Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3136

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
18 april 2026
Zaaknummer
C/02/436442 / FA RK 25-2992
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • De Beer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 7 lid 1 Brussel II-terArt. 15 jo. 17 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996Art. 1:253a lid 1 BWArt. 1:253a lid 5 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking over zorgregeling en hoofdverblijf minderjarige met inschrijving GBA en verwijzing kinderbijdrage

Partijen, ouders van een minderjarige geboren in 2023, hebben een affectieve relatie gehad en gezamenlijk het ouderlijk gezag. De minderjarige verblijft bij de vrouw, maar partijen zijn overeengekomen dat de zorg- en opvoedingstaken gelijk verdeeld worden volgens een week-op-week-af regeling met wisselmomenten op donderdag na het kinderdagverblijf.

De man verzocht om wijziging van de zorgregeling naar een week-op-week regeling met wissel op dinsdag en om inschrijving van de minderjarige in de gemeentelijke basisadministratie (GBA) op zijn adres. De vrouw verzocht afwijzing van deze verzoeken en stelde dat de inschrijving bij haar moet blijven, mede omdat de minderjarige het merendeel van de tijd bij haar verblijft.

De rechtbank oordeelt dat de Nederlandse rechter bevoegd is en Nederlands recht van toepassing is. Tijdens de zitting bereikten partijen overeenstemming over de zorgregeling en vakanties, die de rechtbank vaststelt. De rechtbank bepaalt dat de minderjarige in de GBA op het adres van de vrouw blijft ingeschreven, omdat dit rust en continuïteit in de hulpverlening bevordert. Het verzoek tot vaststelling van kinderalimentatie wordt verwezen naar de familiekamer. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank stelt de zorgregeling vast conform de overeenstemming, bepaalt inschrijving in de GBA op het adres van de vrouw en verwijst het verzoek tot kinderbijdrage naar de familiekamer.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/436442 / FA RK 25-2992
Datum uitspraak: 18 maart 2026
Beschikking betreffende zorgregeling en hoofdverblijf
in de zaak van
[de man],
hierna te noemen: de man,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. H.J.P.M. van Berckel-van der Rijken te Breda,
tegen
[de vrouw] ,
hierna te noemen: de vrouw,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. M. Leimena te Dordrecht,
betreffende de minderjarige:
[minderjarige] ,geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2023.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over de verzoeken te adviseren.

1.Het procesverloop

1.1
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- het op 2 juni 2025 ontvangen verzoekschrift vaststelling zorgregeling en inschrijving GBA, met bijlagen;
- het op 6 februari 2026 ontvangen F9-formulier van mr. Van Berckel-Van der Rijken, met als bijlage het aanvullende verzoekschrift;
- het op 12 februari 2026 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek tot vaststelling kinderalimentatie, met bijlagen;
- het op 25 februari 2026 ontvangen F9-formulier van mr. Van Berckel-Van der Rijken, met bijlagen;
- het op 3 maart 2026 ontvangen F9-formulier van mr. Van Berckel-Van der Rijken;
- het op 3 maart 2026 ontvangen F9-formulier van mr. Leimena, met bijlagen.
1.2
De verzoeken zijn mondeling behandeld op de zitting van 11 maart 2026. Bij die zitting zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad.

2.De feiten

2.1
Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie het navolgende, thans nog minderjarige kind is geboren:
[minderjarige]
,geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2023, hierna te noemen: [minderjarige] .
2.2
De minderjarige verblijft bij de vrouw.
2.3
De man heeft de minderjarige erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het
ouderlijk gezag over de minderjarige.
2.4
Partijen hebben op 30 augustus 2024 een ouderschapsplan ondertekend. Hieruit volgt dat partijen zijn overeengekomen dat het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vrouw is en dat de zorg- en opvoedingstaken evenredig tussen partijen worden verdeeld in de vorm van co-ouderschap, inhoudende dat:
  • [minderjarige] één keer per veertien dagen van woensdag 17:00 uur tot zondag 17:00 uur bij de man verblijft, waarbij de man [minderjarige] ophaalt bij de vrouw en de vrouw [minderjarige] ophaalt bij de man;
  • [minderjarige] één keer per veertien dagen van woensdag 17:00 uur tot vrijdag 17:00 uur bij de man verblijft, waarbij de man [minderjarige] ophaalt bij de vrouw en de vrouw [minderjarige] ophaalt bij de man;
  • [minderjarige] zit op maandag en dinsdag op het kinderdagverblijf in [woonplaats 2] en op donderdag op het kinderdagverblijf in [woonplaats 1] ;
  • De vakanties en feestdagen zullen in onderling overleg worden verdeeld.
2.5
Bij vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 17 februari 2026 is bepaald dat er een voorlopige verdeling van zorg- en opvoedingstaken tussen partijen zal gelden conform de afspraken zoals opgenomen onder r.o. 4.5 van dit vonnis. Ook zijn partijen verwezen naar het UHA.
2.6
De vrouw heeft de Poolse nationaliteit, de man en de minderjarige hebben de Nederlandse nationaliteit.

