Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3137

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
18 april 2026
Zaaknummer
C/02/434702 / JE RK 25-772
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Duinhof
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 1:265b BWArt. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing minderjarige

De zaak betreft een verzoek van de Stichting Jeugdbescherming West Zeeland tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2011. De minderjarige verblijft sinds april 2025 in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. De moeder erkent de situatie, wenst terugkeer van de minderjarige zodra zij elders woont, maar voert geen verweer tegen het verzoek.

Tijdens de zitting heeft de kinderrechter met de minderjarige gesproken, die haar wens uitte om na de zomervakantie terug te keren naar Zeeland en niet willekeurig te worden overgeplaatst. De kinderrechter constateert dat de minderjarige het momenteel goed heeft, maar dat het verblijf ver van haar netwerk plaatsvindt en dat er nog steeds zorgen zijn. De GI heeft meerdere aanmeldingen gedaan voor een passende vervolgplek, bij voorkeur een kleinschalig gezinshuis of woongroep.

De kinderrechter is ontevreden over de onderwijssituatie van de minderjarige, die sinds mei 2025 onzeker is over haar schoolopleiding en niet naar school gaat. De betrokken instanties hebben volgens de rechter onvoldoende adequaat gehandeld. De kinderrechter dringt aan op een schriftelijke rapportage van de GI over de tekortkomingen en op een gezamenlijke inspanning van school, hulpverlening en GI om de minderjarige zo snel mogelijk passend onderwijs te bieden.

De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing voor de periode van 25 maart 2026 tot 25 juni 2026 en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad vanwege het belang van de ontwikkeling van de minderjarige. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige tot 25 juni 2026 en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/434702 / JE RK 25-772
Datum uitspraak: 18 maart 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een verlenging van de ondertoezichtstelling en over een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Middelburg,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. R. Wouters uit Middelburg.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van de kinderrechter van 23 december 2025 en alle daarin genoemde stukken;
  • de briefrapportage met bijlagen van de GI, ontvangen op 13 maart 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van 25 oktober 2022 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 25 oktober 2022 en tot 8 november 2022. Tevens is een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg of een gezinshuis verleend met ingang van 25 oktober 2022 en tot 8 november 2022.
2.3.
Bij beschikking van 3 november 2022, hersteld bij beschikking van 1 december 2022, is de voorlopige ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 25 december 2022.
2.4.
Bij beschikking van 22 december 2022 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 25 december 2022 en tot 25 december 2023. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 25 maart 2025.
2.5.
Bij beschikking van 22 december 2022 is ook een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 25 december 2022 en tot 25 juni 2023. Deze machtiging is daarna verlengd tot 1 september 2023.
2.6.
Bij beschikking van 5 april 2024 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 5 april 2024 en tot 25 juni 2024.
Deze machtiging is daarna verlengd, voor het laatst tot 25 juni 2025.
2.7.
Bij beschikking van 8 mei 2025 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 8 mei 2025 tot 25 juni 2025. Deze machtiging is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 25 maart 2025 onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.
2.8.
[minderjarige] verblijft sinds 25 april 2025 bij [accommodatie] in [plaats 1] .

