Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3149

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
18 april 2026
Zaaknummer
C/02/443076 FA RK 25/6468 - C/02/443453 FA RK 25/6720 - C/02/445419 JE RK 26/331
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van de Kraats
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 lid 1 Brussel II-ter Verordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Eenhoofdig gezag vader en begeleide omgang moeder met minderjarige

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 18 maart 2026 een zaak over het gezag, hoofdverblijf en omgangsregeling van een minderjarige met Poolse en Hongaarse nationaliteit. De ouders, die een verstoorde relatie hebben, waren gezamenlijk belast met het gezag, maar de vader had het hoofdverblijf. De moeder verzocht om eenhoofdig gezag en wijziging van het hoofdverblijf naar haar, terwijl de vader het gezag alleen aan zich wilde toekennen en het hoofdverblijf wilde behouden.

De Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling (GI) adviseerden om het contact tussen moeder en kind beperkt en begeleid te houden vanwege het onvoorspelbare gedrag van de moeder en haar onvoldoende ouderlijke rol. De moeder weigerde een persoonlijkheidsonderzoek te ondergaan, wat de rechtbank noodzakelijk achtte om haar functioneren beter te kunnen beoordelen.

De rechtbank oordeelde dat het in het belang van de minderjarige is dat de vader het eenhoofdig gezag krijgt, omdat de moeder gezagsbeslissingen blokkeert en de minderjarige in een loyaliteitsconflict brengt. Het hoofdverblijf blijft bij de vader. Het contact tussen moeder en kind blijft begeleid en beperkt, met de mogelijkheid tot uitbreiding na een persoonlijkheidsonderzoek. De vader moet de moeder maandelijks informeren over belangrijke zaken omtrent de minderjarige. De kosten van het geding worden gecompenseerd.

Uitkomst: Het eenhoofdig gezag wordt aan de vader toegekend, het hoofdverblijf blijft bij hem en het contact tussen moeder en minderjarige blijft begeleid en beperkt.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummers: C/02/443076 FA RK 25/6468,
C/02/443453 FA RK 25/6720,
C/02/445419 JE RK 26/331
datum uitspraak: 18 maart 2026
beschikking betreffende gezag, hoofdverblijf, zorgregeling en informatieregeling
in de zaak van
[de vrouw/de moeder],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw/moeder,
advocaat mr. S.J.C. Marijnissen en mr. P.F.M. Gulickx,
verzoekster in de zaak C/02/443453 FA RK 25/6720 met bijstand van mr. Marijnissen,
verweerster in de zaak C/02/443076 FA RK 25/6468 met bijstand van mr. Gulickx,
belanghebbende in de zaak C/02/445419 JE RK 26/331,
en
[de man/de vader],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de man/vader,
advocaat mr. S. Koҫak,
verzoeker in de zaak C/02/443076 FA RK 25/6468,
verweerder in de zaak C/02/443453 FA RK 25/6720,
belanghebbende in de zaak C/02/445419 JE RK 26/331,
en
de gecertificeerde instelling
Jeugdbescherming Brabant, locatie Etten-Leur,gevestigd te Etten-Leur, hierna te noemen de GI,
verzoeker in de zaak C/02/445419 JE RK 26/331,
belanghebbende in de zaken C/02/443076 FA RK 25/6468 en C/02/443453 FA RK 25/6720,
over de minderjarige:
[minderjarige] ,geboren op [geboortedag] 2022 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
1 Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
C/02/443076 FA RK 25/6468
- het op 15 december 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
- het op 13 februari 2026 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek met bijlagen;
- de brief van de GI van 2 maart 2026 met bijlagen.
C/02/443453 FA RK 25/6720
- het op 23 december 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
- het op 3 maart 2026 ontvangen verweerschrift met bijlagen;
- de brief van de GI van 2 maart 2026 met bijlagen.
C/02/445419 JE RK 26/331
- het op 25 februari 2026 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
- de brief van de GI van 2 maart 2026 met bijlagen.