3.De verzoeken

3.1
De man verzoekt, na aanvulling, bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. De inschrijving van [minderjarige] in de gemeentelijke basis administratie bij de man te bepalen;
II. De zorgregeling te wijzigen en te bepalen dat [minderjarige] voortaan gedurende een week bij de man verblijft en vervolgens een week bij de vrouw, met een wissel op dinsdag of een andere dag in de week, door de rechtbank in goede justitie te bepalen;
III. Een zorgregeling vast te stellen omtrent de schoolvakanties en feestdagen
waarbij zoveel mogelijk aansluiting wordt gezocht bij de (toekomstige)
schoolvakanties van [minderjarige] , zoals hierna nader omschreven, althans een zodanige
regeling te treffen als de rechtbank in het belang van de minderjarige juist acht:
Voorjaarsvakantie
Conform geldende zorgregeling.
Meivakantie
Conform geldende zorgregeling.
Zomervakantie
De zomervakantie wordt bij helfte verdeeld tussen partijen. In de even jaren verblijft [minderjarige] de
eerste drie weken bij de man en de laatste drie weken bij de vrouw. In de oneven jaren
verblijft [minderjarige] de eerste drie weken bij de vrouw en de laatste drie weken bij de man. De wissel
vindt plaats conform de zorgregeling op het kinderdagverblijf.
Herfstvakantie
Conform geldende zorgregeling.
Kerstvakantie
In de even jaren verblijft [minderjarige] de gehele kerstvakantie bij de vrouw. In de oneven jaren verblijft [minderjarige] de gehele kerstvakantie bij de man.
Pasen
Conform geldende zorgregeling.
Hemelvaart
Indien wisseldag op donderdag valt, de wissel verplaatsten naar de dinsdag ervoor of erna
via het kinderdagverblijf.
Sinterklaas
Conform geldende zorgregeling.
Koningsdag
Conform geldende zorgregeling.
Verjaardag [minderjarige]
In de even jaren verblijft [minderjarige] bij de vrouw. In de oneven jaren verblijft [minderjarige] bij de man. Indien de omgangsregeling hiervoor aangepast dient te worden, dan wisselen verplaatsen naar een dag ervoor of erna waarop [minderjarige] naar het kinderdagverblijf gaat.
Verjaardag vader
[minderjarige] verblijft bij de man. Indien de verjaardag van de man op een wisseldag valt, of in de
week bij de vrouw, dan wissel verplaatsen naar een dag ervoor waarop [minderjarige] naar het
kinderdagverblijf gaat.
Verjaardag moeder
[minderjarige] verblijft bij de vrouw. Indien de verjaardag van de vrouw op een wisseldag valt, of in de
week bij de man, dan wissel verplaatsen naar een dag ervoor waarop [minderjarige] naar het
kinderdagverblijf gaat.
3.2
De vrouw voert verweer tegen de verzoeken van de man zoals opgenomen onder I. en II. en verzoekt deze verzoeken af te wijzen.
Bij wijze van zelfstandig verzoek verzoekt de vrouw, bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat:
I. [minderjarige] in de even weken door de man op donderdagmiddag van het KDV in [woonplaats 2] wordt opgehaald en tot met donderdagochtend de week daarop verblijft en door de man op donderdagochtend bij het KDV in [woonplaats 2] wordt gebracht;
[minderjarige] in de oneven weken door de vrouw op donderdagmiddag van het KDV in [woonplaats 2] wordt opgehaald en tot en met donderdagochtend de week daarop bij de vrouw verblijft en door de vrouw op donderdagochtend bij het KDV in [woonplaats 2] wordt gebracht,
althans een regeling door de rechtbank in goede justitie te bepalen;
dat de navolgende vakantieregeling zal gelden:
Voorjaarsvakantie en Herfstvakantie:
in de oneven jaren verblijft [minderjarige] gedurende de hele voorjaarsvakantie bij de vrouw en de herfstvakantie bij de man en in de even jaren vice versa en zo verder.
Meivakantie
In de even jaren verblijft [minderjarige] de eerste week van de Meivakantie bij de de vrouw en de 2e week bij de man en in de oneven jaren vice versa en zo verder.
Zomervakantie
[minderjarige] verblijft in week 1, 5 en 6 tijdens de zomervakantie bij de vrouw en [minderjarige] verblijft in week 2, 3 en 4 bij de man.
Kerstvakantie
[minderjarige] verblijft in de even jaren in de week van Kerst bij de vrouw en in de week van Oud en Nieuw bij de man en in de oneven jaren vice versa.
Pasen
Conform zorgregeling
Hemelvaart
[minderjarige] verblijft in de even jaren bij de vrouw en in de oneven jaren bij de man.
Sinterklaas
[minderjarige] verblijft in de even jaren bij de vrouw en oneven jaren bij de man.
II. te bepalen dat de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] zal voldoen van € 187,00 per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van indiening verzoek, althans een bedrag en ingangsdatum door de rechtbank in goede justitie te bepalen;
III. de man te veroordelen medewerking te verlenen aan het wijzigen van het kinderdagverblijf [woonplaats 1] op donderdag naar het kinderdagverblijf in [woonplaats 2] .
3.3
Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van de verzoeken, hierna ingegaan.

