Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3141

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
18 april 2026
Zaaknummer
C/02/445192 / JE RK 26-282
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Duinhof
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BWArt. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarigen bij vader gedurende ondertoezichtstelling

De zaak betreft een verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen bij hun vader gedurende de ondertoezichtstelling. De kinderen zijn sinds november 2022 onder toezicht gesteld en verblijven op basis van een machtiging bij de vader. De GI stelt dat terugplaatsing bij de moeder momenteel niet in het belang van de kinderen is vanwege ernstige zorgen over hun emotionele en fysieke veiligheid, waaronder signalen van mogelijk grensoverschrijdend gedrag en fysiek geweld.

De moeder voert geen verweer tegen de verlenging, maar uit zorgen over de gezinsdynamiek en de loyaliteitskwestie voor de kinderen. De vader steunt het verzoek en benadrukt de noodzaak van stabiliteit en veiligheid voor de kinderen. De kinderrechter beoordeelt dat aan de wettelijke criteria voor verlenging is voldaan en dat het belang van de kinderen gediend is met voortzetting van de uithuisplaatsing bij de vader.

De kinderrechter benadrukt het belang van wekelijkse begeleide contactmomenten tussen de moeder en de kinderen en dringt aan op voortzetting van hulpverlening en begeleiding van beide ouders. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard om de continuïteit in de zorg voor de kinderen te waarborgen. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen bij de vader wordt verlengd tot het einde van de ondertoezichtstelling op 8 mei 2026.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/445192 / JE RK 26-282
Datum uitspraak: 18 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedag 1] 2020 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedag 2] 2019 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. E.A.G. van Acker uit Sint Jansteen,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.C. Heijmann uit Papendrecht.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 17 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de GI.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
Bij beschikking van 8 november 2022 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 8 november 2022 en tot 8 maart 2023. De ondertoezichtstelling is hierna steeds verlengd, voor het laatst tot 8 mei 2026.
2.3.
Bij beschikking van 8 november 2022 is ook een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verleend met ingang van 8 november 2022 en tot 8 maart 2023. Deze machtiging tot uithuisplaatsing is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 8 mei 2023.
2.4.
Bij beschikking van 15 december 2025 is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, verleend met ingang
van 15 december 2025 en tot 29 december 2025. Deze machtiging tot uithuisplaatsing is daarna verlengd, te weten tot 29 maart 2026.
2.5.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven op basis van deze beschikking bij hun vader.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de andere ouder met gezag, (naar de kinderrechter begrijpt) te weten de vader, te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het verzoek. De machtiging tot uithuisplaatsing dient te worden verlengd, omdat een terugplaatsing bij de moeder voor nu niet in het belang van de kinderen is. Er zijn ernstige zorgen over de emotionele en fysieke veiligheid van de kinderen, mede gezien de door hen geuite seksuele gedragingen en uitspraken, de signalen van mogelijk grensoverschrijdend gedrag en de signalen van fysiek geweld door de moeder. Ondanks dat de moeder aangeeft dat het niet waar is, vindt de GI dat deze signalen serieus moeten worden genomen en onderzocht. Er is sprake van trauma- en hechtingsproblematiek bij [minderjarige 2] en vermoedelijk ook bij [minderjarige 1] . Zij hebben stabiliteit, voorspelbaarheid, veiligheid en een traumasensitieve opvoeding nodig. De ingezette en nog op te starten hulpverlening, waaronder speltherapie voor [minderjarige 1] en diagnostiek en PMT voor [minderjarige 2] , vergt tijd en rust. De moeder en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben wekelijks een begeleid contactmoment met elkaar. De moeder doet haar best, maar gezien wordt dat het intensief voor haar is. Vooral [minderjarige 2] daagt de moeder uit. De GI is nog bezig met het vervolgonderzoek, het monitoren van de belastbaarheid van de kinderen, het vormgeven van passende hulpverlening en het beoordelen van de opvoedvaardigheden van beide ouders. Het is de verwachting dat het onderzoek naar Goed Genoeg Ouderschap van de vader voor de aflooptermijn van de ondertoezichtstelling is afgerond. Verder vindt de GI het belangrijk dat de moeder, met behulp van [hulpverlening] , aan zichzelf gaat werken. Met de moeder wil de GI in gesprek over hoe de begeleide contactmomenten met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op een goede manier kunnen worden voortgezet.
4.2.
Door en namens de moeder is geen verweer gevoerd, nu het om een beperkte periode gaat. Wel is opgemerkt dat de vader ook een aandeel heeft (gehad) in de gezinsdynamiek en het trauma van de kinderen. Doordat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vader verblijven, wordt de loyaliteitskwestie van de kinderen vergroot. De moeder vindt het belangrijk dat beide ouders begeleiding krijgen en dat de GI gaat onderzoeken of een neutrale plaatsing van de kinderen meer passend is, zodat er gelijkwaardigheid tussen de ouders komt en zij gelijke kansen hebben. Ook vraagt de moeder zich af of het verstandig is dat de kinderen samen opgroeien, gelet op de verschillen in problematiek en gedrag. Verder ontkent zij de uitspraken die de kinderen hebben gedaan. De moeder maakt zich zorgen over de kinderen en hoopt dat er een onderzoek voor [minderjarige 2] komt, nu hij zorgelijk gedrag laat zien en hij mogelijk [minderjarige 1] beïnvloedt. Verder wil de moeder met de GI in gesprek over de contactmomenten en of het beter zou zijn als de kinderen wekelijks na elkaar contact met de moeder hebben in plaats van tegelijkertijd.
4.3.
Door en namens de vader is aangegeven dat hij het eens is met het verzoek. Hij heeft grote zorgen over de kinderen en over de uitspraken die zij hebben gedaan. Met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gaat het goed bij de vader thuis en samen met de hulpverlening wil hij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] blijven bieden wat zij nodig hebben. Een terugplaatsing van de kinderen bij de moeder is op korte termijn niet aan de orde, nu het niet veilig bij de moeder is. Verder hoopt de vader dat de hulpverlening voor de kinderen op korte termijn kan starten. Als het voor de moeder helpend is om met beide kinderen een apart contactmoment te hebben, heeft de vader daar geen bezwaar tegen als het gaat om één contactmoment per week. Belangrijk is dat het voor de vader behapbaar blijft om de kinderen overal naartoe te brengen.

