Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3129

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
BRE 25/1629
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond tegen aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2020 wegens onjuiste vaststelling

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur inzake de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2020. De inspecteur had het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag afgewezen en het bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2026 behandeld, waarbij belanghebbende niet is verschenen, maar correct was uitgenodigd.

De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk is omdat het beroepschrift tijdig op de post is gedaan en binnen de wettelijke termijn is ontvangen. De inspecteur heeft de aanslag op 1 oktober 2025 verminderd met €947 vanwege scholingsuitgaven, waardoor het beroep in zoverre gegrond is.

Belanghebbende stelde verder te beschikken over diplomatieke status, wat volgens hem tot vernietiging van de aanslag zou moeten leiden wegens schending van diverse wettelijke bepalingen. De rechtbank stelt vast dat belanghebbende dit niet aannemelijk heeft gemaakt en dat de aanslag, zoals verminderd, correct is vastgesteld. De uitspraak op bezwaar wordt vernietigd en de aanslag blijft in stand zoals verminderd. De inspecteur moet het griffierecht vergoeden.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de aanslag IB/PVV 2020 bevestigd zoals verminderd door de inspecteur.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/1629
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 17 april 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 25 oktober 2024.
1.1.
De inspecteur heeft het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV voor het jaar 2020 geheel afgewezen.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] deelgenomen.
1.4.
Namens belanghebbende is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niemand verschenen. De griffier heeft op 16 december 2025 in het digitaal dossier van belanghebbende een bericht geplaatst waarbij belanghebbende is uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Van de plaatsing van dit bericht is op dezelfde datum een notificatie aan belanghebbende verzonden naar het door belanghebbende voor dit doel opgegeven e-mailadres. De rechtbank stelt daarmee vast dat belanghebbende correct en op de juiste wijze voor de zitting is uitgenodigd. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de aanslag IB/PVV 2020 naar de juiste hoogte is opgelegd. Daarvoor beoordeelt de rechtbank eerst of het beroep ontvankelijk is. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep ontvankelijk. De aanslag IB/PVV 2020 is niet naar de juiste hoogte vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Uit de aan de Belastingdienst verstrekte gegevens blijkt dat [b.v.] een bedrag aan loon uit tegenwoordige dienstbetrekking van € 12.974 heeft betaald. Hierop is een bedrag aan loonheffing ingehouden van € 975.
4.1.
Uit de aan de Belastingdienst verstrekte gegevens blijkt dat de gemeente Uden een bedrag aan loon uit vroegere dienstbetrekking heeft betaald van € 9.041. Hierop is een bedrag aan loonheffing ingehouden van € 2.248.
4.2.
Belanghebbende is in bezwaar gegaan tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2020. De inspecteur heeft op 25 oktober 2024 uitspraak op bezwaar gedaan. Op 31 januari 2025 is er een kopie van de uitspraak op bezwaar aan belanghebbende verstuurd.
4.3.
De inspecteur heeft de aanslag IB/PVV 2020 op 1 oktober 2025 zelfstandig verminderd met € 947.

