Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3173

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
19 april 2026
Zaaknummer
C/02/445381 / JE RK 26-317
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Maandag
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 BWArt. 1:247 lid 2 BWArt. 1:265b lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing minderjarige na overlijden moeder

De moeder van de minderjarige is in oktober 2025 overleden, waarna de vader, die tot dan toe weinig betrokken was, verantwoordelijk werd voor de opvoeding. In december 2025 liet de vader de minderjarige en zijn zus bijna twee weken aan hun lot over door afwezigheid en onbereikbaarheid, wat leidde tot voorlopige voogdij en uithuisplaatsing van de minderjarige bij een woongroep.

De Raad voor de Kinderbescherming verzoekt een ondertoezichtstelling voor een jaar en een machtiging tot uithuisplaatsing voor negen maanden, vanwege ernstige zorgen over de opvoedsituatie, de emotionele steun van de vader en het ontbreken van contact met familie van moederszijde. De vader erkent fouten en staat achter de ondertoezichtstelling, maar verzet zich tegen langdurige uithuisplaatsing.

De gecertificeerde instelling onderschrijft de zorgen en benadrukt de noodzaak van begeleiding voor de vader. De kinderrechter oordeelt dat de ontwikkeling van de minderjarige ernstig wordt bedreigd en dat de ondertoezichtstelling noodzakelijk is om de regie over de hulpverlening te voeren. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt voor zes maanden verleend, met het oog op een spoedige terugkeer naar huis, mits de vader zijn opvoedcapaciteiten aantoont.

De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2026. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak of betekening.

Uitkomst: De kinderrechter wijst de ondertoezichtstelling toe voor een jaar en verleent een machtiging tot uithuisplaatsing voor zes maanden wegens ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarige.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/445381 / JE RK 26-317
Datum uitspraak: 19 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. F. Pool, te Rotterdam.
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling
Jeugdbescherming Brabant, gevestigd te Etten-Leur,
hierna te noemen de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 20 februari 2026;
  • het bericht namens de vader, met bijlagen, ontvangen op 10 maart 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met mr. M.S. Krol, waarnemend voor mr. Pool;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder is op 2 oktober 2025 overleden. De vader is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 23 december 2025 de GI belast met de voorlopige voogdij over [minderjarige] . Deze maatregel is bij beschikking van 27 januari 2026 verlengd.
2.3.
[minderjarige] verblijft sinds januari 2026 bij de [woongroep].