4.De beoordeling

Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht
4.1
De rechtbank stelt vast dat de vrouw de Poolse nationaliteit heeft. Dit brengt mee dat deze zaak een internationaal karakter heeft, waardoor de rechtbank eerst dient te beoordelen of zij bevoegd is om van de verzoeken van partijen in deze zaak kennis te nemen en daarop te beslissen. Indien dit het geval is, dient de rechtbank het toepasselijke recht te bepalen.
4.2
Op grond van artikel 7 lid 1 van Pro de verordening Brussel II-ter zijn in zaken betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid internationaal bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de minderjarige zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. De verzoeken van de vrouw en de man vallen onder deze ouderlijke verantwoordelijkheid. Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarige [minderjarige] in Nederland is gelegen, is de Nederlandse rechter bevoegd om van de verzoeken kennis te nemen en daarop te beslissen.
4.3
Nu de Nederlandse rechter bevoegd is om op het verzoek te beslissen en de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland ligt, zal op grond van artikel 15 jo Pro. 17 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 het Nederlands recht op de verzoeken worden toegepast.
Het juridisch kader
4.4
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Alvorens te beslissen dient de rechter, op grond van artikel 1:253a lid 5 BW, een vergelijk tussen beide ouders te beproeven.
Ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
4.5
Partijen hebben tijdens de zitting aangegeven dat zij niet langer van mening verschillen over de reguliere zorgregeling, in die zin dat er een week-op-week-af-regeling geldt, waarbij het wisselmoment steeds op donderdag plaatsvindt na het kinderdagverblijf. Vervolgens hebben partijen tijdens een schorsing van de zitting overeenstemming bereikt over de verdere invulling van verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Zij hebben de volgende afspraken gemaakt, en verzocht deze afspraken in de beschikking op te nemen:
- Tijdens de meivakantie verblijft [minderjarige] in de even jaren gedurende de eerste week bij de vrouw en gedurende de tweede week bij de man en in de oneven jaren vice versa. Dat komt erop neer dat [minderjarige] dit jaar in de eerste week bij de vrouw is. Partijen spreken daarbij af dat er op 16 april 2026 geen wisselmoment zal zijn. Het wisselmoment zal nu plaatsvinden op 24 of op 28 april 2026, afhankelijk van of de vrouw op vakantie gaat. Vanaf 7 mei 2026 zal de reguliere zorgregeling weer worden hervat.
- Tijdens de zomervakantie verblijft [minderjarige] in de even jaren gedurende de eerste drie weken bij de man en gedurende de laatste drie weken bij de vrouw en in de oneven jaren vice versa. Dat betekent dat [minderjarige] dit jaar van 13 juli 2026 tot 3 augustus 2026 bij de man is en van 3 augustus 2026 tot 24 augustus 2026 bij de vrouw is. Vanaf 27 augustus 2026 zal de reguliere zorgregeling weer worden hervat. Partijen zullen nog afspraken maken over de manier waarop [minderjarige] contact kan onderhouden met de andere ouder tijdens de zomervakantie.
- De herfstvakantie wordt conform de huidige zorgregeling verdeeld nu [minderjarige] nog niet naar school gaat. Als [minderjarige] straks wel naar school gaat, zijn partijen voornemens [minderjarige] tijdens de voorjaarsvakantie bij de ene ouder te laten verblijven en tijdens de herfstvakantie bij de andere ouder, en het jaar daarop vice versa. Partijen zullen dan in het begin van het schooljaar in overleg treden over deze verdeling.