1.2 De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 9 maart 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat (waarbij mr. Gulickx heeft waargenomen voor mr. Marijnissen). Tevens waren aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad en twee vertegenwoordigsters van de GI.

2.De feiten

2.1
Blijkens de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:
- de man en de vrouw hebben een relatie met elkaar gehad en hebben gedurende een bepaalde periode samengewoond.
- uit hun relatie is [minderjarige] geboren.
- De man en de vrouw zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
- [minderjarige] heeft haar hoofdverblijf bij de man.
- De man heeft de Hongaarse nationaliteit en de vrouw de Poolse. [minderjarige] heeft de Poolse en Hongaarse nationaliteit.
- Bij beschikking van 5 juli 2023 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI tot 5 oktober 2023. Met ingang van 5 oktober 2023 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI tot 5 juli 2024. Deze maatregel is steeds verlengd, laatstelijk tot 5 juli 2026.
- Bij beschikking van 5 juli 2023 is ook een machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen tot 5 oktober 2023. Nadien heeft zij weer even bij de man en de vrouw gewoond, om vervolgens bij beschikking van 19 mei 2024 met spoed uit huis geplaatst te worden bij hetzelfde pleeggezin waar [minderjarige] eerder heeft verbleven. Deze maatregel is steeds verlengd tot 5 juli 2025.
- In juni 2025 is [minderjarige] bij de man gaan wonen, aangezien het pleeggezin niet langer [minderjarige] op kon vangen en er geen vervangend pleeggezin beschikbaar was.
- Er is begeleid contact met de vrouw opgebouwd, in die zin dat [minderjarige] en de vrouw elkaar wekelijks op maandag en donderdag onder begeleiding zien.
- Medio februari 2026 is het begeleid contact tussen [minderjarige] en de vrouw teruggebracht naar één keer per twee weken voor de duur van één uur op het kantoor van de GI.

3.De verzoeken

3.1
De man verzoekt, samengevat:
- bepaling dat voortaan aan hem alleen het gezag over [minderjarige] toekomt;
3.2
De vrouw verzoekt, samengevat:
  • wijziging van het hoofdverblijf van [minderjarige] naar haar;
  • subsidiair: een uitbreiding van de omgangsregeling tussen de vrouw en [minderjarige] , waarbij de vrouw één weekend in de veertien dagen van vrijdagmiddag 17.00 uur tot en met zondag 17.00 uur en iedere maandag en donderdag vanuit school 14.30 uur tot 19.00 uur omgang heeft met [minderjarige] ;
  • subsidiair: de man zijn medewerking verleent aan de informatieverplichting, door de vrouw schriftelijk te informeren omtrent belangrijke gebeurtenissen met betrekking tot [minderjarige] , waarbij informatie wordt verstrekt over haar schoolprestaties, gezondheid, doktersbezoeken, medische behandelingen, medicijngebruik, hobby’s en activiteiten.
Bij wege van zelfstandig verzoek verzoekt de vrouw:
- dat zij voortaan met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] wordt belast.
3.3
De GI verzoekt, samengevat, een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen in de zin dat:
  • Zolang [minderjarige] nog niet gestart is op school, zullen [minderjarige] en de vrouw eenmaal per twee weken begeleid contact hebben op maandag van 9.30 uur tot 10.30 uur op het kantoor van de GI. De GI behoudt de regie om te beoordelen of uitbreiding van de contactmomenten mogelijk is.
  • Vanaf het moment dat [minderjarige] naar school gaat, zullen [minderjarige] en de vrouw eenmaal per twee weken begeleid contact hebben op maandag na schooltijd, voor de duur van één uur, op het kantoor van de GI. De GI behoudt eveneens de regie om te bepalen of uitbreiding van de contactmomenten mogelijk is.