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van negen maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
Door de Raad is middels het verzoek en op de zitting, kort samengevat, aangevoerd dat er grote zorgen bestaan over de ontwikkeling van [minderjarige] . De moeder van [minderjarige] is in oktober 2025 overleden waardoor [minderjarige] zijn primaire bron van veiligheid en vertrouwen is verloren. De vader was tot het overlijden van de moeder namelijk niet betrokken bij de kinderen en was regelmatig weg van huis. In december 2025 zijn er ernstige zorgen over [minderjarige] ontstaan. De vader is toen bijna twee weken ‘verdwenen’ waarbij [minderjarige] en zijn [de zus] aan hun lot zijn overgelaten. De vader was onbereikbaar en onvindbaar. Doordat er niemand was die belangrijke beslissingen over [minderjarige] nam is de GI met de voorlopige voogdij over [minderjarige] belast. [minderjarige] is toen ook uit huis geplaatst, eerst binnen het netwerk en uiteindelijk bij de huidige woongroep. In die periode zijn er meer zorgen over [minderjarige] en de vader en zijn opvoedsituatie aan het licht gekomen. Zo is de woning van de vader sterk verwaarloosd, is onvoldoende inzichtelijk hoe het daadwerkelijk met [minderjarige] gaat en is de vraag of de vader voldoende in staat is om emotionele steun en betrokkenheid te bieden aan [minderjarige] (na het overlijden van de moeder). Ook zijn er zorgen over de draagkracht en beschikbaarheid van de vader doordat hij meerdere keren meerdere dagen afwezig is geweest en door het beeld dat van de vader bestaat. De vader heeft een belast verleden (hij was kindsoldaat in Liberia en heeft PTSS), en hoewel hij zelf zegt dat hij hiervan geen last meer heeft, ziet de Raad wel dat de vader met regelmaat warrig overkomt. Niet duidelijk is of dit komt door eventuele psychische problematiek of door een andere reden. De vader lijkt ook niet te overzien welke gevolgen zijn weggaan voor [minderjarige] hebben gehad, zoomt onvoldoende in op de zorgen of verklaart dat informatie niet klopt. De vader sluit onvoldoende aan bij [minderjarige] . Hier komt bij dat het zorgelijk is dat de vader geen (emotionele) toestemming geeft voor contact met familie van de moeder, dat de vader niet inzichtelijk maakt of hij financieel in de behoeften van [minderjarige] kan voorzien en dat het contact tussen [minderjarige] en [de zus] uitblijft terwijl zij elkaar willen zien. De Raad is gelet op voorgaande van mening dat [minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Ondanks de inzet van de woongroep en de GI als voorlopig voogd is er nog steeds onvoldoende zicht op het welzijn en de motieven van de vader en op zijn opvoedkundige vaardigheden. Op dit moment kan dan ook niet worden gesteld dat de vader een veilige en stabiele opvoedsituatie kan bieden aan [minderjarige] . De Raad acht ondertoezichtstelling hierom noodzakelijk. Ook uithuisplaatsing acht de Raad noodzakelijk, thuisplaatsing van [minderjarige] is op dit moment nog niet in zijn belang. De vader zal hiervoor eerst zijn pedagogische vaardigheden inzichtelijk moeten maken, hulpverlening moeten accepteren en ook het contact tussen hem en [minderjarige] zal eerst moeten worden uitgebreid. De Raad kan zich eventueel vinden in toewijzing van de machtiging tot uithuisplaatsing voor een kortere periode onder aanhouding van het resterende deel.
4.2.
Door en namens de vader is op de zitting, kort samengevat, aangevoerd dat hij zich kan vinden in het verzoek van een ondertoezichtstelling. Dit is anders ten aanzien van het verzoek om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] . De vader heeft fouten gemaakt, en dat erkent hij. Het feit dat hij in december 2025 weg was is niet goed geweest, dit kwam door een detentie in België. Deze situatie is nu voorbij en de zorgen die er nu nog zijn, zijn niet dermate dat een uithuisplaatsing nodig is. De vader ziet inmiddels in dat [minderjarige] contact met de familie van de moeder nodig heeft, de vader staat dit niet langer in de weg. Ook de vragen over de financiële situatie rechtvaardigen geen uithuisplaatsing. Hier komt bij dat het contact tussen [minderjarige] en de vader wordt opgebouwd en dat dit goed gaat. [minderjarige] gaat op dinsdag naar de vader en slaapt in het weekend een nacht bij de vader wat zal worden uitgebreid naar het hele weekend. Het is weliswaar zo dat de vader enkele malen een omgangsafspraak niet is nagekomen, maar dit betrof overmacht vanwege werk. In elke gezinssituatie komen dergelijke situaties voor, en de vader neemt hier verantwoordelijkheid voor door dit achteraf uit te leggen aan [minderjarige] . De vader beaamt dat opvoedondersteuning nodig is, hij staat ineens alleen voor de opvoeding van zijn kinderen en hij heeft hier hulp bij nodig. Door middel van ambulante spoedhulp kunnen handvatten aan de vader worden aangereikt. De vader is er nu, neemt zijn verantwoordelijkheid en werkt samen met de hulpverlening. [minderjarige] kan hierdoor veilig naar huis. Bovendien wil [minderjarige] ook heel graag naar huis, hij is niet gelukkig op de plek waar hij nu zit. Nu de zorgen enkel zijn gelegen in het kader van de ondertoezichtstelling, en geen uithuisplaatsing rechtvaardigen, is verzocht het verzoek van de Raad om een machtiging tot uithuisplaatsing af te wijzen, dan wel enkel toe te wijzen voor de duur van één maand.
4.3.
Door de GI is op de zitting, kort samengevat, aangevoerd dat de GI zich aansluit bij het standpunt van de Raad. De GI ziet een vader die samenwerkt en zich begeleidbaar opstelt. Maar ook wordt soms een vader gezien die onmachtig is, bijvoorbeeld door het afzeggen van omgangsafspraken. De vader lijkt hierbij begeleiding nodig te hebben. [minderjarige] en de vader hebben een heftige periode achter de rug, een en ander moet bij ieder nog landen en ieder heeft daarin een eigen tijdspad. Het is nu nog pril om een goed beeld neer te zetten over de zorgen op het gebied van de opvoedsituatie van de vader en of hij de behoeften van de [minderjarige] ziet en zich daarbij kan aansluiten. Hoofdzorg blijft het feit dat de vader bijna twee weken niet heeft omgekeken naar [minderjarige] , en dat niet inzichtelijk is hoe de vader daarop terugkijkt. Er wordt wel gestreefd naar zo spoedig mogelijk thuisplaatsen van [minderjarige] . Dit was de afgelopen maanden al het doel maar dit is niet gelukt door het afzeggen van omgangsafspraken. Dat de vader nu goed zijn best doet en wil meewerken is nog niet voldoende om [minderjarige] nu direct thuis te kunnen plaatsen.

