ECLI:NL:RBZWB:2026:3176

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
19 april 2026
Zaaknummer
C/02/445668 / JE RK 26-364
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Zuijdweg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265g lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling omgangsregeling met regie voor gecertificeerde instelling in belang minderjarige

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) om een omgangsregeling vast te stellen tussen een minderjarige en haar vader, waarbij de GI de regie krijgt over de vorm, begeleiding, frequentie en duur van het contact. De minderjarige is onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst, met verlengde machtigingen voor gesloten jeugdhulp.

Tijdens de zitting, waarbij de vader niet verscheen, is de mening van de minderjarige gehoord. Zij gaf aan dat het contact met haar vader momenteel moeizaam verloopt en dat zij vooral gericht is op terugkeer naar haar moeder. De GI benadrukte dat het contact langzaam is opgebouwd maar recentelijk moeizaam verloopt door het afzeggen van afspraken door de vader en zorgen over zijn grenzen stellen.

De kinderrechter oordeelt dat het in het belang van de minderjarige is dat de GI onderzoekt wat een passende omgangsregeling is en de regie houdt over het contact, mede omdat er geen contact is tussen de ouders en het niet wenselijk is dat zij hierover afspraken maken. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: De kinderrechter stelt een omgangsregeling vast waarbij de gecertificeerde instelling de regie krijgt over het contact tussen minderjarige en vader.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/445668 / JE RK 26-364
Datum uitspraak: 19 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over de vaststelling van de omgangsregeling
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Middelburg,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2011 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats 1] .
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats 2] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 27 februari 2026.
1.2.
Op 19 maart 2026 heeft de kinderrechter deze zaak, gelet op de onderlinge samenhang, gezamenlijk met het resterende deel van de verzoeken van de GI in de zaken met kenmerk C/02/445728 / JE RK 26-377 en C/02/445730 / JE RK 26-379, tijdens de zitting met gesloten deuren behandeld. In die zaken is afzonderlijk beslist.
1.3.
Verschenen en gehoord zijn:
  • [minderjarige] ;
  • de moeder;
- een vertegenwoordigster van de GI
– via een digitale verbinding.
1.4.
Hoewel behoorlijk opgeroepen, is de vader niet verschenen.
1.5.
De kinderrechter heeft [minderjarige] voorafgaand aan de zitting naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
[minderjarige] is erkend door de vader.
2.2.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.3.
Bij beschikking van 4 juli 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 4 juli 2024 en tot 4 juli 2025. De ondertoezichtstelling is bij beschikking van 25 juni 2025 verlengd voor de periode van 4 juli 2025 tot 4 juli 2026.
2.4.
Bij beschikking van 4 juli 2024 is tevens een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 4 juli 2024 en tot 4 januari 2025.
2.5.
Bij beschikking van 23 december 2024 is een spoedmachtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verleend voor de duur van twee weken, te weten met ingang van 23 december 2024 en tot 6 januari 2025.
2.6.
Bij beschikking van 3 januari 2025 is een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verleend met ingang van 3 januari 2025 tot 3 maart 2025.
2.7.
Bij beschikking van 28 februari 2025 is een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verleend met ingang van 3 maart 2025 en tot 3 april 2025.
2.8.
Bij beschikking van 2 april 2025 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 2 april 2025 en tot 4 juli 2025.
2.9.
Bij beschikking van 5 juni 2025 is een spoedmachtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verleend voor met ingang van 5 juni 2025 tot 19 juni 2025.
2.10.
Bij beschikking van 11 juni 2025 is een machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 11 juni 2025 en tot 4 juli 2025. Deze machtiging is hierna steeds opnieuw verleend, voor het laatst bij beschikking van 5 december 2025 voor de periode van 11 december 2025 tot 11 maart 2026.
2.11.
Bij beschikking van 6 maart 2026 is een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 11 maart 2026 en tot 25 maart 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt een omgangsregeling vast te stellen waarbij de regie voor een vorm van contact tussen [minderjarige] en de vader aan de GI wordt toebedeeld. De GI verzoekt de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het verzoek. Het contact tussen [minderjarige] en de vader is langzaam opgebouwd en tijdens deze opbouw was zichtbaar dat zowel de vader als [minderjarige] graag contact met elkaar wilden. In de afgelopen periode is hierin een wisseling zichtbaar bij de vader. Hij is moeizaam in contact met de GI en zegt afspraken met [minderjarige] af. De GI vindt het belangrijk dat dit contact op een betere manier gaat verlopen en wil een structurele omgangsregeling vaststellen. Daarvoor is het nodig dat onder regie van de GI kan worden onderzocht wat een passende omgangsregeling is en wat ervoor nodig is om ervoor te zorgen dat de vader zich aan de afspraken gaat houden. Daar komt bij dat er geen contact is tussen de vader en de moeder, waardoor het niet wenselijk is dat zij samen afspraken moeten maken over het contact tussen [minderjarige] en de vader.
4.2.
[minderjarige] vertelt dat het contact met haar vader op dit moment niet goed verloopt. Haar vader komt af en toe langs bij [zorginstelling] , maar zij spreekt hem niet vaak. Het is al meerdere keren voorgekomen dat de vader zegt langs te komen, maar deze afspraak vervolgens afzegt. Het maakt voor [minderjarige] geen verschil als er een duidelijke omgangsregeling wordt vastgesteld en wat haar betreft is het niet nodig dat de GI de mogelijkheden daartoe gaat onderzoeken. Haar focus ligt op dit moment vooral op een terugkeer naar de thuissituatie van de moeder.
4.3.
De moeder heeft geen mening over het voorliggende verzoek. Zij vindt het vooral van belang dat goed naar [minderjarige] haar mening hierin wordt geluisterd.