  • De beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

De man
4.1
Er is altijd sprake geweest van spanningen tussen partijen volgens de man. De onderlinge communicatie is nooit goed geweest. Partijen hebben nimmer feitelijk samen gezag houdende beslissingen over de minderjarige in overleg met elkaar genomen. Er is al langer sprake van een zeer verstoorde relatie. De vrouw heeft zich daarbij grensoverschrijdend opgesteld jegens de man en de GI, hetgeen heeft geleid tot meerdere escalaties. Het is ook niet te verwachten dat hierin binnen afzienbare termijn verbetering in zal optreden, daarvoor heeft de vrouw teveel eigen problematiek waar zij aan moet werken. Er zijn twijfels over haar verstandelijke capaciteiten en psychische toestand. Volgens de GI is de vrouw lastig te begeleiden. Volgens de Raad neemt de vrouw geen ouderrol op zich en kan ze de adviezen van de hulpverlening niet opvolgen. De vrouw lijkt de gevolgen van haar eigen gedrag niet door te hebben. Er zal rust komen voor [minderjarige] indien de man met het eenhoofdig gezag wordt belast. Bij instandhouding van het gezamenlijk gezag vreest de man dat over iedere beslissing een strijd moet worden gevoerd. Zo heeft de vrouw geweigerd haar medewerking te verlenen aan het inschrijven van [minderjarige] op haar adres en ook geen toestemming verleend voor de inschrijving van [minderjarige] op de basisschool. De vrouw ziet niet in dat haar handelen niet in het belang van [minderjarige] is. [minderjarige] ondervindt vertraging in haar ontwikkeling door het handelen van de vrouw en zit klem tussen haar ouders. De man acht het niet in het belang van [minderjarige] dat ouders gezamenlijk belast blijven met het gezag over haar.
4.2
Het verzoek van de vrouw tot wijziging van het hoofdverblijf moet worden afgewezen volgens de man. De man voldoet aan de criteria van goed genoeg ouderschap. [minderjarige] verblijft inmiddels een jaar bij de man, en er zijn geen zorgen omtrent hem of de bestendigheid van de terugplaatsing. Het is dan ook niet in het belang van [minderjarige] dat haar hoofdverblijf wordt gewijzigd. De vrouw stelt dat zij ondersteuning ontvangt vanuit de WMO en MEE. Zij heeft daarvan echter geen stukken overgelegd of stukken waaruit kan worden afgeleid dat sprake is van voortgang in haar traject of dat haar situatie aantoonbaar is verbeterd. Dat de vrouw over een woning en werk beschikt zijn voor haar persoonlijk positieve ontwikkelingen is positief, maar zij bieden voor de situatie van [minderjarige] onvoldoende handvatten en vormen geen oplossing voor het onderliggende probleem dat de vrouw niet beschikt over goed genoeg ouderschap.
4.3
Verder is er nu sprake van begeleide omgang en een ondertoezichtstelling. De vorm en omgang wordt door de GI bepaald en niet door de man. De man vindt het belangrijk dat er omgang is tussen de vrouw en [minderjarige] mits dit op een veilige en verantwoorde wijze plaatsvindt en in het belang van [minderjarige] . De verzochte omgang is volgens de man een brug te ver. De man biedt structuur, duidelijkheid en emotionele beschikbaarheid, herkent de signalen van [minderjarige] en weet grenzen te stellen zonder escalaties. [minderjarige] ontvangt bij hem de ondersteuning die zij nodig heeft voor haar emotionele en sociale ontwikkeling. De verzochte uitbreiding zou het huidige evenwicht verstoren en is niet in het belang van [minderjarige] . Dit is gelegen in het onvoorspelbare en inconsistente gedrag van de vrouw tijdens omgangsmomenten. De vrouw kan het welzijn van [minderjarige] tijdens uitgebreidere omgangsperiodes niet waarborgen. Het verzoek tot uitbreiding moet worden afgewezen.