- Tijdens de kerstvakantie verblijft [minderjarige] in de even jaren gedurende de eerste week bij de vrouw en gedurende de tweede week bij de man, en in de oneven jaren vice versa. Dit jaar zal het wisselmoment gelet op de feestdagen plaatsvinden op 28 december 2026.
- [minderjarige] viert zijn verjaardag in de even jaren bij de vrouw en de oneven jaren bij de man.
- De overige bijzondere feestdagen worden conform de huidige zorgregeling tussen partijen verdeeld. Voor wat betreft Hemelvaartsdag zal het wisselmoment worden aangepast.
- [minderjarige] zal voortaan één kinderdagverblijf bezoeken en wel het kinderdagverblijf te [woonplaats 2] , mits hier meer uren kunnen worden ingekocht. Dit gaat de vrouw uitzoeken. De man gaat uitzoeken wat de opzegtermijn van het kinderdagverblijf in [woonplaats 1] is. Aan de hand daarvan en mogelijke extra dagen zal worden bepaald vanaf wanneer [minderjarige] enkel nog naar het kinderdagverblijf in [woonplaats 2] gaat. Partijen zijn het erover eens dat de man voortaan ook inzage krijgt in de app van het kinderdagverblijf in [woonplaats 2] .
Partijen hebben aangegeven dat zij bovengenoemde afspraken als hoofdlijn willen aanhouden. Zij kunnen hier in de toekomst in onderling overleg van afwijken.
4.6
De rechtbank vindt het heel positief dat partijen deze overeenstemming hebben bereikt. Zij hebben hiermee een grote stap gezet en het belang van [minderjarige] voor ogen gehouden. Daarvoor verdienen zij een compliment. Gelet op de tussen partijen bereikte overeenstemming beschouwt de rechtbank de verzoeken van partijen ten aanzien van de zorgregeling en het wijzigen van het kinderdagverblijf als overeenkomstig het vorenstaande gewijzigd. De rechtbank acht het voorts met partijen van groot belang dat zij gaan werken aan het verbeteren van hun onderlinge verstandhouding en communicatie. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat er na of tijdens het traject Samen Scheiden spoedig
Schip-therapievoor partijen wordt ingezet, conform het advies van de Raad. Beide partijen zijn hiertoe bereid.
Ten aanzien van de inschrijving van [minderjarige] in de gemeentelijke basisadministratie
4.7
De rechtbank overweegt als volgt. Beide partijen hebben aangegeven dat er geen hoofdverblijf voor [minderjarige] dient te worden bepaald, omdat er sprake is van een gelijkwaardige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Partijen verschillen wel van mening over op welk adres [minderjarige] in de gemeentelijke basisadministratie ingeschreven moet staan. Het is de rechtbank gebleken dat [minderjarige] op dit moment op het adres van de vrouw in de gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven zonder dat de man daar formeel gezien mee heeft ingestemd. Volgens de man heeft de vrouw de inschrijving van [minderjarige] zonder overleg en zonder toestemming gewijzigd. De man verzoekt daarom [minderjarige] weer op zijn adres in te schrijven, net zoals voorheen het geval was. Daarbij benoemt de man dat [minderjarige] het eerste kind is dat bij hem ingeschreven zou staan, en het derde kind is dat bij de vrouw ingeschreven staat, waardoor het te ontvangen kindgebonden budget hoger uitvalt als [minderjarige] weer op het adres van de man wordt ingeschreven. Dit zal volgens de man leiden tot een financieel gunstigere situatie.
4.8
De vrouw stelt zich op het standpunt dat [minderjarige] bij haar ingeschreven dient te blijven staan. Ter onderbouwing brengt de vrouw naar voren dat de argumenten van de man louter financieel zijn, en dus geen reden zijn om de inschrijving van [minderjarige] in de gemeentelijke basisadministratie te wijzigen. Partijen hebben ook voldoende draagkracht om in de kosten van [minderjarige] te kunnen voorzien en het aandeel van de man in de kosten van [minderjarige] zal enkel groter worden als de man het kindgebonden budget zal ontvangen, aldus de vrouw. Tot slot verblijft [minderjarige] niet het merendeel van de tijd bij de man.
