De zaak betreft een verzoek van de Stichting Jeugdbescherming West Zeeland tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2011. De minderjarige verblijft sinds april 2025 in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. De moeder erkent de situatie, wenst terugkeer van de minderjarige zodra zij elders woont, maar voert geen verweer tegen het verzoek.
Tijdens de zitting heeft de kinderrechter met de minderjarige gesproken, die haar wens uitte om na de zomervakantie terug te keren naar Zeeland en niet willekeurig te worden overgeplaatst. De kinderrechter constateert dat de minderjarige het momenteel goed heeft, maar dat het verblijf ver van haar netwerk plaatsvindt en dat er nog steeds zorgen zijn. De GI heeft meerdere aanmeldingen gedaan voor een passende vervolgplek, bij voorkeur een kleinschalig gezinshuis of woongroep.
De kinderrechter is ontevreden over de onderwijssituatie van de minderjarige, die sinds mei 2025 onzeker is over haar schoolopleiding en niet naar school gaat. De betrokken instanties hebben volgens de rechter onvoldoende adequaat gehandeld. De kinderrechter dringt aan op een schriftelijke rapportage van de GI over de tekortkomingen en op een gezamenlijke inspanning van school, hulpverlening en GI om de minderjarige zo snel mogelijk passend onderwijs te bieden.
De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing voor de periode van 25 maart 2026 tot 25 juni 2026 en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad vanwege het belang van de ontwikkeling van de minderjarige. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.