Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3127

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
BRE 25/2688
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 AWRArt. 3.120 Wet IB 2001Art. 3.119a Wet IB 2001Art. 3.123 Wet IB 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2020 afgewezen wegens ontbreken nieuw feit en onvoldoende bewijs aftrekposten

Belanghebbende was woonachtig in Duitsland en diende voor 2020 een aangifte inkomstenbelasting in met aftrek van rente eigenwoninglening en zorgkosten. De inspecteur legde een navorderingsaanslag op waarbij deze aftrekposten werden afgewezen en belastingrente werd berekend. Belanghebbende maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard.

De rechtbank oordeelt dat de inspecteur terecht navorderingsaanslag en belastingrente heeft opgelegd. De inspecteur beschikte over een nieuw feit, namelijk informatie die tijdens de behandeling van het bezwaar over 2019 naar voren kwam en betrekking had op 2020, waardoor navordering gerechtvaardigd was.

Belanghebbende slaagde er niet in aannemelijk te maken dat de rente op de eigen woninglening en de specifieke zorgkosten aftrekbaar waren. De verstrekte stukken boden onvoldoende inzicht in de financieringsvoorwaarden en de daadwerkelijke betaling van rente, terwijl de zorgkosten niet boven de drempel uitkwamen.

Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard, de navorderingsaanslag blijft in stand en belanghebbende krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de navorderingsaanslag IB 2020 wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/2688
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 17 april 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 29 april 2025.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2020 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting (IB) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 30.900.
1.2.
Gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 129 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben belanghebbende en zijn partner deelgenomen. Namens de inspecteur hebben mr. [inspecteur 1] en drs. [inspecteur 2] deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de navorderingsaanslag IB 2020 en de belastingrentebeschikking terecht en naar de juiste hoogte heeft vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de navorderingsaanslag IB 2020 en de belastingrentebeschikking terecht en naar de juiste hoogte opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende was in de onderhavige periode woonachtig in Duitsland.
4.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte IB 2020 een aftrekbare rente van € 30.317 opgenomen voor de eigen woning. Daarnaast heeft belanghebbende € 15.662 aan zorgkosten opgenomen.
4.2.
De inspecteur heeft op 13 oktober 2023 de aanslag IB/PVV 2020 opgelegd overeenkomstig met de aangifte van belanghebbende.
4.3.
Met dagtekening 19 oktober 2024 heeft de inspecteur een navorderingsaanslag IB 2020 opgelegd nadat tijdens de behandeling van het bezwaarschrift inzake de aanslag IB 2019 op 8 augustus 2024 ook vragen zijn gesteld over de aanslag IB/PVV 2020. Daarbij is het aftrekbare bedrag van de hypotheekrente verminderd naar nihil, het aftrekbare bedrag voor specifieke zorgkosten verminderd naar nihil en heeft de inspecteur vastgesteld dat belanghebbende niet verplicht verzekerd is voor de volksverzekeringen.

Motivering

Beschikt de inspecteur over een navorderingsgrond?
5. De inspecteur kan te weinig geheven belasting navorderen, wanneer enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag op een te laag bedrag is vastgesteld. [1] Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren. Dit is alleen anders wanneer sprake is van kwade trouw bij de belastingplichtige. De bewijslast om aannemelijk te maken dat sprake is van een nieuw feit rust op de inspecteur.
5.1.
De inspecteur stelt dat bij de behandeling van het bezwaarschrift IB 2019 ook vragen zijn gesteld over de IB/PVV 2020 waaruit feiten zijn gekomen waardoor de inspecteur is gaan navorderen over het jaar 2020. Belanghebbende betwist dat sprake is van een nieuw feit.
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank beschikte de inspecteur over een nieuw feit waardoor navorderen mogelijk was op grond van artikel 16, eerste lid, van de AWR. De inspecteur mocht uitgaan van de juistheid van de door belanghebbende ingediende aangifte. Pas later, bij de behandeling van het bezwaarschrift over het jaar 2019, zijn de stukken over het jaar 2020 bekend geworden bij de inspecteur. Dit is een nieuw feit op grond waarvan de inspecteur naar het oordeel van de rechtbank bevoegd was om na te vorderen.
Heeft belanghebbende recht op aftrek rente eigenwoninglening?
6. Tot de aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning behoren onder meer de renten van schulden die behoren tot de eigenwoningschuld. [2] Onder eigenwoningschuld wordt, voor zover hier van belang, verstaan het gezamenlijke bedrag van de schulden die zijn aangegaan in verband met een eigen woning. [3] Daaronder vallen kosten ter verwerving en kosten voor verbetering en onderhoud van de woning. [4] Kosten van verbetering en onderhoud worden slechts als eigenwoningschuld in aanmerking genomen voor zover de verbetering en het onderhoud met schriftelijke stukken worden onderbouwd. [5]
6.1.
De bewijslast voor het aannemelijk maken dat de kosten in aftrek mogen worden genomen ligt bij belanghebbende. Belanghebbende heeft verschillende stukken overgelegd die verband lijken te hebben met de financiering van de eigen woning. Het is de rechtbank echter niet duidelijk geworden hoe het precies zit. Zo is het onduidelijk of de lening voldoet aan de algemene vereisten (looptijd, aflossing) en of belanghebbende daadwerkelijk rente betaald of dat de rente accumuleert zonder betaling. Bij deze stand van zaken acht de rechtbank niet aannemelijk dat belanghebbende recht heeft op aftrek rente eigenwoninglening.
6.2.
De rechtbank benadrukt ook gelet op hetgeen besproken ter zitting dat het aan belanghebbende is om inzichtelijk te maken hoe precies de financiering is geregeld. Belanghebbende stelt dat bepaalde stukken die van belang zijn bij deze procedure bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch liggen. Het ligt op de weg van belanghebbende om de stukken die hij van belang vindt voor zijn standpunten in te brengen in deze procedure en concreet te maken waar precies wat gevonden kan worden ter staving van zijn standpunten.
Heeft belanghebbende recht op aftrek specifieke zorgkosten?
7. Voor de aftrek van specifieke zorgkosten ligt de bewijslast om aannemelijk te maken dat belanghebbende deze kosten heeft gemaakt bij belanghebbende. De kosten moeten zijn gemaakt in verband met ziekte of invaliditeit, de kosten moeten boven een bepaalde inkomensafhankelijke drempel uitstijgen en de kosten moeten op de belastingplichtige drukken.
7.1.
Belanghebbende heeft verschillende bewijsstukken voor de zorgkosten overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende hiermee niet duidelijk gemaakt in hoeverre de kosten op belanghebbende drukken en waar de kosten op zien. Met de inspecteur acht de rechtbank slechts bepaalde kosten aannemelijk gemaakt, maar deze kosten komen niet boven het drempelbedrag uit. Belanghebbende heeft daardoor geen recht op een aftrek specifieke zorgkosten.
Belastingrente
8. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de aanslag volgt.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de navorderingsaanslag IB 2020 in stand blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. de Vos, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).
2.Artikel 3.120 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB).
3.Artikel 3.119a, eerste lid, letter a, van de Wet IB.
4.Artikel 3.119a, tweede lid, letter a en b, van de Wet IB.
5.Artikel 3.123 van de Wet IB.