De vrouw
4.4
De vrouw is van mening dat zij goed in staat is de verzorging en opvoeding van [minderjarige] op zich te nemen en herkent zich niet in het door de man geschetste beeld. De vrouw herkent zich ook niet in de rapportages en de verslagen zoals door de GI zijn overgelegd. De aangehaalde problematiek staan los van haar opvoedcapaciteiten. De vrouw heeft het gevoel alsof [minderjarige] van haar wordt ontnomen. Ze heeft altijd in haar belang gehandeld. De vrouw is daarnaast hard bezig om meer stabiliteit in haar leven te brengen. Ze is weer aan het werk en heeft een nieuwe woning. De hulpverlening verloopt naar behoren. De vrouw heeft geen vertrouwen in de man dat hij [minderjarige] goed kan verzorgen en opvoeden. De vrouw maakt zich zorgen om de veiligheid van [minderjarige] , indien zij niet langer het gezag heeft. De man heeft immers een zelfmoordpoging gedaan en daarbij een brief achtergelaten. Daarnaast is de vrouw bang dat de man [minderjarige] mee zal nemen naar het buitenland. De man heeft banden met de maffia volgens de vrouw. De man heeft geen stabiele thuissituatie, hij rookt en drinkt overmatig alcohol. Toen [minderjarige] bij haar woonachtig was is zij altijd voor haar verantwoordelijk geweest en handelde in het belang van haar. Zij weet nu ook wat de minderjarige bezig houdt en toont belangstelling. Het gezag over de minderjarige dient aan haar toe te komen.
4.5
De vrouw stelt verder dat de huidige situatie geen recht doet aan de werkelijke omstandigheden. Zij heeft de afgelopen periode aantoonbaar stabiliteit opgebouwd. De vrouw beschikt over stabiele huisvesting, ontvangt begeleiding vanuit MEE en WMO, en heeft een ondersteunend netwerk opgebouwd. Zij heeft bovendien actief gewerkt aan haar eigen stabiliteit en welzijn. Uit verklaringen van haar behandelend arts blijkt dat zij verantwoord met haar gezondheid omgaat, en dat haar psychische klachten niet langer een belemmering vormen om voor [minderjarige] te zorgen. Ze accepteert hulpverlening daar waar nodig. De vrouw heeft verder zorgen over de man. Hij heeft meerdere malen suïcidepogingen ondernomen, heeft een problematisch middelengebruik en kampt met financiële instabiliteit. Door de rechtbank zijn deze zorgen onvoldoende meegenomen. Het wijzigen van het hoofdverblijf en het plaatsen van [minderjarige] bij de vrouw biedt een veilig en stabiel perspectief.
4.6
Indien het hoofdverblijf niet gewijzigd wordt, dan is het in het belang van [minderjarige] dat de zorgregeling wordt uitgebreid. [minderjarige] heeft recht op een goede band met de vrouw. Door de zorgregeling beperkt en begeleid te houden, wordt deze band belemmerd. Bovendien zijn er geen zwaarwegende belangen tegen onbegeleide omgang. [hulpverlening] heeft tweemaal verklaard dat de moeder niet lijdt aan een psychische ziekte en dat zij fysiek en emotioneel beschikbaar is voor haar kind. De zorgen van de GI op dit punt zijn overdreven en niet in verhouding tot de werkelijke situatie. [minderjarige] geeft zelf aan de vrouw te missen. [minderjarige] heeft behoefte aan intensiever contact. Voorts stelt de vrouw dat de man haar niet tijdig en volledig op de hoogte houdt van de gezondheid van [minderjarige] . De man dient medewerking hieraan te verlenen.
