Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3158

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
18 april 2026
Zaaknummer
C/02/445754 / JE RK 26-385
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Tempel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.1.2 JeugdwetArt. 6.1.4 Jeugdwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp voor kwetsbare minderjarige met complexe problematiek

Het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal verzocht om een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp voor een minderjarige met een verstandelijke beperking, hechtingsstoornis en sociaal-emotionele ontwikkelingsachterstand. De minderjarige heeft een geschiedenis van meerdere gesloten plaatsingen en vertoonde grensoverschrijdend gedrag, waaronder een gewapende overval.

De minderjarige verblijft momenteel in een open woongroep waar hij ambulante zorg ontvangt en positieve stappen maakt. Het college acht een voorwaardelijke machtiging noodzakelijk om direct te kunnen ingrijpen bij terugval en verdere delicten te voorkomen. De minderjarige en zijn moeder steunen het verzoek, evenals zijn advocaat.

De kinderrechter overweegt dat ondanks de positieve ontwikkeling de situatie kwetsbaar blijft door ernstige problematiek. De voorwaardelijke machtiging wordt passend geacht om de minderjarige te ondersteunen en te beschermen. De voorwaarden zijn duidelijk en realistisch, en de minderjarige stemt hiermee in.

De kinderrechter verleent de machtiging voor zes maanden, van 18 maart tot 18 september 2026, onder de gestelde voorwaarden. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: De kinderrechter verleent een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp voor zes maanden onder voorwaarden.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/445754 / JE RK 26-385
Datum uitspraak: 18 maart 2026
beschikking van de kinderrechter over een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
HET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE ROOSENDAAL, zetelende te Roosendaal,
hierna te noemen: het college,
over de minderjarige:
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] ,
advocaat: mr. R.G.J. van Kerkhof uit Gilze.
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] .

1.Het procesverloop

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoek met bijlagen van het college van 27 februari 2026, ingekomen bij de griffie op 6 maart 2026, waaronder:
- de instemmende verklaring van de gekwalificeerde gedragswetenschapper van 5 maart 2026;
- de instemmingsverklaring van de ouder met gezag van 27 februari 2026;
- het plan van aanpak van [accommodatie] van 24 februari 2026;
- een eindverslag van [accommodatie] van 23 februari 2026;
- een veiligheidskaart van 19 februari 2026.
1.2.
Op 18 maart 2026 heeft de kinderrechter de zaak behandeld tijdens de zitting met gesloten deuren. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
- [minderjarige] , die eerst apart is gehoord, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder;
- twee vertegenwoordigsters namens het college.
1.3.
Met bijzondere toestemming van de kinderrechter is als toehoorder bij de zitting aanwezig mevrouw [persoon] , een stagiaire van mr. Van Kerkhof.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 10 december 2025 een machtiging gesloten jeugdhulp voor [minderjarige] verleend tot 18 februari 2026.
2.3.
[minderjarige] verblijft momenteel bij een open woongroep van [woongroep] .

3.Het verzoek

3.1.
Het college heeft een voorwaardelijke machtiging verzocht om [minderjarige] in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven voor de duur van zes maanden.
3.2.
De jeugdhulpaanbieder heeft in het plan van aanpak van 24 februari 2026 de voorwaarden opgenomen en de jeugdhulpaanbieder genoemd die bereid is de jeugdige op te nemen. Tevens is vermeld welke medewerker bevoegd is tot het nemen van het besluit tot opname.