4.9
De Raad adviseert geen hoofdverblijf van [minderjarige] te bepalen, zoals partijen overigens ook aangeven. Er is de afgelopen tijd erg veel gebeurd tussen partijen, maar zij lijken nu weer met de neuzen dezelfde kant op te staan. Dit neemt niet weg dat er de komende tijd nog veel stappen zullen moeten worden gezet met de inzet van hulpverlening. Ondanks dat het het meest in het belang van [minderjarige] is als partijen samen afspraken kunnen maken over onder meer de inschrijving van [minderjarige] in de gemeentelijke basisadministratie, acht de Raad het ook belangrijk dat hier nu duidelijkheid over komt, zodat er op dit punt rust gaat ontstaan.
4.1
De rechtbank zal bepalen dat [minderjarige] op het adres van de vrouw blijft ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie. Deze beslissing acht de rechtbank op dit moment in het belang van [minderjarige] , nu de inschrijving van [minderjarige] op het adres van de vrouw de huidige situatie en de hulpverlening die daarbij hoort, continueert en daarmee voor rust zorgt. Daarbij benadrukt de rechtbank dat deze beslissing enkel en alleen is gebaseerd op praktische onverwegingen en nadrukkelijk niet is gebaseerd op het verleden of de toekomst. Het staat partijen dan ook vrij om hier in de toekomst in onderling overleg van af te wijken. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat inschrijving van [minderjarige] op het adres van de man financieel gunstiger zal uitpakken voor partijen en dus voor [minderjarige] . Nu zijn volgens de rechtbank rust en een betere communicatie tussen partijen het belangrijkste. Als die er zijn, zijn wellicht andere afwegingen denkbaar.
4.11
De rechtbank zal de beslissing in zoverre uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het in het belang van de minderjarige [minderjarige] is dat deze beslissing direct in werking zal treden, ongeacht een eventueel hoger beroep tegen deze beschikking.
Ten aanzien van het zelfstandig verzoek tot het vaststellen van kinderalimentatie
4.12
De rechtbank zal de zaak ten aanzien van de kinderbijdrage aanhouden en verwijzen naar de kamer voor familiezaken. Partijen hebben met deze aanhouding en verwijzing ingestemd. Ter gelegenheid van de zitting hebben de advocaten van partijen in aanvulling daarop aangegeven dat zij naar aanleiding van de beslissing van de rechtbank over de inschrijving van [minderjarige] in de gemeentelijke basis administratie nieuwe berekeningen zullen maken ten aanzien van de kinderbijdrage. Zij verwachten dat partijen vervolgens overeenstemming zullen kunnen bereiken over de hoogte van de kinderbijdrage, waarna de procedure mogelijk schriftelijk kan worden afgedaan. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen de rechtbank hierover uiterlijk op na te noemen datum de familiekamerrol zullen berichten.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1
bepaalt dat er voortaan een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen zal gelden conform de afspraken zoals opgenomen in r.o. 4.5 van deze beschikking;
5.2
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2023 op het adres van de vrouw in de gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven;
5.3
verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;
5.4
verwijst de zaak ten aanzien van de kinderbijdrage naar
de familiekamerrol van [datum] 2026;
5.5
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beschikking is gegeven door mr. De Beer, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026 in tegenwoordigheid van mr. De Haas, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.