Motivering

Is het beroep ontvankelijk?
5. Voor het indienen van een beroepschrift geldt een termijn van zes weken. [2] Deze termijn begint op de dag na de dagtekening van de uitspraak op bezwaar. [3] Maar als de dagtekening een datum is vóór de datum waarop de uitspraak op bezwaar is verzonden, begint deze termijn op de dag na de dag van verzending. Een beroepschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. [4] Wanneer het beroepschrift (aangetekend of niet-aangetekend) met de gewone post [5] wordt verstuurd, is het bij ontvangst na het einde van de termijn onder voorwaarden ook tijdig ingediend. [6] Die voorwaarden zijn dat het beroepschrift voor het einde van de termijn op de post is gedaan én het niet later dan een week na afloop van de termijn bij de rechtbank is ontvangen. Als op de envelop een leesbaar poststempel is geplaatst, neemt de rechtbank in beginsel aan dat het beroepschrift op die dag op de post is gedaan. De rechtbank wijkt alleen van dit uitgangspunt af als de indiener van het beroepschrift aannemelijk maakt dat het op een eerdere datum op de post is gedaan.
5.1.
Als iemand een beroepschrift te laat indient, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het beroepschrift verontschuldigbaar is. Dan laat de rechtbank niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege. [7]
5.2.
Vast staat dat de dagtekening van de uitspraak op bezwaar 25 oktober 2024 is. De inspecteur heeft na telefonisch contact met belanghebbende een kopie van de uitspraak op bezwaar verzonden op 31 januari 2025 omdat belanghebbende deze eerder niet heeft ontvangen, hetgeen niet in geschil is tussen partijen. De termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde dus op 14 maart 2025. Belanghebbende heeft het beroepschrift met de post verstuurd. Het beroep is bij de rechtbank ontvangen op 18 maart 2025.
5.3.
Uit de poststempel leidt de rechtbank af dat het beroepschrift op 3 maart 2025 op de post is gedaan. Het beroepschrift is naar het oordeel van de rechtbank voor het einde van de beroepstermijn op de post gedaan en binnen een week na afloop van deze termijn ontvangen door de rechtbank. Het beroep is daarom ontvankelijk.
Is de aanslag IB/PVV 2020 naar de juiste hoogte opgelegd?
6. De inspecteur heeft met dagtekening 1 oktober 2025 een verminderingsbeschikking opgelegd. Hierbij zijn de scholingsuitgaven alsnog in aftrek genomen. Omdat de aanslag IB/PVV 2020 verminderd is tijdens de beroepsfase, is het beroep in zoverre gegrond.
6.1.
Belanghebbende stelt, althans zo begrijpt de rechtbank, te beschikken over een geldige diplomatieke status dan wel geregistreerd te zijn als gezinslid van een diplomaat en diplomatieke status te hebben. Omdat de inspecteur uit is gegaan van het tegenovergestelde wordt, aldus belanghebbende, gehandeld in strijd met de artikelen 3:2 Awb, 3:46 Awb en 16 AVG. De aanslag moet dus worden vernietigd, aldus belanghebbende. De inspecteur heeft voorgaande gemotiveerd bestreden.
6.2.
Belanghebbende heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij beschikt over enige diplomatieke status. Belanghebbende heeft daardoor niet aannemelijk gemaakt dat de aanslag IB/PVV 2020, naast de aftrek van scholingsuitgaven, onjuist is vastgesteld. Van schending van de artikelen 3:2 Awb, 3:46 Awb is geen sprake. De vraag of de inspecteur wel of niet de AVG heeft geschonden, is niet van belang voor deze belastingprocedure omdat dat niet kan leiden tot een gegrond beroep in deze zaak. [8] De rechtbank bepaalt daardoor dat de aanslag IB/PVV 2020, zoals deze luidt na de verminderingsbeschikking naar de juiste hoogte is vastgesteld. Al het overige gestelde kan niet een ander oordeel leiden.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond omdat de aanslag IB/PVV 2020 te hoog is vastgesteld. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar en laat de aanslag zoals deze luidt na de verminderingsbeschikking, in stand.
7.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Belanghebbende heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- bepaalt dat de aanslag IB/PVV 2020 en de belastingrentebeschikking zoals verminderd door middel van de verminderingsbeschikking van 1 oktober 2025, in stand blijven;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 53 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter.
De griffier is buiten staat te tekenen
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft pas uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [9]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Gelet op artikel 8:36c, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit volgt uit artikel 6:7 van Pro de Awb.
3.Dit volgt uit artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
4.Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
5.Onder gewone post wordt verstaan door PostNL of door ieder ander bij de Autoriteit Consument en Markt geregistreerd postvervoerbedrijf.
6.Dit volgt uit artikel 6:9, tweede lid, van de Awb.
7.Dit volgt uit artikel 6:11 van Pro de Awb.
8.Zie Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 21 januari 2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:143, r.o.4.2.
9.Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR.