Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3146

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
18 april 2026
Zaaknummer
C/02/440691 FA RK 25/5208
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van de Kraats
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking over gezag, hoofdverblijf en zorgregeling na relatiebreuk met veiligheidsrisico's

Partijen hadden een relatie van zes jaar waaruit twee minderjarige kinderen zijn geboren. Na de relatiebreuk medio 2024 ontstonden conflicten over het gezag en de zorgregeling. De moeder heeft eenhoofdig gezag over het oudste kind, terwijl het gezag over het jongste kind gezamenlijk is. De man verblijft in een beschermde woonomgeving met 24/7 begeleiding en is sinds januari 2026 niet meer fysiek in contact met de kinderen.

De moeder deed aangifte tegen de man, die in maart 2026 in hechtenis werd genomen. De moeder verzocht om het hoofdverblijf van de kinderen bij haar te bepalen en een begeleide omgangsregeling via een onafhankelijke instantie. De man stemde in met het hoofdverblijf bij de moeder en stelde een gefaseerde zorgregeling voor, begeleid door zijn hulpverleners.

De rechtbank oordeelde dat het belang en de veiligheid van de kinderen voorop staan en wees het hoofdverblijf toe aan de moeder. De omgang tussen de man en de kinderen moet begeleid plaatsvinden door een neutrale organisatie. Tevens werd een jeugd(hulp)traject gestart om de ouders te ondersteunen bij het gezamenlijk ouderschap en de communicatie. De beslissing over het gezag en de zorgregeling wordt aangehouden tot de resultaten van dit traject bekend zijn. De moeder zal maandelijks via haar advocaat informatie over de kinderen aan de vader verstrekken.

Uitkomst: Hoofdverblijf van de minderjarige kinderen wordt bij de moeder vastgesteld en ouders worden verwezen naar een jeugd(hulp)traject; beslissing over gezag en zorgregeling wordt aangehouden.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/440691 FA RK 25/5208
datum uitspraak: 18 maart 2026
beschikking betreffende gezag, hoofdverblijf en zorgregeling
in de zaak van
[de vrouw],
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. P.P.M. Hendrix-Heeren,
en
[de man],
wonende te [woonplaats 2],
hierna te noemen de man,
advocaat mr. P.J. van de Pol.
1 Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 9 oktober 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
- het op 26 februari 2026 ontvangen gewijzigd verzoek;
- het F9-formulier van 26 februari 2026 van mr. Hendrix-Heeren;
- het op 5 maart 2026 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek met bijlagen;
- de F9-formulieren van mr. van de Pol van 6 maart 2026 (2x).
1.2 De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 9 maart 2026. Bij die gelegenheid zijn middels een videobelverbinding verschenen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. De advocaat van de man en twee persoonlijk begeleiders van de man waren eveneens middels een videobelverbinding aanwezig. Daarnaast was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad. Vanwege omstandigheden was de man zelf niet aanwezig ter zitting.

2.De feiten

2.1
Blijkens de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:
- partijen hebben een relatie met elkaar gehad gedurende zes jaar. Deze relatie is medio 2024 verbroken.
- uit hun relatie zijn de volgende, nu nog minderjarige kinderen geboren:
1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2021,
2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2024.
- Genoemde kinderen zijn door de man erkend.
- De vrouw is belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] .
- Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] .
- Er is geen rechterlijke uitspraak van kracht ter zake het hoofdverblijf en de zorgregeling met betrekking tot de minderjarigen.
2.2
De man ontvangt zorg van [organisatie] . De woning waar partijen als
gezin woonden is een woning van deze organisatie die onder andere beschermd wonen biedt:
een veilige woonplek met 24/7 begeleiding ter ondersteuning van het dagelijkse leven en
zelfstandigheid. De persoonlijke begeleiders aanwezig ter zitting kennen partijen en de
kinderen goed.
2.3
Sinds 24 januari 2026 is er geen fysiek contact meer geweest tussen de man en
kinderen.
2.4
De vrouw heeft aangifte gedaan tegen de man. Op 4 maart 2026 is de man vanuit zijn
woning in hechtenis genomen. Ten tijde van de zitting is de man nog steeds gedetineerd, in
ieder geval tot 20 maart 2026.