De GI
4.7
De GI verzoekt een vaste vorm van begeleid contact vast te stellen tussen de vrouw en [minderjarige] . Gezien het langdurig onvoorspelbare gedrag van de vrouw, de voortdurende herhaling van dezelfde problematiek en het uitblijven van aantoonbare verbetering is de GI van oordeel dat een uitbreiding van het contact niet verantwoord is. De GI en de betrokken hulpverleners hebben hun wijze van communicatie aangepast om beter aan te sluiten bij de vrouw, nadat duidelijk werd dat zij zwakbegaafd was. Dit heeft echter niet geleid tot een verbetering. De vrouw lijkt sterk gefixeerd op [minderjarige] en wekt de indruk dat, wanneer zij zelf geen ouderrol kan vervullen, de man dat evenmin zou mogen. De vrouw verschuift de focus van [minderjarige] ook vaak naar haar eigen behoeften. Tijdens de begeleide bezoeken hebben zich twee incidenten voorgedaan waarvan [minderjarige] getuige is geweest en waar zij zichtbaar last van heeft gehad. Het is noodzakelijk in het belang van [minderjarige] om de omgang te beperken tot een vaste begeleide vorm. Zij heeft recht op voorspelbaarheid, rust en structuur. De vrouw heeft gedurende langere tijd de kans gekregen om te laten zien dat zij het aankan, maar zij heeft geen positieve stappen gezet.
4.8
De GI heeft zich genoodzaakt gevoeld haar visie op de situatie te geven nu het verzoekschrift van moeder zaken uit zijn verband trekt. In de beginfase van de begeleide verzoeken functioneerde moeder naar behoren. Dat is gedurende de tijd veranderd. Hulpverleners krijgen te maken met gedrag dat beter aansluit bij de daadwerkelijke problematiek van de vrouw. Dit vormt een aanzienlijke belemmering voor de samenwerking met de vrouw. De ouderrol van de vrouw is op dit moment onvoldoende. De vrouw vertoont regelmatig onvoorspelbaar gedrag, wat bij [minderjarige] leidt tot gevoelens van onveiligheid. Daarnaast spreekt moeder negatief over vader in het bijzijn van [minderjarige] , betrekt zij [minderjarige] in de strijd die zij voert met hulpverlening en brengt zij haar in verlegenheid wanneer het over vader gaat. Er zijn serieuze zorgen ontstaan over de wijze waarop de vrouw haar ouderrol vervult en over haar gedrag en houding ten opzichte van [minderjarige] . De man heeft zich positief ontwikkeld, zowel in zijn vaderrol als zijn bereidheid tot samenwerking. Bij de vrouw lijkt weinig groei te zijn in haar houding of invulling van de ouderrol. Het lukt de GI niet om de vrouw uit te leggen dat de vrouw zelf stabiliteit en veiligheid moet bieden aan [minderjarige] voordat er überhaupt sprake kan zijn van een terugplaatsing bij haar. De GI ziet graag dat moeder een persoonlijkheidsonderzoek ondergaat, vanwege zorgen over het mentale functioneren en haar cognitieve vermogens. Ter zitting heeft de GI verklaard dat zij hier al bijna drie jaar mee bezig is/hierop aandringt bij moeder, maar dat de moeder nog steeds geen persoonlijkheidsonderzoek heeft ondergaan. Ondanks dat meerdere keren het belang daarvan is onderstreept richting moeder. Bij de GGZ heeft moeder echter aangegeven geen hulpvraag te hebben, waardoor er geen onderzoek is afgenomen. Er is bij de GGZ evenmin een realistisch of volledig beeld van moeder geboden, omdat er sprake is geweest van kortdurende contactmomenten. De vrouw kan geen emotionele toestemming geven aan [minderjarige] om bij de man te verblijven. Professionals die de vrouw slechts in een momentopname zien, krijgen een wezenlijk ander beeld dan het beeld dat naar voren komt uit de structurele observaties van de GI en hulpverlening. Bij incidentele contacten is moeder in staat sociaal wenselijk gedrag te laten zien. De GI beschikt over een consistent en volledig beeld van het functioneren van moeder binnen de hulpverleningscontext. Op basis van de onderzoeksresultaten van [jeugdzorg] is vastgesteld dat [minderjarige] bij vader moet blijven wonen en dat vader ook het hoofdverblijf dient te behouden. Hoewel moeder de afgelopen periode meer stabiliteit lijkt te laten zien, constateren zowel de GI als hulpverlening dat zij nog steeds emotioneel instabiel is. In tegenstelling tot wat moeder stelt, dat [minderjarige] bij haar het hoofdverblijf moet hebben, ziet de GI meerdere contra-indicaties. Niet alleen ten aanzien van het hoofdverblijf, maar ook ten aanzien van het ouderlijk gezag en omgang met [minderjarige] , onder meer:
  • Moeder beschikt nu niet over goed genoeg ouderschap;
  • Moeder geeft [minderjarige] geen emotionele toestemming om bij vader te wonen en van hem te houden;
  • Moeder is niet consistent in haar gedrag en houding richting [minderjarige] .
