ECLI:NL:RBZWB:2026:315

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
BRE 25/929
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:9, eerste lid, AwbArt. 6:11 AwbArt. 8:54 AwbArt. 26c Algemene wet inzake rijksbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding bij aanslag inkomstenbelasting 2020

Belanghebbende stelde beroep in tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2020. De rechtbank beoordeelt het beroep zonder zitting omdat het kennelijk niet-ontvankelijk is wegens overschrijding van de beroepstermijn.

De beroepstermijn van zes weken begon te lopen op 11 juni 2024, de dag na de dagtekening van de uitspraak op bezwaar van 10 juni 2024. De termijn eindigde op 22 juli 2024. Het beroepschrift werd pas op 25 november 2024 ingediend, ruim na het verstrijken van de termijn.

Belanghebbende voerde aan dat onduidelijkheid over de kosten van de beroepsprocedure en het ontbreken van een reactie op een klacht de late indiening verklaarden. De rechtbank oordeelt dat deze omstandigheden geen verontschuldiging vormen. Belanghebbende had binnen de termijn kunnen handelen of een ander kunnen inschakelen.

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk en beoordeelt het bestreden besluit niet inhoudelijk. Het besluit blijft daarmee in stand en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening zonder verontschuldigbare reden.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/929

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 januari 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 10 juni 2024. Het beroep ziet op de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over het jaar 2020 met aanslagnummer [BSN].H.06.01.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat het te laat is ingediend en het te laat indienen niet verschoonbaar is. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Toetsingskader
3. Voor het indienen van een beroepschrift geldt een termijn van zes weken. [1] Deze termijn begint op de dag na de dagtekening van de uitspraak op bezwaar. [2] Maar als de dagtekening een datum is vóór de datum waarop de uitspraak op bezwaar is verzonden, begint deze termijn op de dag na de dag van verzending. Een beroepschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. [3]
3.1.
Als iemand een beroepschrift te laat indient, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het beroepschrift verontschuldigbaar is. Dan laat de rechtbank niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege. [4]
Is het beroep te laat ingediend?
4. Vast staat dat de dagtekening van de uitspraak op bezwaar 10 juni 2024 is. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat verzending ervan later dan die datum heeft plaatsgevonden. De termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde dus op 22 juli 2024.
4.1.
Belanghebbende heeft op 25 november 2024 digitaal beroep ingesteld. Dit beroep is in eerste instantie aangemerkt als beroep tegen de in rekening gebrachte aanmaningskosten bij de aanslag IB/PVV 2020 (BRE 24/7979). Naar aanleiding van de berichten van belanghebbende van 9 en 15 februari 2025 is het beroepschrift van 25 november 2024 ook aangemerkt als gericht tegen de aanslag IB/PVV 2020
(BRE 25/929).
Is het te laat indienen verontschuldigbaar?
5. Belanghebbende heeft hiervoor de volgende reden gegeven. Belanghebbende wist niet waar hij nog terecht kon, toen zijn bezwaar in de zomer van 2024 was afgewezen. Belanghebbende heeft op advies van de ombudsman een klacht ingediend, omdat hem niet duidelijk was wat de kosten van een beroepsprocedure zouden zijn. Belanghebbende heeft nooit een schriftelijke reactie op zijn klacht ontvangen.
5.1.
De door belanghebbende genoemde redenen zijn geen verontschuldiging voor dit verzuim. Er is geen sprake van niet aan belanghebbende toe te rekenen omstandigheden die tot gevolg hadden dat het beroepschrift na de termijn is ingediend. De rechtbank acht ook geen sprake van geringe verwijtbaarheid aan de zijde van belanghebbende. Uit de stukken volgt dat belanghebbende de uitspraak op bezwaar heeft ontvangen. Belanghebbende was binnen de beroepstermijn in de gelegenheid om een klacht in te dienen en had dus ook beroep in kunnen stellen of een ander in kunnen schakelen dit namens hem te doen. Indien
de afhandeling van de klacht voor belanghebbende reden was om (alsnog) beroep in te dienen, had belanghebbende dat eerder dan 25 november 2024 moeten doen. De rechtbank overweegt tot slot dat de hoogte van de kosten voor de beroepsprocedure is terug te vinden op de website van de rechtbank.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H.W. Steijn, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier, op 23 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 6:7 van Pro de Awb.
2.Dit volgt uit artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
3.Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
4.Dit volgt uit artikel 6:11 van Pro de Awb.