De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, die sinds 2024 onder toezicht staat en in een gezinshuis verblijft.
De kinderrechter constateert dat de minderjarige nog steeds ernstige bedreigingen in zijn ontwikkeling ondervindt, mede door hechtingsproblematiek en wisselende ouderlijke betrokkenheid. De moeder breidt het contact uit, maar er zijn zorgen over haar draagkracht bij moeilijk gedrag van de minderjarige. De vader heeft geen contact en wil zijn gezag beëindigen.
De minderjarige voelt zich op zijn plek in het gezinshuis en ervaart daar stabiliteit, maar hoopt op een thuisplaatsing bij zijn moeder. De kinderrechter acht verlenging noodzakelijk om het perspectief te bepalen en de belangen van de minderjarige te waarborgen.
De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak of betekening.