Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3140

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
18 april 2026
Zaaknummer
C/02/444822 JE RK 26-224
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Tempel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Brussel II-terArt. 15 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996Art. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige in perspectiefbiedend pleeggezin

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige die sinds november 2024 in een perspectiefbiedend pleeggezin verblijft. De moeder, belast met het ouderlijk gezag, is volledig uit contact met de GI en de minderjarige, en haar verblijfplaats is onbekend.

De minderjarige vertoont trauma-gerelateerd en hechtingsgestoord gedrag als gevolg van verwaarlozing en mishandeling in het verleden, waaronder het aantreffen van een hennepkwekerij in de woning van de moeder. De pleegouders bieden structuur, veiligheid en continuïteit, en de minderjarige maakt positieve ontwikkelingsstappen.

De Raad voor de Kinderbescherming adviseert verlenging van de maatregelen voor maximaal negen maanden, gezien het lopende onderzoek naar een gezagsbeëindigende maatregel. De kinderrechter bevestigt de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter en past Nederlands recht toe. Gezien de ongewijzigde bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarige en de zorgelijke situatie rondom de moeder, wordt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 28 december 2026.

De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en is mondeling uitgesproken op 18 maart 2026 door kinderrechter Tempel. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige worden verlengd tot 28 december 2026.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/444822 JE RK 26-224
Datum uitspraak: 18 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Tilburg,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI),
over de minderjarige:
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland,
[de pleegouders],
hierna te noemen: de pleegouders,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad, om de kinderrechter over het verzoek te adviseren.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Het procesverloop bestaat uit de volgende stukken:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 9 februari 2026;
  • de brief van de Raad voor de Kinderbescherming van 10 februari 2026, betreffende een toetsing verlenging van de maatregelen na twee jaar;
  • de oproeping van de moeder in de Staatscourant van 18 februari 2026.
1.2.
Op 18 maart 2026 heeft de kinderrechter de zaak behandelend tijdens de zitting met gesloten deuren. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
- de pleegouders;
- een vertegenwoordigster van de GI;
- een medewerkster namens de Raad.
1.3.
Hoewel daartoe correct opgeroepen, is de moeder niet bij de zitting aanwezig. De oproeping van de moeder, die geen bekende woon-of verblijfplaats heeft in Nederland, vond plaats via de Staatscourant. De kinderrechter zet de zitting voort in afwezigheid van de moeder.

2.De feiten

2.1.
De moeder en [minderjarige] hebben de Poolse nationaliteit.
2.2.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.3.
[minderjarige] verblijft sinds 29 november 2024 in een perspectiefbiedend pleeggezin.
2.4.
De kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland heeft bij beschikking van
28 maart 2023 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 28 maart 2024. De kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland heeft vervolgens bij beschikking van 6 september 2023 een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend tot 28 maart 2024. Sindsdien zijn de maatregelen steeds verlengd.
2.5.
Laatstelijk, bij beschikking van 21 maart 2025, heeft de kinderrechter in deze rechtbank de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 28 maart 2025 tot 28 maart 2026. Tevens heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd voor de duur van de ondertoezichtstelling.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar.
3.2.
Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van een jaar.
3.3.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.Het standpunt van de GI