  • De situatie is kwetsbaar en onstabiel voor [minderjarige] bij begeleide bezoeken, vanwege onvoorspelbare gedrag moeder;
  • Moeder is niet in staat om in het belang van [minderjarige] te denken, zij stelt vaak haar eigen belang voorop.
  • Moeder werkt niet mee met hulpverlening, zij kan niet op eigen handelen reflecteren.
  • Moeder sluit onvoldoende aan bij de belevingswereld van [minderjarige] .
De GI onderschrijft wel het belang van contact tussen [minderjarige] en moeder. Uitbreiding van het contact is momenteel echter te schadelijk voor [minderjarige] . Contact moet begeleid plaats blijven vinden gelet op het gedrag van moeder. Een uitbreiding brengt risico’s mee, omdat moeder op dit moment niet in staat is vanuit het belang van [minderjarige] te denken en handelen. Moeder handelt voornamelijk vanuit eigen behoeften en perspectief. Het veranderde gedrag van [minderjarige] , dat zij steeds vaker de veiligheid van de hulpverlening opzoekt, het broekplassen en erg druk zijn op het kinderdagverblijf na afloop van een contactmoment met moeder, zijn belangrijke signalen hierbij geweest. Daarnaast geeft [minderjarige] niet aan dat ze moeder mist, ze mist daarentegen het pleeggezin. Doordat moeder veel controle probeert te houden over de manier waarop vader [minderjarige] opvoedt, stelt de GI voor dat vader moeder elke eerste vrijdag van de maand een informatiemail stuurt. Vader informeert moeder nu wekelijks. Door de frequentie terug te brengen leert moeder vertrouwen hebben in vader en kan zij leren de behoefte aan controle los te laten. De GI heeft benadrukt dat de moeder de afgelopen jaren de focus heel erg naar zich toegetrokken heeft, maar dat nu de focus op [minderjarige] dient te liggen. Moeder zal in het vervolg zelf op zoek moeten naar hulpverlening om aan zichzelf te werken. De GI staat ook achter het verzoek van vader om aan hem het eenhoofdig gezag over [minderjarige] toe te kennen. Dit omdat moeder gezagsbeslissingen blokkeert en het belang van [minderjarige] niet kan zien. Daarbij komt dat moeder ondanks herhaaldelijke uitleg en adviezen van de GI steeds haar eigen plan trekt en afspraken niet nakomt.

5.De beoordeling

Internationaal privaatrechtelijke aspecten
5.1
Vanwege het feit dat de moeder de Poolse nationaliteit, de vader de Hongaarse nationaliteit en [minderjarige] de Poolse en de Hongaarse heeft, draagt deze zaak een internationaal karakter. Daarom dient de rechtbank ambtshalve vast te stellen of de rechtbank internationaal bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek, en zo ja, welk recht van toepassing is op het verzoek.
5.2
De Nederlandse rechter is internationaal bevoegd om van de verzoeken kennis te nemen aangezien [minderjarige] ten tijde van de indiening van het verzoek in Nederland woonde en daar ook haar gewone verblijfplaats heeft (artikel 7 lid 1 Brussel Pro II-ter Verordening). De rechtbank zal hierbij Nederlands recht toepassen.
