Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3128

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
BRE 25/1423
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2020

Belanghebbende, een zelfstandig ondernemer, maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2020, waarin de inspecteur de helft van een TOZO-uitkering niet tot haar belastbaar inkomen rekende maar aan haar partner toerekende.

De rechtbank oordeelt dat de aanslag naar de juiste hoogte is vastgesteld. Vanwege het verbod op reformatio in peius kan de aanslag niet worden verhoogd zoals belanghebbende verzocht, en zij bracht geen gronden aan die tot verlaging zouden leiden.

Ook het bezwaar tegen de belastingrente wordt ongegrond verklaard, omdat belanghebbende geen zelfstandige gronden tegen de belastingrente aanvoerde. De aanslag en de belastingrente blijven derhalve ongewijzigd.

De rechtbank wijst erop dat belanghebbende het griffierecht niet terugkrijgt en geen proceskostenvergoeding ontvangt. De uitspraak is gedaan door rechter V.A. Burgers en griffier Y. de Vos op 17 april 2026 te Breda.

Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag IB/PVV 2020 wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft ongewijzigd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/1423
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 17 april 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,

(gemachtigde: mr.drs. J.R.P.M. Nielen),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 12 februari 2025.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2020 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 5.096.
1.2.
Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 188 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft namens de inspecteur mr. [inspecteur] deelgenomen. De gemachtigde van belanghebbende heeft zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de aanslag IB/PVV 2020 naar de juiste hoogte is opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is de aanslag IB/PVV 2020 naar de juiste hoogte opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende en haar partner waren in het onderhavige jaar gehuwd.
4.1.
Belanghebbende was in 2020 zelfstandig ondernemer en heeft een aanvraag voor een uitkering op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (TOZO) ingediend.
4.2.
De gemeente heeft een uitkering ter grootte van 100% van de gezinsnorm toegerekend. Deze bedroeg in totaal netto € 4.428. De ingehouden loonheffing bedraagt € 1.560.
4.3.
De inspecteur is afgeweken van de aangifte van belanghebbende en heeft de helft van de uitkering niet meegenomen als belastbaar inkomen maar heeft de partner aangeslagen voor de andere helft.

Motivering

Is slechts de helft van de uitkering terecht tot het belastbare inkomen uit werk en woning van belanghebbende gerekend?
5. Belanghebbende stelt dat ten onrechte slechts de helft van de uitkering tot haar belastbare inkomen uit werk en woning is gerekend. Haar aanslag is dus te laag vastgesteld. De andere helft is ten onrechte tot het belastbare inkomen uit werk en woning van haar partner gerekend.
5.1.
Gelet op het verbod op reformatio in peius kan de rechtbank de aanslag zoals belanghebbende verzoekt niet verhogen. Belanghebbende heeft voorts geen gronden aangebracht die zouden leiden tot de conclusie dat de aanslag te hoog zou zijn. Het beroep is daarom ongegrond.
Belastingrente
6. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de aanslag volgt.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag IB/PVV 2020 in stand blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. de Vos, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.