4.1.
Ter onderbouwing van en in aanvulling op het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. [minderjarige] groeide op bij een moeder met trauma-gerelateerde problematiek, druk en onrustig gedrag en problemen met stressregulatie. Dit heeft risico's meegebracht voor [minderjarige] haar ontwikkeling en veiligheid. [minderjarige] is uit huis geplaatst nadat in de ernstig vervuilde woning van de moeder een hennepkwekerij werd aangetroffen. Door de moeder is [minderjarige] verwaarloosd en mishandeld geweest. Gezien wordt dat [minderjarige] trauma-gerelateerd en hechtingsgestoord gedrag vertoont. Zij heeft forse schade opgelopen in haar gevoel van veiligheid.
4.2.
De moeder kampt met psychische klachten, ADHD en vermoedelijk verslavingsproblematiek. Zij is meerdere keren dakloos geweest en heeft een belast verleden. De moeder is in het verleden terechtgekomen in het circuit van mensenhandel en prostitutie. Op dit moment heeft de moeder geen contact met de GI. Ook is niet bekend waar de moeder nu is. De moeder is niet bereikbaar en beschikbaar voor [minderjarige] . Tussen de moeder en [minderjarige] is er ruim anderhalf jaar geen contact meer. De moeder kon zich niet vinden in de plaatsing van [minderjarige] bij de huidige pleegouders.
4.3.
Sinds 29 november 2024 woont [minderjarige] bij de pleegouders. Dit betreft een perspectief biedend pleeggezin. [minderjarige] ontwikkelt zich daar goed. Zij is zindelijk
geworden, haar spraak is verbeterd en zij maakt een fysieke inhaalslag. [minderjarige] toont minder
grenzeloos gedrag. De pleegouders bieden [minderjarige] structuur, veiligheid en continuïteit. [minderjarige] reageert positief op hen en toont hechting. De GI heeft formeel besloten dat [minderjarige] niet bij moeder zal opgroeien en heeft aangekondigd een verzoek tot gezagsbeëindiging bij de Raad in te dienen. Het onderzoek van de Raad loopt inmiddels. Voor [minderjarige] is het belangrijk dat zij in het huidige pleeggezin kan blijven wonen en vandaaruit speltherapie gaat krijgen.
4.4.
In afwachting van het onderzoek van de Raad naar een gezagsbeëindigende maatregel dienen de maatregelen te worden verlengd. De GI heeft verzocht om de maatregelen te verlengen voor de duur van één jaar. Dit is wellicht wat lang, omdat de Raad het onderzoek al heeft gestart.

5.De standpunten van de belanghebbenden en het advies van de Raad

5.1.
De pleegouders brengen, samengevat, naar voren dat zij het eens zijn met het verzoek. Op dit moment gaat het goed met [minderjarige] . Zij doet het goed op school en gaat mee in het regulier onderwijs. Binnenkort zal speltherapie starten. Er is vervangende toestemming nodig geweest van de rechtbank om een identiteitsbewijs voor [minderjarige] aan te vragen. Hoewel die toestemming is verleend, zijn de pleegouders nog in afwachting van een beoordeling van de aanvraag door de IND. De pleegouders hopen dat [minderjarige] binnenkort gaat beschikken over een vreemdelingendocument en zij bijvoorbeeld samen met [minderjarige] op vakantie kunnen naar het buitenland. De pleegouders bevestigen dat het raadsonderzoek is gestart. Zij hebben in dat kader een afspraak met de Raad gepland staan.
5.2.
De Raad heeft de kinderrechter schriftelijk geadviseerd om de maatregelen te verlengen voor de duur van maximaal negen maanden. Het onderzoek van de Raad naar een gezagsbeëindiging van de moeder is gestart. Tijdens de zitting vult de Raad hierop aan dat het onderzoek in volle gang is. De Raad heeft pogingen gedaan om met de moeder in contact te komen, echter tot op heden zonder resultaat. De Raad verwacht, als alles gaat zoals nu, dat het onderzoek over uiterlijk drie maanden is afgerond. Daarna moet het verzoek bij de rechtbank worden ingediend en moet er een zitting worden gepland.

6.De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht
6.1.
De kinderrechter stelt vast dat de moeder en [minderjarige] de Poolse nationaliteit hebben.
Door die omstandigheid dient eerst de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse
rechter internationaal bevoegd is ten aanzien van het verzoek van de GI.
6.2.
Op grond van artikel 7 Brussel Pro II-ter zijn ter zake de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt.
6.3.
Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige] zich in Nederland bevindt, is de Nederlandse rechter krachtens artikel 7 lid 1 Brussel Pro II-ter internationaal bevoegd om kennis te nemen van het verzoek.
6.4.
Ingevolge het bepaalde in artikel 15 lid 1 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 past de bevoegde rechter zijn interne recht toe. Dit betekent in de onderhavige zaak dat de Nederlandse rechter het Nederlandse recht toepast. Het voorliggende verzoek zal daarom worden beoordeeld naar Nederlands recht.
Wat zegt de wet?
6.5.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
6.6.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
6.7.
Op grond van artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
6.8.
Artikel 1:265c lid 2 BW bepaalt dat de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens kan verlengen met ten hoogste een jaar.
Inhoudelijke beoordeling
6.9.
De kinderrechter kan hier kort zijn. De situatie zoals deze was ten tijde van de vorige beschikking van 21 maart 2025 is ongewijzigd gebleven: [minderjarige] wordt nog altijd in haar ontwikkeling bedreigd. Hoewel gezien wordt dat [minderjarige] positieve stappen zet in haar ontwikkeling, heeft zij door wat zij in haar korte leven heeft meegemaakt last van een verstoorde sociaal-emotionele ontwikkeling. Ook haar veiligheidsgevoel is ernstig verstoord geraakt. [minderjarige] vertoont trauma-gerelateerd en hechtingsgestoord gedrag waarvoor speltherapie zal worden ingezet.
6.10.
De situatie rondom de moeder is wel gewijzigd, in die zin dat zij uit contact met de GI is gegaan. Onbekend is waar de moeder verblijft. De moeder toont zich hiermee niet meer bij [minderjarige] betrokken. Inmiddels is er ruim anderhalf jaar geen contact meer tussen de moeder en [minderjarige] . De moeder is bekend met forse persoonlijke problematiek op verschillende domeinen. In het verleden heeft zij laten zien niet te kunnen denken in het belang van [minderjarige] en haar eigen behoeften voorop te zetten. Daar komt bij dat zij zich eerder ambivalent toonde ten aanzien van hulpverlening en inmiddels bij hulpverlening en de GI volledig uit beeld is geraakt. De kinderrechter acht dit een zorgelijke situatie.
6.11.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter dan ook genoodzaakt om de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen. Betrokkenheid van de GI blijft nodig, zodat er zicht blijft op haar ontwikkeling en de juiste hulpverlening ingezet kan (blijven) worden.
6.12.
Ook ten aanzien van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing is de kinderrechter hier kort. De plaatsing van [minderjarige] bij de pleegouders, een perspectiefbiedend pleeggezin, moet gecontinueerd worden. Gezien wordt dat [minderjarige] zich bij de pleegouders goed ontwikkelt en de pleegouders daartoe alles in het werk stellen.
6.13.
Het voorgaande betekent dat beide maatregelen zullen worden verlengd.
Duur van de maatregelen
6.14.
Inmiddels is bekend dat de Raad is gestart met een onderzoek naar een gezagsbeëindigende maatregel voor de moeder. Dit onderzoek is gaande. Tijdens de zitting is besproken dat het onderzoek naar verwachting drie maanden in beslag zal nemen, waarbij ook een slag om de arm moet worden gehouden en externe factoren voor vertraging kunnen zorgen. Na afronding van het onderzoek dient ook ruimte te worden gehouden voor indiening van een verzoek bij de rechtbank en vervolgens voor het plannen van een zitting. De Raad adviseert dan ook om de maatregelen te verlengen voor de duur van negen maanden. De kinderrechter zal dit advies volgen en gaat ervan uit dat er binnen deze periode duidelijkheid bestaat over een gezagsbeëindigende maatregel voor de moeder.
6.15.
Dit betekent dat de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] zal verlengen met ingang van 28 maart 2026 tot 28 december 2026. De machtiging tot uithuisplaatsing zal worden verlengd voor dezelfde periode.
Uitvoerbaar bij voorraad
6.16.
De beslissing zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard zoals is verzocht door
de GI. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 28 maart 2026 tot 28 december 2026;
7.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 28 maart 2026 tot 28 december 2026;
7.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
7.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026 door mr. Tempel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vos als griffier, en op schrift gesteld op 26 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.