5.3
Ter zitting zijn alle verzoeken uitvoerig met de aanwezigen besproken. Ook is uitvoerig besproken waar partijen vandaan zijn gekomen, waar ze nu staan en welke problematieken er spelen. De rechtbank is van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] is dat de prioriteit komt te liggen in het investeren van een onbelast contact tussen haar en moeder. Het is daarom noodzakelijk dat er inzicht komt in de problematieken die bij moeder spelen. Uit de stukken van het geding en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht blijkt dat moeder herhaaldelijk adviezen van de hulpverlening in de wind slaat en afspraken niet nakomt. Onduidelijk is nog steeds of er hierbij sprake is van onwil of onmacht aan de zijde van moeder. Moeder lijkt immers in eerste instantie sociaal wenselijk te reageren, maar handelt juist tegenovergesteld. Ook met duidelijke en herhaaldelijke instructies van de GI bestaat er nog altijd onvoldoende zicht op welk ontwikkelingsniveau moeder functioneert. De moeder is dan ook nadrukkelijk geadviseerd om een persoonlijkheidsonderzoek te ondergaan, in haar thuisland en moedertaal. Enkel wanneer daar meer duidelijkheid over bestaat kan er gerichte en passende hulpverlening ingeschakeld worden om moeder zo goed mogelijk te begeleiden in de contactmomenten met [minderjarige] , zodat deze weer leuk en onbelast verlopen voor [minderjarige] maar ook voor moeder. Op het moment dat moeder en [minderjarige] duurzaam onbelast contact hebben met elkaar, is er ruimte om de contactregeling uit te breiden. Omdat moeder tot op heden geen persoonlijkheidsonderzoek heeft ondergaan en bij [minderjarige] een gedragsverandering is opgetreden vanwege het langdurige onvoorspelbare gedrag van moeder, is de rechtbank met de Raad van oordeel dat voor nu het verzoek van de GI moet worden toegewezen en het contact tussen [minderjarige] en moeder beperkt moet worden. Moeder geeft aan dat [minderjarige] haar mist en moeder wil [minderjarige] ook veel vaker zien dan nu het geval is; laat dat dan een stimulans zijn voor moeder om in actie te komen en een persoonlijkheidsonderzoek te laten afnemen. Daaruit kan worden afgeleid wat er van moeder verwacht kan worden in haar rol als ouder, in hoeverre zij in staat is aan te sluiten bij de belevingswereld van [minderjarige] , in de samenwerking met hulpverlening en in de opvolging van adviezen en afspraken. Tot die tijd blijft de contactregeling beperkt en onder begeleiding.
5.4
Voorts ziet de rechtbank aanleiding om de vader voortaan te belasten met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] . Gebleken is dat moeder gezagsbeslissingen blokkeert, ook nadat haar meermaals is uitgelegd dat zij in het belang van [minderjarige] toestemming zou moeten verlenen. Daarnaast kwalificeert moeder de vader enorm in zijn ouderrol, ook in het bijzijn van [minderjarige] . Moeder brengt daarmee [minderjarige] in een loyaliteitsconflict. De vader heeft ter zitting aangegeven dat het fijn is dat de GI de communicatie met de vrouw voor haar rekening neemt, omdat partijen nooit met elkaar hebben kunnen communiceren. De GI heeft op haar beurt ter zitting verklaard dat het communiceren met moeder enorm veel energie kost. Ondanks alle tijd en energie die de GI erin stopt, zijn er weinig positieve veranderingen merkbaar aan de zijde van de vrouw. De rechtbank is dan ook van oordeel dat sprake is van een onaanvaardbaar risico dat bij instandhouding van gezamenlijk gezag van beide ouders [minderjarige] klem of verloren raakt tussen de ouders. De rechtbank heeft evenmin de verwachting dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal optreden. Bij moeder zal eerst een persoonlijkheidsonderzoek afgenomen moeten worden om gerichte en passende hulpverlening in te kunnen zetten op haar onvoorspelbare en soms excessieve gedrag. Verder zal moeder haar houding ten opzichte van de vader moeten veranderen, hem de ouderrol die hem toekomt gunnen en in staat zijn [minderjarige] emotionele toestemming te geven om bij vader te verblijven. De vraag is ook in hoeverre moeder in staat is deze veranderingen te kunnen maken. Bovendien zal bij moeder een stukje berusting moet komen dat het perspectief van [minderjarige] waarschijnlijk bij de vader zal zijn. Pas daarna zal eventueel ingezet kunnen worden op een ouderschapstraject. Voordat daaraan toegekomen kan worden is de aanvaardbare termijn voor [minderjarige] al verstreken. Bij de vader is sprake van goed genoeg ouderschap. Hij heeft al enige tijd geleden een gedragsverandering ingezet. Hij heeft een coöperatieve houding ten aanzien van de hulpverlening en vraagt ook advies daar waar het gaat over vragen over opvoeding. Daarnaast is gebleken dat hij in staat is aan te sluiten bij [minderjarige] en zijn verantwoordelijkheden als ouder te nemen. Het verzoek van de vader tot eenhoofdig gezag wordt daarom toegewezen.