3.Het verzoek

3.1
De vrouw verzoekt, samengevat:
  • bepaling dat de minderjarigen hun hoofdverblijf zullen hebben bij haar;
  • vaststelling van een zorgregeling inhoudende dat er omgang tussen de man en de minderjarigen zal plaatsvinden in begeleide vorm via een onafhankelijke hulpverleningsinstantie, zoals bijvoorbeeld het Uniform Hulpaanbod (UHA).
3.2
De man verzoekt, samengevat:
  • bepaling dat voortaan aan hem ook het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] toekomt;
  • een fasegewijze opgebouwde zorgregeling tussen de man en de kinderen inhoudende gedurende drie weken op woensdag van school om 13.00 uur tot 15.00 uur en na drie weken iedere woensdag van 13.00 uur tot 17.00 uur zonder avondeten en daarna iedere woensdagmiddag, de ene week van 13.00 uur tot 17.00 uur zonder avond eten en de andere week van 13.00 tot 18.30 uur met avondeten. Deze omgang kan worden begeleid door de hulpverleners van de man: de heer [persoon 1] , de heer [persoon 2] of de heer [persoon 3] , allen werkzaam bij [organisatie];
  • een informatie- en consultatieregeling op te leggen die inhoudt dat de vrouw een keer per maand aan de man per e-mail een bericht stuurt over de kinderen, hun ontwikkeling zowel fysiek als mentaal en ook foto’s van hen stuurt.