4.Het standpunt van het college

4.1.
Ter onderbouwing van en in aanvulling op het verzoek wordt namens het college, samengevat, het volgende aangevoerd. [minderjarige] is meerdere keren gesloten geplaatst. Bij hem is sprake van een verstandelijke beperking, een hechtingsstoornis en een sociaal-emotionele ontwikkelingsachterstand. Gezien wordt dat [minderjarige] daardoor impulsief en beïnvloedbaar is. Hij heeft moeite met het zelfstandig maken van gezonde keuzes. [minderjarige] bevindt zich in een crimineel netwerk en heeft zelf ook delicten gepleegd, zoals een gewapende overval in een supermarkt. Op de gesloten groep heeft [minderjarige] (seksueel) grensoverschrijdend gedrag vertoond. Ook heeft hij zich aan de groep onttrokken.
4.2.
Op dit moment woont [minderjarige] op een open woongroep van [woongroep] . Daar krijgt hij ambulante zorg. Een goede samenwerking tussen [woongroep] , [maatschappelijk werk] en [hulpverlening 1] heeft geleid tot een passend hulpaanbod voor [minderjarige] . Na een periode van wennen weet [minderjarige] zich op de open woongroep goed te redden. Hij blijft soms zoeken naar ruimte en maakt soms verkeerde keuzes. Dit kan en mag, zolang dit binnen de perken blijft. [hulpverlening 2] zal [minderjarige] behandeling gaan bieden voor impulscontrole, seksualiteit, beïnvloedbaarheid en inzicht in oorzaak en gevolg en zijn eigen aandeel. [minderjarige] zal daarnaast dagbesteding gaan volgen, alsook onderwijs.
4.3.
Een voorwaardelijke machtiging is nodig om direct te kunnen ingrijpen en de teugels te kunnen aantrekken wanneer dit nodig is. Wanneer er geen voorwaardelijke machtiging is, bestaat het risico dat [minderjarige] terugvalt in oud gedrag en hij mogelijk delicten gaat plegen. Op dat moment is een nieuwe langdurige gesloten opname nodig en dat moet worden voorkomen. [minderjarige] wordt met de voorwaardelijke machtiging de kans geboden om zich te ontwikkelen.
4.4.
Het college verzoekt om een voorwaardelijke machtiging voor de duur van zes maanden. Het college beseft dat dit een lange periode is. Echter, gelet op de geschiedenis van [minderjarige] en de uitkomsten van het NIFP-onderzoek, wordt een duur van zes maanden passend geacht. [minderjarige] komt van ver en is lang gesloten geplaatst geweest. Hij moet wennen aan de vrijheden die hij nu heeft en moet hierin nog veel stappen zetten. Deze kans wordt hem met een voorwaardelijke machtiging geboden.

5.Het standpunt van belanghebbenden

5.1.
[minderjarige] vertelt de kinderrechter, kort samengevat, dat hij het eens is met het verzoek. De gestelde voorwaarden zijn hem duidelijk. Hij heeft er vertrouwen in dat hij zich aan de voorwaarden gaat houden. Hij is niet bang dat hij opnieuw gesloten geplaatst moet worden. Volgens [minderjarige] gaat het bij [woongroep] goed. Hij weet dat er regels zijn waar hij zich aan moet houden. Het gaat nu beter met hem, omdat hij nu met andere mensen omgaat. [minderjarige] zou graag nog willen leren hoe hij weerbaarder moet worden en hoe hij makkelijker ‘nee’ kan zeggen.
5.2.
De moeder brengt, samengevat, naar voren dat zij het eens is met het verzoek. De moeder hoopt dat [minderjarige] zich aan de voorwaarden gaat houden. Mocht het onverhoopt toch misgaan, dan is het belangrijk dat [minderjarige] veilig is.
5.3.
Namens [minderjarige] voert mr. Van Kerkhof, samengevat, aan dat hij geen verweer zal voeren tegen het verzoek. [minderjarige] komt van ver. De gesloten plaatsing heeft indruk op hem gemaakt. [minderjarige] heeft gebruik gemaakt van hulpverlening die hem werd geboden. Hij heeft stappen gezet in zijn ontwikkeling en zit er nu anders bij. [minderjarige] heeft een klik met zijn huidige begeleiding en heeft een goede aansluiting gevonden met anderen binnen de open woongroep. Een voorwaardelijke machtiging wordt gezien als stok achter de deur. Dit is nodig om misschien erger te voorkomen. De gestelde voorwaarden zijn voor [minderjarige] duidelijk.

