Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3144

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
18 april 2026
Zaaknummer
C/02/445463 / JE RK 26-335
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Duinhof
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.1.2 Jeugdwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging gesloten jeugdhulp voor minderjarige met ernstige opvoedingsproblemen

Het College van Burgemeester en Wethouders van Bergen op Zoom verzoekt om een machtiging voor gesloten jeugdhulp voor een minderjarige geboren in 2010, die reeds sinds december 2025 in een gesloten accommodatie verblijft. De moeder van de minderjarige stemt in met het verzoek. De minderjarige volgt schematherapie en toont positieve ontwikkelingen, maar vertoont nog impulsiviteit en weggelopen gedrag.

De kinderrechter overweegt dat de ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen de ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en dat het verblijf in de gesloten setting noodzakelijk is om te voorkomen dat de minderjarige zich aan de hulp onttrekt. Er zijn geen minder ingrijpende alternatieven en een voortijdige uitstroom brengt risico's op terugval.

De machtiging wordt verleend voor de periode van 25 maart 2026 tot 25 juni 2026. De kinderrechter benadrukt het belang van een goede klik met de therapeut en het voortzetten van de therapie. De minderjarige wordt aangemoedigd zich te richten op haar eigen ontwikkeling binnen de veilige omgeving van de accommodatie.

Uitkomst: Machtiging voor gesloten jeugdhulp verleend voor drie maanden wegens ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/445463 / JE RK 26-335
Datum uitspraak: 18 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
HET COLLEGE VAN BURGEMEESTER & WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE BERGEN OP ZOOM,
zetelende te Bergen op Zoom,
hierna te noemen: het College,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] ,
advocaat: mr. J. Schuttkowski uit Hulst.
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. D.R.M. de Vos uit Bergen op Zoom.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 27 februari 2026;
  • de aanvullende informatie van het College, ontvangen op 5 maart 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- [minderjarige] , bijgestaan door haar advocaat (vooraf ook apart gehoord);
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een tweetal vertegenwoordigsters van het College.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van 25 juni 2025 is een machtiging verleend om [minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 26 juni 2025 en tot 26 september 2025, waarbij het resterende deel is aangehouden.
2.3.
Bij beschikking van 25 september 2025 is het resterende deel van het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot gesloten jeugdhulp afgewezen. Hiernaast is bij deze beschikking een voorwaardelijke machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verleend, met ingang van 25 september 2025 en tot 25 december 2026, onder de voorwaarden welke in het aangehechte hulpverleningsplan aan [minderjarige] zijn gesteld. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.
2.4.
Bij beschikking van 17 december 2025 heeft de kinderrechter de voorwaardelijke machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verlengd met ingang van 25 december 2025 en tot 25 maart 2026.
2.5.
Met ingang van 18 december 2025 is de voorwaardelijke machtiging omgezet naar een reguliere machtiging en op grond daarvan verblijft [minderjarige] bij [accommodatie] te [plaats] .

3.Het verzoek

3.1.
Het college verzoekt een machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van drie maanden.
3.2.
De moeder stemt in met het verblijf in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp.

4.De standpunten

4.1.
Het College handhaaft het verzoek. De zorgen over [minderjarige] en haar gedrag zijn nog steeds aanwezig. [minderjarige] heeft het nodig om een langere periode vanuit stabiliteit en veiligheid en met behulp van onder meer de schematherapie te werken aan zichzelf. Vanuit het veilige en beschermde kader bij [accommodatie] worden nu stappen gemaakt en die moeten worden voortgezet. Wenselijk is dat [minderjarige] dit schooljaar vanuit de huidige stabiliteit afmaakt en dat er daarna een passende woonplek en school voor [minderjarige] wordt gevonden, waarbij het College het Speciaal Onderwijs niet passend voor [minderjarige] vindt. De komende periode zal worden gewerkt aan een opbouw van vrijheden, ook in telefoongebruik, een verdieping in de schematherapie en het uitstroomperspectief van [minderjarige] . Het is de verwachting dat [minderjarige] zal uitstromen naar een woongroep, waarbij een gemengde groep volgens het College geen risico voor [minderjarige] is. Het overplaatsen van [minderjarige] wordt op dit moment nog niet in het belang van [minderjarige] geacht, aangezien zij nu aan het opbouwen is in therapie, vertrouwen en openheid om meer tot de kern van haar problematiek te komen. Daarnaast is de kans aanwezig dat zij in een open setting in oud gedrag vervalt.
4.2.
[minderjarige] heeft tijdens het gesprek met de kinderrechter aangegeven dat zij het niet fijn vindt om gesloten te zitten, maar dat zij het wel begrijpt. [minderjarige] vindt dat zij hulp nodig heeft onder meer voor hoe zij zich buiten moet gedragen en hoe zij goede keuzes kan maken. Zij hoopt na drie maanden naar een vervolgplek te kunnen. [minderjarige] vindt het fijn dat zij op dit moment meer vrijheden krijgt en binnenkort ook mag gaan werken. Doordat zij meer vrijheid krijgt, wil [minderjarige] niet meer weglopen. Ook wil zij graag naar school. Bij het [college] heeft [minderjarige] haar best gegaan en een inhaalslag gemaakt. [minderjarige] geeft aan dat werken en naar school gaan ervoor zal zorgen dat zij geen tijd meer heeft om rare dingen te doen. Ook zou zij een buddy willen waar zij mee kan praten en die haar helpt. Tot slot geeft [minderjarige] aan dat zij geen klik met de therapeut van de schematherapie heeft.
4.3.
De advocaat van [minderjarige] voert geen verweer tegen het verzoek. [minderjarige] wil het liefst niet gesloten zitten, maar door de geslotenheid komt zij tot rust. Belangrijk is dat het wegloopgedrag van [minderjarige] wordt voorkomen en dat duidelijk wordt waar dit gedrag vandaan komt. Mogelijk is hiervoor meer hulpverlening nodig dan op dit moment wordt ingezet. Verder moet de schematherapie nog worden voortgezet en is mogelijk ook systeemtherapie passend. Belangrijk hierbij is dat wordt gekeken naar de bemensing, aangezien [minderjarige] geen klik met de huidige therapeut heeft. Verder benoemt de advocaat dat [minderjarige] op termijn naar een gemengde groep zou willen uitstromen. Dat vindt [accommodatie] ook passend.
4.4.
Door en namens de moeder is aangegeven dat zij achter het verzoek staat. De machtiging blijft nodig, nu er nog steeds zorgen over [minderjarige] en haar gedrag zijn. Wel heeft [minderjarige] in de afgelopen periode positieve stappen gezet en lijkt zij meer gemotiveerd voor school. Belangrijk is dat de therapie van [minderjarige] wordt voortgezet en dat zij een klik met de therapeut heeft. Verder zou de moeder willen dat [minderjarige] uitstroomt naar een meidengroep, zodat zij zich kan focussen op zichzelf en niet bezig is met jongens binnen de groep. Tot slot vindt de moeder Speciaal Onderwijs niet passend en geschikt voor [minderjarige] .