4.De beoordeling

4.1
De vrouw heeft in eerste instantie verzocht om een zorgregeling tussen de man en de minderjarigen vast te stellen van eenmaal per twee weken op zondag op neutraal terrein van 14.00 uur tot 16.30 uur, in aanwezigheid van de vrouw. Veilig Thuis is echter betrokken geraakt en heeft de vrouw aangemeld bij de Safegroup. De vrouw wordt sinds december 2025 begeleid door de Safegroup vanwege een situatie van fysiek geweld, verbaal geweld, dreiging en stalking. De vrouw wil een veilige en stabiele toekomst creëren voor haarzelf en haar kinderen. De advocaat van de vrouw heeft verzocht om aanvullende veiligheidsmaatregelen ten behoeve van de zitting, vanwege ernstige bedreigingen tegen de vrouw en haar familie. Van die berichten zijn screenshots toegevoegd. Ter zitting heeft de vrouw toegelicht dat de man haar al anderhalf jaar dagelijks met de dood bedreigt. Ze ontvangt rouwadvertenties waarin zij genoemd is als overledene en haar vriendinnen en haar moeder ontvangen rouwboeketten. Ook is er een foto naar de vrouw gestuurd waarop te zien is dat de vrouw verminkt is. Volgens de vrouw zijn deze berichten afkomstig van de man en probeert hij haar keer op keer bang te maken. De laatste berichten waren voor de vrouw de spreekwoordelijke druppel. De vrouw wil daarom nu dat de kinderen middels begeleide omgang contact hebben met de man. De veiligheid van de kinderen moet gewaarborgd worden. Aangezien de zorgtaken voor de kinderen voor het grootste deel op haar neerkomen, verzoekt zij het hoofdverblijf van de kinderen bij haar te bepalen.
4.2
De man heeft ingestemd met het verzoek van de vrouw om het hoofdverblijf van de minderjarigen bij de vrouw te bepalen. De rechtbank is eveneens van oordeel dat dit in het belang van de kinderen is en zal het verzoek van de vrouw toewijzen.
4.3
De man is het eens met de vrouw dat er een duidelijke zorgregeling tussen hem en de kinderen moet worden vastgesteld. De man kan zich niet vinden in de door de vrouw verzochte regeling nu dit niet concreet genoeg en te vaag is. Na het vertrek van de vrouw uit de woning heeft zij voorgesteld dat de man iedere woensdag contact mocht hebben met de kinderen. De vrouw houdt zich hier echter niet aan. Omdat de man de vrouw hierover niet kon berichten heeft hij enkele nare berichten gestuurd naar de vrouw en haar familie. Hij heeft hier veel spijt van en betreurt zijn acties. Hij is aangesproken op zijn gedrag door zijn begeleiders en heeft zich verder onthouden van deze berichten. Hij is zich er ook van bewust dat dergelijke dreigementen hem niet brengen naar zijn doel: contact met de kinderen. Door de man wordt dan ook betwist dat de laatste berichten die door de vrouw zijn overgelegd van hem zijn. Dit wordt door de politie onderzocht. Het vermoeden bestaat bij de man dat de vrouw aan dossieropbouw doet waarbij zij hem schuldig acht aan en dader is van intiem terreur. De man heeft de kinderen nimmer in onveiligheid gebracht en er is geen sprake geweest van onveilige omgang. De man wil betrokken zijn in het leven van de kinderen en hij mist ze enorm. Hij vindt het heel erg dat de vrouw de berichten aan hem koppelt. De man ziet een onderzoek door de Raad met vertrouwen tegemoet waar het gaat om het gezamenlijk gezag en de zorgregeling. Het is niet in het belang van de kinderen om te wachten tot een definitief rapport van de Raad, voordat er contact plaatsvindt tussen hen en de man. Tijdens de mondelinge behandeling is duidelijk geworden dat de man op 4 maart 2026 thuis door de politie is opgehaald. Volgens de man was het afdoende geweest als ze hem gevraagd hadden naar het politiebureau te brengen. Op 6 maart 2026 is bepaald dat de man nog veertien dagen in hechtenis blijft. Namens de man is ter zitting vooropgesteld dat het sturen van dergelijke berichten echt niet door de beugel kan, maar de man blijft betwisten dat hij de laatste periode berichten heeft verstuurd naar de vrouw. Hij ontkent niet dat hij nare berichten heeft gestuurd naar de vrouw, maar slechts tot een bepaalde periode. Hij wil daarom ook dat de politie onderzoekt wie de laatste periode berichten heeft verstuurd naar de vrouw. Het doel van de man is om zo spoedig mogelijk zijn kinderen te zien en dan zou het dom zijn om zulke nare berichten naar de vrouw te versturen. Hij had graag ter zitting aanwezig geweest, maar helaas is dat nu niet mogelijk.
4.4
Ter zitting is met de aanwezigen uitvoerig over de voorliggende verzoeken gesproken, gelet op de huidige precaire situatie. Iedereen is het erover eens dat als er contact komt tussen de man en de kinderen, dit in begeleide vorm plaats moet vinden. De rechtbank is met de Raad van mening dat een neutrale organisatie de omgangsmomenten dient te begeleiden en hierover dient te rapporteren. Aangezien partijen op een behoorlijke afstand van elkaar wonen, kunnen de rechtbank en de Raad zich voorstellen, dat op een gegeven moment -bij het goed verlopen van de begeleide omgang- de begeleiders van de man de omgangsmomenten van de kinderen in de woonplaats van de man begeleiden met als doel dat de kinderen en de man op frequente basis contact kunnen hebben met elkaar. De eerste periode zal er echter enkel in de omgeving van de vrouw begeleide omgang plaatsvinden, wat later afgewisseld kan worden. [organisatie] functioneert dan als het ware als een onderaanbieder die rapporteert aan de hoofdaanbieder. De begeleide omgangen bij de vrouw blijven verzorgd worden door de hoofdaanbieder.