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Ter beoordeling ligt nog voor de periode voor de duur van zes maanden, te weten met ingang van 25 maart 2026 en tot 25 juni 2026.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het verzoek. In aanvulling op de briefrapportage benoemt de GI dat het regelen van onderwijs voor [minderjarige] het grootste aandachtspunt blijft. [minderjarige] is aangemeld bij [leerboerderij] en op 2 april 2026 staat er een intake gepland. Als tweede optie wil de GI [minderjarige] aanmelden bij het [collega] , maar daar zou [minderjarige] pas vanaf september kunnen instromen. [persoon] dient hiervoor samen met de hulpverlening het benodigde formulier in te vullen. Verder heeft de GI, na telefonisch contact met de Inspectie van het Onderwijs, besloten om geen melding te gaan doen. Dit omdat niet te achterhalen is wie nalatig is geweest en een melding er niet voor zorgt dat er voor [minderjarige] een oplossing komt. Verder heeft [persoon] recent een IQ onderzoek bij [minderjarige] uitgevoerd. De resultaatbespreking moet nog plaatsvinden. Voor wat betreft een vervolgplek voor [minderjarige] zijn er drie aanmeldingen binnen Zeeland gedaan, te weten bij [hulpverlening 1] , [hulpverlening 2] en [hulpverlening 3] . De GI vindt het voor [minderjarige] het meest passend als zij bij een kleinschalige gezinshuis of woongroep terecht komt. Belangrijk hierbij is om de wensen van [minderjarige] serieus te nemen.
4.2.
Door en namens de moeder is aangegeven dat de moeder moeite met het verzoek heeft, maar dat zij begrijpt dat dit voor nu de realiteit is en daarom geen verweer voert. Het liefst wil de moeder dat de situatie is zoals die was, maar zij begrijpt dat er geen andere mogelijkheden zijn. [minderjarige] kan nu niet terug naar de moeder. Wel heeft de moeder veel zorgen over [minderjarige] , vooral als het gaat om het niet volgen van onderwijs. De moeder vindt het belangrijk dat er een duidelijk plan voor [minderjarige] komt, zowel voor wat betreft school als waar zij moet gaan wonen. Zodra de moeder ergens anders woont, wil de moeder dat [minderjarige] weer thuis komt wonen. De moeder moet zich nog inschrijven voor een nieuwe woning.
4.3.
[minderjarige] heeft tijdens het gesprek met de kinderrechter aangegeven dat zij het liefst terug wil naar hoe het was, maar zij begrijpt dat dat niet kan. Tot na de zomervakantie wil [minderjarige] bij [accommodatie] blijven en daarna wil zij terug naar Zeeland. Hier moet een plan voor komen. [minderjarige] wil niet meer random, zonder voorbereiding, worden overgeplaatst. Een klein gezinshuis of een kleine woongroep lijkt [minderjarige] goed. Verder is het contact met de moeder positiever en vindt [minderjarige] het fijn om bijna dagelijks telefonisch contact met haar te hebben. Zij hebben elkaar al een langere tijd niet gezien, omdat eerdere bezoeken niet altijd goed zijn verlopen. Ook wil [minderjarige] heel graag naar school. Zij heeft nu een dagschema, maar dat is erg streng en verder heeft zij geen enkel contact met school. Binnenkort heeft zij een intake bij [leerboerderij] . Verder heeft [minderjarige] slaapproblemen, waar zij hulp bij zou willen krijgen en zou [minderjarige] meer duidelijkheid willen over wat de GI allemaal voor haar aan het doen en regelen is.

