zoeken naar een andere woonplek.
4.6
De vrouw voert aan dat het niet in het belang van [minderjarige] is dat zij wordt toevertrouwd aan de man. De man is nooit een dag alleen met [minderjarige] geweest. Bij de contactmomenten is de vrouw namelijk altijd aanwezig. Verder woont de man in een kamer waar geen kinderen mogen wonen en heeft hij aan de vrouw laten weten dat daar messen en wapens liggen. Inmiddels heeft de man sinds 2 december 2025 geen contact meer met [minderjarige]. De vrouw heeft ervaren hoeveel rust dit haar en [minderjarige] heeft gegeven. Tijdens de relatie van partijen is sprake geweest van fysiek geweld vanuit de man richting de vrouw. Na het einde van de relatie heeft de vrouw ook een periode in de vrouwenopvang verbleven met [minderjarige]. De man handelt vanuit controle en manipulatie. De vrouw heeft ook begeleiding vanuit Filomena om zich weerbaarder te maken tegen de man. Zij betwist verder dat zij geen Nederlands spreekt. De vrouw realiseert zich dat het voor [minderjarige] fijn zou zijn als zij vrij en onbelast contact zou kunnen hebben met de man. Daarvoor is het wel nodig dat eerste begeleide omgang wordt opgestart om te zien of de man in staat is om zelf de zorg voor [minderjarige] te dragen.
4.7
De Raad heeft op de zitting geadviseerd de verzoeken van de man af te wijzen. Hij geeft daarbij aan dat het lastig in te schatten is hoe de hechtingsrelatie tussen de man en [minderjarige] is. De vrouw is namelijk altijd de hoofdopvoeder geweest van [minderjarige] en de contacten tussen de man en [minderjarige] zijn een aantal keer onderbroken geweest en nooit zonder begeleiding van de vrouw. [minderjarige] heeft waarschijnlijk ook veel meegemaakt van het huiselijk geweld en de spanning tussen partijen. Er moet volgens de Raad voor partijen een hulpverleningstraject worden ingezet. Daarin moet worden bekeken hoe de contacten tussen de man en [minderjarige] kunnen worden opgebouwd. Ook moet worden bekeken of de MASIC kan worden afgenomen bij partijen, zodat zicht komt op de aard en ernst van het huiselijk geweld tijdens de relatie; was er sprake van dwingende controle of kwam dit voort uit de dynamiek tussen partijen. Daaruit volgt ook of er mogelijkheden zijn om in de toekomst samen te werken, want partijen hebben allebei het gezag en moeten het ouderschap samen vorm geven.
4.8
Uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting is besproken, is gebleken dat de vrouw de hoofdverzorgende ouder is van [minderjarige]. De contacten tussen de man en [minderjarige] hebben altijd enkel in haar aanwezigheid plaatsgevonden. Inmiddels is er sinds 2 december 2025 geen contact meer tussen [minderjarige] en de man. De rechtbank acht het reeds gelet op het voorgaande niet in het belang van [minderjarige] dat zij nu wordt toevertrouwd aan de man. Zoals de Raad ook heeft aangegeven is onduidelijk hoe de hechtingsrelatie tussen de man en [minderjarige] is en is het te ingrijpend en niet in haar belang om nu plots niet meer bij haar moeder te wonen. Daar komt bij dat de man op een kamer woont waar geen kinderen mogen verblijven. Hoewel hij aangeeft bezig te zijn met het zoeken naar een andere woonplek, is voor de rechtbank onduidelijk gebleven op welke termijn hij over geschikte woonruimte kan beschikken. Het voorgaande brengt reeds met zich mee dat het verzoek van de man tot toevertrouwing van [minderjarige] aan hem zal worden afgewezen. Daarmee wordt ook het verzoek tot vaststelling van een zorgregeling tussen [minderjarige] en de vrouw afgewezen.
4.9
Weliswaar acht de rechtbank het in het belang van [minderjarige] dat zij contact heeft met haar vader, maar op dit moment kunnen die contacten niet worden vormgegeven op een wijze die in haar belang is. Uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting is besproken is namelijk gebleken dat, hoewel partijen daar allebei een andere lezing van geven, tijdens hun relatie sprake was van spanningen en huiselijk geweld. [minderjarige] is daar getuige van geweest. Gelet daarop en nu, zoals hiervoor reeds is overwogen, [minderjarige] en de man nooit contact hebben gehad zonder aanwezigheid van de vrouw, kan een veilig contactherstel enkel plaatsvinden onder begeleiding van een derde en met voldoende waarborgen. Ter zitting is onderzocht of er binnen het netwerk van partijen mogelijkheden zijn om de contacten te begeleiden, maar dat is niet het geval gebleken. De rechtbank acht het, net als de Raad, daarom nodig dat voor partijen en [minderjarige] een passend (jeugd)hulpverleningstraject bij een zorgaanbieder wordt ingezet. In dat traject moet worden ingezet op begeleide omgang tussen de man en [minderjarige]. Het is aan de jeugdhulpverlener om te beoordelen wat daarin wat betreft frequentie mogelijk is. Daarbij kan, in verband met het gestelde omtrent partnergeweld, de MASIC aan de orde komen. De uitkomsten daarvan kunnen worden betrokken bij de vraag of en hoe aan de oudercommunicatie tussen partijen kan worden gewerkt en kunnen worden meegenomen bij het traject begeleide omgang. Partijen hebben tijdens de zitting ermee ingestemd dat de rechtbank hen en [minderjarige] voor (jeugd)hulpverlening verwijst naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Midden-Brabant. De verwijzing heeft op 11 maart 2026 plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Deze beschikking geldt als bevestiging dat ouders met de doorverwijzing en de voorwaarden daarvan hebben ingestemd.