4.5
Daarnaast is het belangrijk dat hulpverlening gaat bekijken wat de kinderen meegekregen hebben van de spanningen in de huidige situatie. Bekeken moet worden wat de invloed daarvan op de kinderen is en of zij behoefte hebben aan individuele hulpverlening. Daarnaast zal bij de ouders onderzocht moeten worden wat van hun verwacht kan worden in het vormgeven van hun ouderschap en in het vormgeven van hun communicatie op ouderniveau. Mocht van ouders daarin een en ander verwacht kunnen worden, dan zal de hulpverlening zich ook moeten richten op het vormgeven van een vorm van gezamenlijk ouderschap en oudercommunicatie. De hulpverlening kan dan ook beoordelen of er draagvlak en haalbaarheid is voor gezamenlijk ouderlijk gezag ten aanzien van [minderjarige 1] . De vrouw heeft momenteel geen eenhoofdig gezag verzocht ten aanzien van [minderjarige 2] , aangezien zij altijd nog hoopt dat de man zich ten positieve zal ontwikkelen. Het verzoek tot gezamenlijk ouderlijk gezag over [minderjarige 1] zal dan ook worden aangehouden in afwachting van de resultaten van de hulpverlening.
4.6
Gelet op al het voorgaande is het duidelijk dat het ouders samen niet lukt om de problemen tussen hen op te lossen. De rechtbank vindt het net als de Raad daarom noodzakelijk dat voor deze ouders en hun minderjarigen kinderen een passend (jeugd)hulpverleningstraject bij een zorgaanbieder wordt ingezet. Zoals hiervoor is genoemd en hierna ook zal blijken, zijn er veel doelen waaraan gewerkt moet worden. Er zal dus een strakke regie gevoerd moeten worden.
De rechtbank benadrukt dat de gemeente/toegang/zorgaanbieder alert moet zijn op de veiligheidsaspecten in deze zaak en zij daarop dienen te acteren, zodat de veiligheid voor eenieder gewaarborgd is.
4.7
De vrouw heeft en namens de man is tijdens de mondelinge behandeling ingestemd dat de rechtbank hen en hun minderjarige kinderen voor (jeugd)hulpverlening verwijst naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-West. De verwijzing heeft op 9 maart 2026 plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Deze beschikking geldt als bevestiging dat ouders met de doorverwijzing en de voorwaarden daarvan hebben ingestemd.
4.8
Met de inzet van het (jeugd)hulptraject gaan de ouders, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten:
- de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind;
- het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund.
4.9
Gebleken is dat ouders daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de rechter na overleg met de ouders besloten dat zij samen met een zorgaanbieder ook gaan werken aan het behalen van de volgende resultaten:
- de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het kind; (keuze: zware/systeemgerichte interventie);
- het kind en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar;
- er is inzicht in de mogelijkheden/belemmeringen van beide ouders en de hulp die nodig is om een stabiele opvoedsituatie voor het kind te realiseren (binnen de scheidingssituatie).
De resultaten heeft de rechtbank ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is bij deze beschikking gevoegd (bijlage 1).
4.1
Na afloop van het (jeugd)hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/toegang op te maken rapport gevoegd. De rechtbank verzoekt het loket om de volledige UHA rapportage uiterlijk op na te noemen pro forma datum, of zoveel eerder als mogelijk is, bij de rechtbank in te dienen.
4.11
Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een mondelinge behandeling nodig is. De advocaten maken in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de verzoeken met betrekking tot het de kinderen.
4.12
Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de rechtbank het loket de volledige UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de raad. De raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten.
4.13
Wanneer de raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten.
4.14
Wanneer de raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de raad dit onderzoek te verrichten en daarover bij de rechtbank een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vragen:
- Bestaat er, bij instandhouding van het gezamenlijk gezag over [minderjarige 2] van beide ouders, een onaanvaardbaar risico dat de minderjarige klem of verloren zal raken tussen de ouders en is niet te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen of is het anderszins in het belang van de minderjarige te achten om af te wijken van het in de wet neergelegde uitgangspunt dat de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen?