5.De beoordelingHet wettelijk kader

5.1.
Ingevolge artikel 1:265g lid 1 van het Burgerlijk Wetboek kan de kinderrechter gedurende de ondertoezichtstelling op verzoek van de GI een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang vaststellen of wijzigen indien dat in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.
De inhoudelijke beoordeling
5.2.
De kinderrechter overweegt als volgt. Uit de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken volgt dat het contact tussen [minderjarige] en de vader langzaam is opgebouwd en gedurende deze opbouw was zichtbaar dat zowel de vader als [minderjarige] graag contact met elkaar wilden. In de afgelopen periode is hierin een verandering zichtbaar bij de vader, onder meer doordat hij afspraken met [minderjarige] op het laatste moment afzegt. Ook zijn er zorgen dat de vader het soms lastig vindt om [minderjarige] te begrenzen. Met de GI vindt de kinderrechter het belangrijk dat het contact tussen de vader en [minderjarige] op een betere manier gaat verlopen en dat er duidelijkheid komt over de omgangsregeling. Daarvoor moet in de komende periode worden onderzocht wat een passende omgangsregeling is tussen de vader en [minderjarige] . Het is daarbij van belang dat er zicht komt op wat er nodig is om het contact op een voor [minderjarige] veilige en voorspelbare manier vorm te geven. Daarvoor moet de GI onderzoeken welk type contact passend is, welke frequentie verantwoord is, welke ondersteuning de vader nodig heeft en hoe de omgang op lange termijn kan worden geborgd. De kinderrechter vindt het daarbij positief dat de vader openstaat voor hulpverlening en erkent dat hij ondersteuning nodig kan hebben om op een juiste manier bij [minderjarige] aan te sluiten. Voorts neemt de kinderrechter in overweging dat op dit moment wordt toegewerkt naar een thuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder en gelet op de omstandigheid dat er geen contact is tussen de vader en de moeder, is het wenselijk dat de regie over de omgangsregeling tussen [minderjarige] en de vader bij de GI wordt belegd. Op die manier wordt immers voorkomen dat de vader en de moeder hierover in onderling overleg afspraken moeten maken. Dit wordt namelijk niet wenselijk geacht door beide ouders.
5.3.
Gelet op het voorgaande vindt de kinderrechter het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat er een omgangsregeling met de vader wordt vastgesteld. Daarom zal de kinderrechter het verzoek van de GI toewijzen en bepalen dat in de komende periode onder regie van de GI moet worden onderzocht wat een passende vorm van contact is tussen [minderjarige] en de vader en de GI de regie heeft over de aard, de begeleiding, de frequentie en de duur van de contacten. Hoewel door de GI is gesteld dat er op dit moment een omgangsregeling kan gelden tussen [minderjarige] en de vader van één fysiek contactmoment per maand en dit naar het oordeel van de kinderrechter ook het uitgangspunt behoort te zijn, zal de kinderrechter dit niet als minimale omgangsregeling vaststellen omdat de vader op dit moment wisselend in contact is en niet ter zitting is verschenen waardoor deze minimale omgangsregeling niet met hem kon worden besproken.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
bepaalt dat [minderjarige] omgang heeft met de vader, waarbij door de GI moet worden onderzocht wat een passende vorm van contact is tussen [minderjarige] en de vader en de GI de regie heeft over de aard, de begeleiding, de frequentie en de duur van de contacten;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2026 door mr. Zuijdweg, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van der Meer als griffier, en op schrift gesteld op 3 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.