4.1
Met de inzet van het (jeugd)hulptraject gaan partijen, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten:
- de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind;
- het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund.
4.11
Gebleken is dat partijen daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de rechter na overleg met partijen besloten dat zij samen met een zorgaanbieder ook gaan werken aan het behalen van de volgende resultaten:
- de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het kind;
- het kind en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar;
- er is inzicht in de mogelijkheden/belemmeringen van beide ouders en de hulp die nodig is om een stabiele opvoedsituatie voor het kind te realiseren (binnen de scheidingssituatie).
De resultaten zijn ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is aan deze beschikking
gehecht (bijlage 1).
Ten aanzien van het verdere verloop van het traject overweegt de rechtbank als volgt.
4.12
Na afloop van het (jeugd)hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/toegang op te maken rapport gevoegd. Tussen partijen is een bodemprocedure aanhangig, bij deze rechtbank bekend onder zaaknummer C/02/443199 FA RK 25-6553. Voor het doorlopen van een hulpverleningstraject wordt standaard een termijn van 6 maanden aangehouden. Gelet hierop verzoekt de rechtbank het loket om de volledige
UHA-rapportage
op na te noemen pro forma datum, of zoveel eerder als mogelijk is, in de hiervoor genoemde
bodemprocedurein te brengen. Op verzoek van het loket en/of de gemeente/toegang kan de rechtbank deze termijn verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Als de verlenging wordt toegestaan dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door.
4.13
Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank partijen (en hun advocaten) in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een zitting in de bodemprocedure nog nodig is. De advocaten maken in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de in die procedure gedane verzoeken met betrekking tot [minderjarige].
4.14
Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de rechtbank het loket de volledige UHA-rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten.
4.15
Wanneer de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA-rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank partijen (en hun advocaten) in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten.
4.16
Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de Raad dit onderzoek te verrichten en daarover in de in de bodemprocedure bekend onder zaaknummer C/02/443199 FA RK 25-6553 een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vragen:
- Welke hoofdverblijfplaats komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarige?
- Welke zorgregeling door de ouders komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarige?
- Zijn er contra-indicaties voor omgang en zo ja, welke?
- In hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen; hoe, onder welke voorwaarden en op welke termijn?
- Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vraag aan de orde gesteld en zijn wel van belang om te vermelden?
4.17
Deze beschikking is een verzoek aan de Raad om dit onderzoek te verrichten, indien het traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
4.18
Na een onderzoek of interventie van de raad stelt de rechtbank partijen (en hun advocaten) in de gelegenheid om binnen een termijn van 14 dagen op de rapportage van de raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop.
4.19
De ouders zijn tijdens de zitting geïnformeerd over de privacy aspecten van de doorverwijzing (bijlage 2). Zij hebben met het delen van de privacy gegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt ingestemd.
4.2
Tot slot heeft de vrouw op de zitting toegezegd iedere maand, via de advocaten van partijen, een bericht te sturen naar de man over hoe het met [minderjarige] gaat.
Raadsonderzoek
4.21
Gelet op de doorverwijzing van partijen naar een hulpverleningstraject en het voorwaardelijke verzoek aan de Raad de rechtbank te adviseren, zal de rechtbank het verzoek van de man nu een raadsonderzoek te gelasten afwijzen.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1
verwijst partijen en hun minderjarige kind [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2022, voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Midden-Brabant. Het loket zal partijen en kind vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van de minderjarige verwijzen naar de zorgaanbieder;
5.2
verzoekt het loket om uiterlijk op
22 september 2026 pro forma, of zoveel eerder als mogelijk is, in de
bodemprocedurebekend onder zaaknummer C/02/443199 FA RK 25-6553 de rapportage over het verloop en het resultaat van het (jeugd)hulpverleningstraject ter griffie in te dienen;
5.3
verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA-rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad;
5.4
verzoekt de Raad binnen veertien dagen na ontvangst van de UHA-rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;
5.5
verzoekt de Raad, regio Zeeland-West-Brabant, locatie Breda wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de raad daartoe zelf aanleiding ziet, ten behoeve van de bodemprocedure bekend onder zaaknummer C/02/443199 FA RK 25-6553 onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in rechtsoverweging 4.16. opgenomen vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;
5.6
verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift van dit rapport en advies aan de advocaten van partijen.
5.7
wijst de verzoeken van de man af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Baggel, en, in tegenwoordigheid van mr. Reijerse, griffier, in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.