5.De beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
5.2.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Inhoudelijke beoordeling
5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat nog steeds is voldaan aan de wettelijke criteria. Dat betekent dat de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, zal verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 8 mei 2026. Hij legt deze beslissing hierna uit.
5.4.
De kinderrechter is – met alle betrokkenen – van oordeel dat het in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vader tot het einde van de ondertoezichtstelling wordt verlengd. Hij stelt vast dat er op dit moment geen andere mogelijkheden zijn en dat de kinderen voor nu begrijpen dat zij bij de vader wonen en wekelijks een begeleid contactmoment met de moeder hebben. Er speelt nog teveel rondom de kinderen en tussen de ouders en er is nog veel onduidelijkheid, met name als het gaat om de door de kinderen geuite seksuele gedragingen en uitspraken, de signalen van mogelijk grensoverschrijdend gedrag en de signalen van fysiek geweld door de moeder. Een terugplaatsing bij de moeder is daarmee voor nu niet haalbaar en ook niet in het belang van de kinderen. Bij de vader zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op dit moment veilig en wordt hen geboden wat zij nodig hebben. Bij [minderjarige 2] en vermoedelijk ook bij [minderjarige 1] is sprake van trauma- en hechtingsproblematiek, waardoor zij extra kwetsbaar zijn en zij stabiliteit, voorspelbaarheid en een traumasensitief opvoeding nodig hebben. Daar komt bij dat het monitoren van de belastbaarheid van de kinderen en het beoordelen van de opvoedvaardigheden van beide ouders nog loopt.
5.5.
De kinderrechter vindt het verder belangrijk dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de moeder wekelijks blijven zien. Hij juicht het toe dat de moeder aan zichzelf wil gaan werken, zoals zij tijdens de zitting heeft aangegeven, maar dringt er bij haar ook op aan om het contact met de kinderen niet tijdelijk stop te zetten. Dit zal anders weer een verandering voor de kinderen zijn en dat acht de kinderrechter niet in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Van de GI verwacht de kinderrechter dat zij het gesprek met de moeder (en de vader) zal aangaan over hoe de begeleide contactmomenten het beste kunnen worden vormgegeven, zodat er voor iedereen rust is en het contact positief verloopt. Belangrijk is dat de moeder beide kinderen wekelijks blijft zien, samen of apart van elkaar. Verder is het van belang dat de hulpverlening voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt opgestart. Ook verwacht de kinderrechter van de GI dat zij de ouders in deze situatie zullen blijven begeleiden om tot een nieuwe samenwerking te kunnen komen en het ouderschap vorm te geven en dat de GI passende hulpverlening voor de ouders zal inzetten als dat nodig blijkt te zijn. In dat kader merkt de kinderrechter op dat beide ouders hun eigen belangrijkste hulpverleners zijn en dat het helpend zou kunnen zijn als beide ouders, ieder voor zich, gaan afvragen wat zij voor de kinderen én voor de andere ouder kunnen doen om de situatie beter te maken. Tot slot vindt hij het belangrijk dat het onderzoek Goed Genoeg Ouderschap van de vader voor de aflooptermijn van maatregelen zal zijn afgrond, zodat de resultaten daarvan bij een eventuele nieuw in te dienen verzoek kunnen worden besproken.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.6.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, met ingang van 29 maart 2026 en tot 8 mei 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026 door mr. Duinhof, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vork, griffier, en op schrift gesteld op 26 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.