5.De beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Volgens artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet kan een machtiging voor een gesloten accommodatie voor jeugdhulp worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter deze jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren. Bovendien dient de opneming en het verblijf noodzakelijk te zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken.
Inhoudelijke beoordeling
5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria van artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet en machtigt het College om [minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van drie maanden, met ingang van 25 maart 2026 en tot 25 juni 2026. Hij legt deze beslissing hierna uit.
5.3.
Het is de kinderrechter gebleken dat de voorwaardelijke machtiging van 17 december 2025 voor [minderjarige] met ingang van 18 december 2025 is omgezet naar een reguliere machtiging en dat [minderjarige] sindsdien bij [accommodatie] verblijft. [minderjarige] heeft in de afgelopen periode positieve stappen gezet. Zij volgt schematherapie, is meer open over haar contacten en laat zien wat zij doet. Ook is [minderjarige] gemotiveerd om weer naar school te gaan. Zij mag binnenkort gaan werken en er wordt gewerkt aan het opbouwen van vrijheden rondom haar telefoongebruik. Desondanks zijn de zorgen over [minderjarige] nog niet volledig weggenomen. Zo maakt de kinderrechter zich met de behandelaars en begeleiders nog zorgen over haar impulsiviteit, beïnvloedbaarheid en het terugkerende patroon van onttrekkings- en weggeloopgedrag. Dat maakt dat [minderjarige] op dit moment onvoldoende in staat is om haar veiligheid zelfstandig te waarborgen. Zo is zij in december 2025 en februari 2026 meerdere keren weggelopen. Dit maakt dat de kinderrechter van oordeel is dat er nog steeds ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen zijn die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Die problemen maken dat een voortzetting van het verblijf van [minderjarige] in de gesloten setting van [accommodatie] noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt of door anderen wordt onttrokken aan de hulp die zij nodig heeft. [minderjarige] is immers gebaat bij de structuur, grenzen en nabijheid van de gesloten setting en de positieve stappen die [minderjarige] aan het zetten is, moeten nog worden bestendigd. Dit is nodig om tot de kern van de problematiek van [minderjarige] te komen. Ook [minderjarige] zelf ziet in dat zij hulp nodig heeft. Dit heeft zij tijdens het gesprek met de kinderrechter aangegeven, net als dat zij heeft aangegeven dat zij graag weer naar school wil en wil werken, zodat zij geen tijd (meer) heeft om rare dingen te doen. De kinderrechter vindt het knap dat [minderjarige] dit inzicht heeft en geeft haar daarvoor een groot compliment. De kinderrechter overweegt verder dat er geen minder ingrijpende mogelijkheden zijn om de problemen van [minderjarige] te behandelen. Een te snelle uitstroom brengt het risico met zich mee dat patronen zich mogelijk herhalen en [minderjarige] in oud gedrag vervalt. Dit wordt versterkt door het feit dat [minderjarige] nog aan het opbouwen is in therapie. De kinderrechter vindt het van groot belang dat [minderjarige] een klik kan ervaren met behandelaars en verzoekt het college daarom ook nog eens goed naar dt aspect te kijken.
5.4.
Het belangrijkste voor nu is dat [minderjarige] begrijpt dat zij zelf haar belangrijkste hulpverleenster is en dat zij de komende periode vanuit de stabiele en veilige omgeving van [accommodatie] aan zichzelf gaat werken. De kinderrechter geeft aan [minderjarige] mee om zich te gaan focussen op haar eigen ontwikkeling en op wat zij kan doen om de positieve ontwikkelingen voort te zetten en een gezonde en veilige situatie voor zichzelf te creëren. Het gaat de kinderrechter echt om de ontwikkeling van [minderjarige] zelf en de stappen die zij gaat zetten en niet om de einddatum van de machtiging gesloten jeugdhulp. Het is goed zodra het met [minderjarige] goed gaat. Dat kan langer of korter dan drie maanden duren.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verleent een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 25 maart 2026 tot 25 juni 2026.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026 door mr. Duinhof, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vork, griffier, en op schrift gesteld op 26 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.