5.De beoordeling

5.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de rechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
5.2.
Uit de overgelegde stukken en hetgeen op de zitting is besproken volgt dat er grote zorgen zijn over [minderjarige] . [minderjarige] is in oktober 2025 zijn moeder verloren, waardoor hij zijn bron van veiligheid en vertrouwen heeft verloren. De vader was - hoewel hij onderdeel was van het gezin - tot die tijd niet betrokken bij de opvoeding. Vervolgens heeft de vader in december 2025 [minderjarige] (en zijn zus) bijna twee weken aan hun lot overgelaten doordat hij van huis is vertrokken en hij onbereikbaar en onvindbaar was voor hen. Een voorlopige voogdij maatregel is toen uitgesproken en [minderjarige] is opgevangen binnen het netwerk. Uiteindelijk is hij bij een woongroep geplaatst. Het is zeer zorgelijk dat [minderjarige] in onwetendheid heeft geleefd over waar zijn vader was, maar ook dat [minderjarige] meerdere keren verantwoordelijkheden heeft moeten dragen die niet bij zijn leeftijd passen. Naar aanleiding van de situatie in december 2025 zijn er zorgen over de opvoedvaardigheden van de vader ontstaan. De vraag is of de vader voldoende bij [minderjarige] kan aansluiten en [minderjarige] de (emotionele) steun en betrokkenheid kan bieden die hij nodig heeft. Gebleken is dat de vader [minderjarige] onvoldoende ruimte biedt voor rouwverwerking en emoties. Ook zorgelijk is dat [minderjarige] contact met familie moederszijde werd ontzegd door de vader, hetgeen hem in de weg kan staan bij onder andere zijn rouwverwerking.
5.3.
Voorgaande maakt dat de kinderrechter van oordeel is dat [minderjarige] in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. De GI is al sinds december 2025 betrokken, maar gebleken is dat het de vader nog niet is gelukt om met behulp van de betrokkenheid van de GI en de hulpverlening binnen het vrijwillige kader, de zorgen over [minderjarige] te laten afnemen. De kinderrechter acht het dan ook noodzakelijk dat de GI betrokken blijft in het kader van een ondertoezichtstelling en dat de GI de regie gaat voeren over de noodzakelijk geachte hulpverlening. De kinderrechter verwacht wel dat de vader binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] weer zelf kan dragen. De kinderrechter zal het (onweersproken) verzoek tot ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar toewijzen.
5.4.
Gedurende de ondertoezichtstelling dient te worden gewerkt aan de volgende doelen:
- [minderjarige] groeit op binnen een veilige, stabiele en voorspelbare opvoedsituatie;
- [minderjarige] komt toe aan het verwerken van gebeurtenissen en krijgt de kans om ten rouwen om het verlies van zijn moeder;
- [minderjarige] kan toekomen aan de belangrijke ontwikkelingstaken passend bij zijn leeftijd;
- [minderjarige] heeft op een onbelaste en veilige wijze contact met zijn vader;
- [minderjarige] heeft op een onbelaste en veilige wijze contact met zijn [de zus] en met zijn (familie)netwerk;
- Vader is in staat om adequaat en passend aan te sluiten bij de behoeften van [minderjarige] .
5.5.
Voorts is de kinderrechter van oordeel dat een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding. De kinderrechter ziet dat de vader alles wil aangrijpen om ervoor te zorgen dat [minderjarige] weer thuis kan komen. Echter, gelet op de zeer zorgelijke situatie in december 2025, en de forse zorgen die hierdoor aan het licht zijn gekomen, acht de kinderrechter het op dit moment nog niet in het belang van [minderjarige] dat hij thuis bij de vader wordt geplaatst. Er dient eerst meer zicht te komen op de opvoedvaardigheden van de vader en de opvoedsituatie bij de vader thuis om te kunnen stellen dat de vader [minderjarige] een stabiele en veilige opvoedsituatie kan bieden. De kinderrechter is wel van oordeel dat de thuisplaatsing zo spoedig mogelijk gerealiseerd moet worden, en wel binnen een periode van zes maanden. Hiervoor is het van belang dat de vader de komende periode alle afspraken nakomt, laat zien dat hij er onvoorwaardelijk voor [minderjarige] zal zijn en dat het contact tussen de vader en [minderjarige] verder wordt opgebouwd. Wanneer blijkt dat dit goed gaat en thuisplaatsing van [minderjarige] eerder dan binnen zes maanden in zijn belang is, dan hoeft de resterende periode van de machtiging tot uithuisplaatsing niet te worden benut. De kinderrechter zal een machtiging tot uithuisplaatsing verlenen voor de duur van zes maanden en het overige afwijzen.
5.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 19 maart 2026 tot 19 maart 2027;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 19 maart 2026 tot 19 september 2026;
6.3.
wijst het meer of anders verzochte af;
6.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Dijke als griffier, en op schrift gesteld op 2 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.