5.De beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond als bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond als bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Inhoudelijke beoordeling
5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat is voldaan aan wettelijke criteria en zal het – onweersproken – verzoek tot het verlengen van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder toewijzen, met ingang van 25 maart 2026 en tot 25 juni 2026. Hij legt deze beslissing hierna uit.
5.4.
Gebleken is dat het nog steeds goed gaat met [minderjarige] bij [accommodatie] , maar ook dat het voor [minderjarige] moeilijk blijft dat zij ver van haar vrienden en familie woont. Zij heeft in [plaats 1] geen netwerk. Met de aanwezigen is de kinderrechter van oordeel dat er nog steeds zorgen over [minderjarige] zijn en dat er voor nu geen andere mogelijkheden dan [accommodatie] voor [minderjarige] zijn. Zij kan op dit moment niet terug naar de moeder, zoals de moeder zelf ook tijdens de zitting heeft aangegeven. Dat maakt dat de kinderrechter het noodzakelijk in het belang van de opvoeding en verzorging van [minderjarige] vindt om beide maatregelen te verlengen voor de duur zoals verzocht. De kinderrechter is verder van oordeel dat de GI in de afgelopen periode voldoende actief en oplossingsgericht is geweest en dat [minderjarige] daarmee wordt geholpen. Zo heeft [minderjarige] sinds kort een eigen bankrekening en heeft de GI, als het gaat over de vervolgplek voor [minderjarige] , drie aanmeldingen binnen Zeeland gedaan. De GI denkt hierbij aan een kleinschalig gezinshuis of een kleinschalige woongroep. Dat lijkt de kinderrechter ook een goed idee. Tijdens het gesprek met de kinderrechter heeft [minderjarige] aangegeven dat zij hier ook achter staat. [minderjarige] heeft tijdens het kindgesprek verder aangegeven dat zij graag tot na de zomervakantie bij [accommodatie] wil blijven wonen en dat er een plan moet komen voor de overplaatsing. [minderjarige] wil niet random worden overgeplaatst. De kinderrechter begrijpt dit en vindt het belangrijk dat de GI gaat werken aan een plan. Met de GI vindt de kinderrechter het ook van belang dat er goed naar de wensen van [minderjarige] ten aanzien van de vervolgplek wordt geluisterd en dat, waar mogelijk, bij haar wensen wordt aangesloten. Ook lijkt het contact tussen de moeder en [minderjarige] iets te zijn verbeterd. [minderjarige] heeft verteld dat zij via de telefoon dagelijks contact met de moeder heeft en dat vindt zij fijn. Verder vindt de kinderrechter het belangrijk dat de hulpverlening voor [minderjarige] wordt voortgezet dan wel wordt ingezet en dat er ook aandacht is voor de slaapproblemen van [minderjarige] , zoals zij zelf tijdens het kindgesprek heeft aangegeven.
5.5.
Ondanks de hierboven genoemde positieve ontwikkelingen is de kinderrechter absoluut niet tevreden over de onderwijssituatie van [minderjarige] . Hij herhaalt dat de overige betrokken instanties (de leerplicht van zowel [plaats 1] als [plaats 2] , de beide in die regio betrokken samenwerkingsverbanden, de oude school in [plaats 2] en [accommodatie] ) niet adequaat en op maat hebben gehandeld in deze casus, als gevolg waarvan [minderjarige] sinds mei 2025 in onzekerheid is over haar schoolopleiding en zij – ook in de afgelopen periode – vanuit verveling in onwenselijke situaties verzeild geraakt. Dit blijft de kinderrechter buitengewoon kwalijk vinden. Wel is gebleken dat [minderjarige] recent is aangemeld voor [leerboerderij] en dat er op 2 april 2026 een intake staat gepland. Dat vindt een kinderrechter fijn om te horen. Hij kan zich echter niet vinden in de vaststelling van de GI dat de inspecties voor onderwijs en jongerenzorg in deze situatie niets kunnen doen. De kinderrechter vindt het van groot belang dat de GI op schrift gaat stellen wat er in de afgelopen periode mis is gegaan, om dat samen met de beschikkingen van de kinderrechter naar de inspecties te sturen. Het hebben van een telefonisch overleg met iemand van de Inspectie van het Onderwijs, zonder dat duidelijk is wie dit was of welke informatie of bevoegdheden deze persoon heeft, vindt de kinderrechter onvoldoende. Temeer nu de situatie waar [minderjarige] in verkeert niet in haar belang en zelfs schadelijk voor haar ontwikkeling is. [minderjarige] gaat al een geruime tijd niet naar school en passende dagbesteding blijft ook uit, ondanks dat zij zelf graag naar school wil. Belangrijk is dat de school, de hulpverlening en de GI er samen voor zorgen dat [minderjarige] op de kortst denkbare termijn terug naar een passende vorm van onderwijs wordt begeleid.
5.6.
De kinderrechter benadrukt verder dat [minderjarige] een ambitieuze, intelligente jongedame is. Zij heeft weliswaar een forse problematiek, maar het gaat niet aan om haar weg te zetten als probleemgeval. De kinderrechter vindt het zeer belangrijk dat alle betrokken instanties waaronder de scholen, maar ook de inspecties voor onderwijs en jeugdzorg vanuit die insteek voortvarend werken aan een oplossing van de situatie. De situatie waarin scholen geen toelaatbaarheidsverklaring (willen) invullen of de inspectie het belang van deze casus niet inziet, kan op geen enkele manier acceptabel worden geacht. Aan de GI geeft de kinderrechter tot slot nog mee dat hij zich kan vinden in de doelstellingen van de GI en roept hij de GI op om, waar nodig en mogelijk, een extra inspanning te leveren. Belangrijk is dat er stappen in het belang van [minderjarige] gezet blijven worden en zij op die manier haar ambities kan blijven vasthouden.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.7.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 25 maart 2026 en tot 25 juni 2026;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 25 maart 2026 en tot 25 juni 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026 door mr. Duinhof, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vork, griffier, en op schrift gesteld op 26 maart 2026.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.