ECLI:NL:RBZWB:2026:3120

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
BRE 25/1912
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:42 AwbArt. 6:7 AwbArt. 22j Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 6:9 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank vernietigt niet-ontvankelijkverklaring bezwaar parkeerbelasting en beveelt inhoudelijke beslissing

Belanghebbende maakte op 4 december 2024 bezwaar tegen twee naheffingsaanslagen parkeerbelasting, hoewel in het formulier slechts één aanslagnummer werd genoemd. De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens te late indiening. De rechtbank stelt vast dat het bezwaar wel tijdig is ingediend binnen de wettelijke termijn van zes weken na dagtekening van de aanslag.

De rechtbank oordeelt dat het bezwaar zich ook richt tegen de tweede naheffingsaanslag, omdat belanghebbende expliciet stelt dat zij ten onrechte twee parkeerboetes ontving en verzoekt beide ongeldig te verklaren. De heffingsambtenaar had belanghebbende moeten verzoeken het bezwaar te verduidelijken indien onduidelijkheid bestond.

Omdat de heffingsambtenaar geen verweer voerde en geen stukken overlegd, gaat de rechtbank uit van de juistheid van de stellingen van belanghebbende. De niet-ontvankelijkverklaring is daarom onterecht en wordt vernietigd. De heffingsambtenaar moet nu inhoudelijk op het bezwaar beslissen en het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar en beveelt de heffingsambtenaar tot een inhoudelijke beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/1912

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats 1] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Breda, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 3 maart 2025. Het beroep ziet op de naheffingsaanslag parkeerbelasting met [aanslagnummer 1] .
1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaar niet tijdig was ingediend. De rechtbank komt tot het oordeel dat de heffingsambtenaar het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daarom is het beroep kennelijk gegrond.
2.1.
De heffingsambtenaar heeft geen verweer gevoerd en ook niet aan zijn verplichting voldaan om de op de zaak betrekking hebbende stukken in te dienen. [1] De rechtbank is van oordeel dat dit voor risico en rekening van de heffingsambtenaar dient te komen. Aangezien de heffingsambtenaar de standpunten en stukken van belanghebbende niet heeft weersproken, gaat de rechtbank uit van de juistheid daarvan.
Toetsingskader
3. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken. [2] Deze termijn begint op de dag na de dagtekening van het aanslagbiljet of van de voor bezwaar vatbare beschikking. [3] Maar als de dagtekening een datum is vóór de datum waarop dat aanslagbiljet of die beschikking is verzonden, begint deze termijn op de dag na de dag van verzending. Een bezwaarschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. [4]
3.1.
Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, kan het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is anders als het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verontschuldigbaar is. Dan laat het bestuursorgaan niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege. [5]
Is het bezwaarschrift te laat ingediend?
4. Vast staat dat de dagtekening van de naheffingsaanslag 6 december 2024 is. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de verzending ervan later dan die datum heeft plaatsgevonden. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift eindigde dus op 17 januari 2025.
4.1.
Aan belanghebbende is op 5 december 2024 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd voor het niet betalen van parkeergeld op 23 november 2024 ( [aanslagnummer 2] ) en op 6 december 2024 de onderhavige naheffingsaanslag voor het niet betalen van parkeergeld op dezelfde locatie op 24 november 2024. Belanghebbende stelt dat zij tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen de twee naheffingsaanslagen parkeerbelasting en de heffingsambtenaar onterecht alleen is ingegaan op de naheffingsaanslag met [aanslagnummer 2] . Pas nadat nogmaals bezwaar is gemaakt op 26 februari 2025 heeft de heffingsambtenaar uitspraak gedaan over de naheffingsaanslag met [aanslagnummer 1] .
4.2.
Uit de door belanghebbende overgelegde ontvangstbevestiging blijkt dat belanghebbende op 4 december 2024 om 15:38 uur door middel van een digitaal bezwaarformulier bezwaar heeft gemaakt tegen de naheffingsaanslag met [aanslagnummer 2] . In het bezwaarschrift staat:
“Wij hebben ten onrechte 2 parkeerboetes ontvangen m.b.t. de camperplaats, [plaats 2] . Direct na aankomst op 23 november 2024 is 7 euro parkeergeld voldaan. Wij hebben de camperplaats binnen 24 uur weer verlaten, op 24 november. Bijgaand bankafschrift maakt e.e.a. duidelijk. Wij verzoeken u derhalve de boetes direct ongeldig te verklaren en ons te ontslaan van de betaalverplichting.”
4.3.
Hoewel alleen het [aanslagnummer 2] is genoemd in het invulveld, is de rechtbank van oordeel dat het bezwaar van belanghebbende van 4 december 2024 zich ook richt tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting met [aanslagnummer 1] . Belanghebbende geeft immers aan dat zij ten onrechte twee parkeerboetes heeft ontvangen en verzoekt beide boetes ongeldig te verklaren. Indien het de heffingsambtenaar niet duidelijk was tegen welke twee naheffingsaanslagen de bezwaren van belanghebbende waren gericht, had hij belanghebbende in de gelegenheid moeten stellen om het verzuim te herstellen. Aangezien al op 4 december 2024 bezwaar is gemaakt en niet pas op 26 februari 2025, is het bezwaarschrift dus, anders dan de heffingsambtenaar stelt, wel tijdig ingediend.
4.4.
De heffingsambtenaar heeft geen andere reden gegeven waarom het bezwaar niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard. Zo’n andere reden is ook niet op andere wijze gebleken.

Conclusie en gevolgen

5. Het bezwaar is daarom ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is daarom kennelijk gegrond. De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar. De heffingsambtenaar moet alsnog inhoudelijk op het bezwaar beslissen.
5.1.
Omdat beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Belanghebbende heeft geen proceskosten gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart beroep gegrond;
 vernietigt de uitspraak op bezwaar van 3 maart 2025;
 draagt de heffingsambtenaar op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
 bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 53,- aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier, op 16 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:42 van Pro de Awb.
2.Dit volgt uit artikel 6:7 van Pro de Awb.
3.Dit volgt uit artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
4.Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
5.Dit volgt uit artikel 6:11 van Pro de Awb.