6.De beoordeling

Wat zegt de wet?
6.1.
Op grond van het bepaalde in artikel 6.1.4, lid 1, van de Jeugdwet kan de kinderrechter op verzoek een voorwaardelijke machtiging verlenen om een jeugdige, met inachtneming van artikel 6.1.2, lid 3, van de Jeugdwet in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven.
6.2.
Gelet op het bepaalde in artikel 6.1.4, tweede lid, van de Jeugdwet kan een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter deze jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren. Bovendien dient de opneming en verblijf noodzakelijk te zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken en kan de ernstige belemmering in de ontwikkeling naar volwassenheid alleen buiten de accommodatie worden afgewend door het stellen en naleven van voorwaarden.
6.3.
Ingevolge artikel 6.1.4, lid 3, Jeugdwet, kan een voorwaardelijke machtiging slechts worden verleend indien het college van de gemeente waar de jeugdige zijn woonplaats heeft, of de gecertificeerde instelling die de ondertoezichtstelling uitvoert of de voogdij uitoefent, heeft bepaald dat de jeugdige een voorziening op het gebied van jeugdhulp nodig heeft.
Inhoudelijke beoordeling
6.4.
De kinderrechter zal de voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp verlenen, en wel voor de verzochte periode van zes maanden. De kinderrechter overweegt daartoe als volgt.
6.5.
De kinderrechter heeft in het verzoek van het college en de instemmingsverklaring van de gedragswetenschapper gelezen dat de zorgen om [minderjarige] weliswaar nog altijd aanwezig zijn, maar hem ook de kans wordt geboden om zich te ontwikkelen op zijn huidige woongroep. Na een periode van wennen, gaat het goed met [minderjarige] . De eerste tekenen zijn dan ook positief, mede door een passend hulpaanbod.
6.6.
Hoewel [minderjarige] nu een positieve lijn heeft ingezet en hij stappen lijkt te maken, is zijn situatie nog kwetsbaar. Er blijft sprake van ernstige opvoed- en opgroeiproblematiek. Er bestaan onder andere zorgen om zijn seksuele ontwikkeling, beïnvloedbaarheid en impulsiviteit met bijbehorend grensoverschrijdend gedrag. [minderjarige] is lang gesloten geplaatst geweest en moet wennen aan de vrijheden die hij nu heeft. Zijn persoonlijke problematiek, waaraan gewerkt wordt, maakt dat [minderjarige] soms voor zichzelf de verkeerde keuzes maakt. Wanneer dit het geval is en het onverhoopt niet goed gaat, kan een verblijf bij [accommodatie] als time-out gelden. Bij de moeder in de thuissituatie kan [minderjarige] niet terecht. Daar bestaat het risico dat hij terugvalt in oud gedrag door gebrek aan begeleiding, sturing en kaders.
6.7.
De combinatie van woonbegeleiding, ambulante ondersteuning, dagstructuur en behandeling vormt een minder ingrijpende maatregel dan langdurig een gesloten opname.
Momenteel functioneert [minderjarige] positief binnen zijn huidige setting. Dit geeft vertrouwen voor de toekomst. Een voorwaardelijke machtiging draagt hieraan ook bij; het is nu aan [minderjarige] om te laten zien dat hij in staat is zich aan de voorwaarden te houden en om van de geboden hulpverlening te profiteren. De kinderrechter hoopt dan ook dat [minderjarige] de voorwaardelijke machtiging kan zien als een ondersteuning in zijn huidige positieve ontwikkeling.
6.8.
De kinderrechter heeft kennisgenomen van het plan van aanpak 24 februari 2026 waarin de volgende voorwaarden zijn opgesteld:
1. Er ontstaan geen belemmeringen in het dagelijks leven door het gebruik van middelen (drugs en alcohol);
2. [minderjarige] handelt op een veilige en respectvolle manier in contact met anderen en hij laat zich niet meeslepen in risicovol gedrag;
3. [minderjarige] maakt afspraken met begeleiding over activiteiten die buiten de deur plaatsvinden en met elke personen hij omgaat;
4. Er is een zinvolle dagbesteding.
6.9.
Voormelde voorwaarden acht de kinderrechter duidelijk en realistisch, mede door de verduidelijking die in het plan van aanpak verder is opgenomen. In het plan van aanpak is de jeugdhulpaanbieder genoemd die bereid is [minderjarige] op te nemen en is vermeld welke medewerker bevoegd is tot het nemen van het besluit tot opname. [minderjarige] heeft dit plan ondertekend, waaruit volgt dat hij hiermee instemt. Tijdens de zitting wordt dit door [minderjarige] bevestigd.
6.10.
De kinderrechter heeft ook kennisgenomen van de instemmende verklaring van de onafhankelijke gedragswetenschapper en van de instemming van de moeder.
6.11.
Gelet op al het voorgaande zal de kinderrechter de voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp verlenen voor de verzochte duur van zes maanden. De kinderrechter volgt het college in zijn standpunt dat een periode van zes maanden gelet op de problematiek van [minderjarige] en zijn geschiedenis passend is.
6.12.
Dit betekent dat de kinderrechter als volgt beslist.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
verleent een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp met ingang van 18 maart 2026 tot uiterlijk 18 september 2026, onder de voorwaarden welke aan [minderjarige] in het aangehechte plan van aanpak zijn gesteld.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026 door mr. Tempel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vos als griffer, en op schrift gesteld op 26 maart 2026.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.