5.5
Nu de man eenhoofdig belast zal worden met het gezag over [minderjarige] , wijst de rechtbank het verzoek van de vrouw tot wijziging van het hoofdverblijf af. De rechtbank benadrukt ten overvloede dat het in het belang van [minderjarige] is dat zij haar hoofdverblijf bij de man houdt. De rechtbank is met de Raad van oordeel dat vader de belangen van [minderjarige] goed in het vizier heeft.
5.6
De moeder heeft verzocht dat de man zijn medewerking verleent aan de informatieverplichting omtrent belangrijke gebeurtenissen van [minderjarige] . Ter zitting heeft de vrouw toegelicht dat zij het liefst twee keer per week geïnformeerd wordt. De rechtbank ziet echter aanleiding om het voorstel van de GI (juist een beperktere informatieregeling) hierin te volgen. Ook de rechtbank acht het van belang dat moeder leert vertrouwen te hebben in vader en de behoefte aan controle leert los te laten.
5.7
De rechtbank heeft gehoord wat namens de moeder door haar raadsman naar voren is gebracht, over het verdriet en leed dat zij heeft dat haar dochter niet bij haar woont en dat zij haar dochter beperkt ziet. De rechtbank geeft moeder mee dat zij aan zet is om de huidige situatie te draaien en mee te werken aan een persoonlijkheidsonderzoek, daar zou bij moeder de prioriteit moeten liggen.
5.8
Gelet op de relatie van partijen worden de proceskosten gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1
bepaalt dat het gezag over de [minderjarige] voortaan aan de man alleen toekomt;
6.2
bepaalt dat de moeder en [minderjarige] genoemde gerechtigd zijn tot begeleide omgang met elkaar:
  • Zolang [minderjarige] nog niet gestart is op school: eenmaal per twee weken begeleid contact op maandag van 9.30 uur tot 10.30 uur op het kantoor van de GI. De GI behoudt de regie om te beoordelen of uitbreiding van de contactmomenten mogelijk is;
  • Vanaf het moment dat [minderjarige] naar school gaat: eenmaal per twee weken begeleid contact op maandag na schooltijd, voor de duur van één uur, op het kantoor van de GI. De GI behoudt eveneens de regie om te bepalen of uitbreiding van de contactmomenten mogelijk is;
6.3
bepaalt dat de vader de moeder eenmaal per maand (elke eerste vrijdag van de maand) per email informeert over de volgende onderwerpen conform pagina 13 van de brief van 2 maart 2026 van de GI:
  • Een positieve of leuke opmerking over [minderjarige] , eventueel aan te vullen met foto’s;
  • School;
  • Gedrag en algemeen welzijn;
  • Medische informatie;
  • Bijzondere afspraken;
  • Overige zorgtaken;
6.4
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.5
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
6.6
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van de Kraats, en, in tegenwoordigheid van mr. Mandemakers, griffier, in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.