- Bestaat er, bij toewijzing van het gezag aan de ouders gezamenlijk ten aanzien van [minderjarige 1] , een onaanvaardbaar risico dat de minderjarige klem of verloren zal raken tussen de ouders en is niet te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen of is het anderszins in het belang van de minderjarige te achten om af te wijken van het in de wet neergelegde uitgangspunt dat de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen?
- Welke zorgregeling door de ouders komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarige?
- Hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?
- Zijn er contra-indicaties voor omgang en zo ja, welke?
- In hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen; hoe, onder welke voorwaarden en op welke termijn?
4.15
Deze beschikking is een verzoek aan de raad om dit onderzoek te verrichten, indien het traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de raad dat onderzoek noodzakelijk acht. Het staat de raad eveneens vrij om het onderzoek uit te breiden tot een beschermingsonderzoek mocht dat nodig zijn.
4.16
Na een onderzoek of interventie van de raad stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid op de rapportage van de raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop.
4.17
De ouders zijn tijdens de mondelinge behandeling geïnformeerd over de privacy aspecten van de doorverwijzing (bijlage 2). Zij hebben met het delen van de privacy gegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt ingestemd.
4.18
Omdat ouders en hun kinderen in de gelegenheid worden gesteld deel te nemen aan het (jeugd)hulpverleningstraject beslist de rechtbank nu niet op de verzoeken met betrekking tot gezag en de zorg- en contactregeling, maar houdt zij de beslissing daarover voor de duur van negen maanden aan. Op verzoek van het loket en/of de gemeente/toegang kan de rechtbank deze termijn verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Als de verlenging wordt toegestaan dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door.
4.19
De vrouw staat achter contact tussen de man en de kinderen mits de veiligheid is gewaarborgd, met name omdat [minderjarige 1] aangeeft bij de vrouw dat zij haar vader mist. Ter zitting is nog gesproken over een eventuele vorm van contact tussen de man en [minderjarige 1] (en [minderjarige 2] ) in afwachting tot de start van het hulpverleningstraject. Gelet op de veiligheidsaspecten is de rechtbank met de Raad van oordeel dat op dit moment de rust voor de kinderen en de vrouw prevaleert. Er is momenteel nog teveel onduidelijk en onrustig. Daarnaast is het belangrijk dat de vrouw emotioneel beschikbaar en overeind blijft voor de kinderen.
4.2
De vrouw heeft ingestemd met het verzoek van de man voor wat betreft de informatie- en consultatieregeling, op voorwaarde dat dit eenrichtingsverkeer zal betreffen en via de advocaten zal verlopen. Afgesproken is dat de vrouw eenmaal per maand informatie zal verschaffen over de kinderen aan haar advocaat. De advocaat van de vrouw zal deze informatie doorsturen naar de advocaat van de man.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1
verwijst ouders en hun minderjarige kinderen voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-West. Het loket zal ouders en kinderen vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van de minderjarigen verwijzen naar de zorgaanbieder;
5.2
verzoekt het loket om uiterlijk op
23 december 2026 pro forma, of zoveel eerder als mogelijk is, de UHA rapportage over het verloop en de resultaten van het (jeugd)hulpverleningstraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen;
5.3
verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de raad;
5.4
verzoekt de raad binnen veertien dagen na binnenkomst van de UHA rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;
5.5
verzoekt de raad, regio Zeeland, West- en Midden-Brabant, locatie
Breda wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de raad daartoe zelf aanleiding ziet, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in r.o. 4.14. vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;
5.6
verzoekt de raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen;
5.7
houdt aan de beslissing op de verzoeken met betrekking tot
  • gezamenlijk ouderlijk gezag;
  • vaststellen van een zorgregeling,
in afwachting van de resultaten van de hulpverlening;
5.8
bepaalt dat de minderjarigen
1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2021,
2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2024.
hun hoofdverblijf hebben bij de vrouw;
5.9
bepaalt dat de vrouw eenmaal per maand haar advocaat per e-mail een bericht stuurt over de kinderen, hun ontwikkeling zowel fysiek als mentaal en ook foto’s van hen stuurt. De advocaat van de vrouw stuurt deze informatie dan door aan de advocaat van de man;
5.1
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van de Kraats, en, in tegenwoordigheid van mr. Mandemakers, griffier, in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.