Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3107

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
BRE 25/4252
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • N.S.S. Obispo
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:1 AwbArt. 8:1 AwbArt. 8:72 AwbArt. 1:2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank oordeelt dat eisers belanghebbenden zijn bij handhavingsverzoek en vernietigt niet-ontvankelijkheidsbesluit

Eisers dienden een handhavingsverzoek in om groen- en verlichtingselementen te verwijderen die volgens hen in strijd zijn met het bestemmingsplan en hun vrije uitzicht belemmeren. Het college wees het verzoek af en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat eisers geen belanghebbenden zouden zijn.

De rechtbank beoordeelde of eisers als belanghebbenden konden worden aangemerkt. Hierbij werd gekeken naar het afstands- en zichtcriterium, de planologische uitstraling en de gevolgen van enige betekenis voor de woon- en leefsituatie van eisers. De rechtbank concludeerde dat eisers wel degelijk belanghebbenden zijn, mede omdat zij direct zicht hebben op de elementen en het bestemmingsplan een specifieke planologische uitstraling beoogt.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat het college binnen zes weken een nieuw besluit moet nemen waarin het bezwaar inhoudelijk wordt behandeld. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eisers.

De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige belangenafweging bij handhavingsverzoeken en bevestigt dat het belanghebbendenbegrip ruim moet worden geïnterpreteerd wanneer sprake is van directe en betekenisvolle gevolgen voor de woonomgeving.

Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat eisers belanghebbenden zijn en vernietigt het besluit dat het bezwaar niet-ontvankelijk verklaarde, waarna het college het bezwaar inhoudelijk moet behandelen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/4252

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 april 2026 in de zaak tussen

[eisers] , uit [woonplaats] , eisers

(gemachtigde: mr. J.J.J. de Rooij),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Altena, het college

(gemachtigde: mr. M.E. van Velzen - de Boer).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het bezwaar van eisers dat niet-ontvankelijk is verklaard, omdat het college eisers niet als belanghebbenden heeft aangemerkt bij het door hen ingediende handhavingsverzoek. Eisers zijn het niet eens met deze beslissing en voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt of het college het bezwaar van eisers terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Dat doet de rechtbank mede aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eisers belanghebbenden zijn in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)
.Eisers krijgen dus gelijk en het beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd, waarna het college een nieuw besluit moet nemen op het handhavingsverzoek van eisers.
Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 26 september 2024 hebben eisers een handhavingsverzoek ingediend. Dit is op 22 januari 2025 door het college afgewezen en tevens niet-ontvankelijk verklaard. Eisers hebben hiertegen bezwaar gemaakt.
2.1.
Met het bestreden besluit van 11 juli 2025 is het bezwaar van eisers niet-ontvankelijk verklaard.
2.2.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 25 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van het college. Het college werd daarnaast vertegenwoordigd door [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3] .

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of het bezwaar van eisers terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
Totstandkoming van het bestreden besluit
4. Eisers hebben een handhavingsverzoek ingediend om groen- en verlichtingselementen te (laten) verwijderen van de grondwallen tussen de kavels van de woningen aan het [adres 1] en de woningen aan het [adres 2] te [woonplaats] . Zelf wonen eisers aan het [adres 3] . Zij verzoeken dit in verband met de bestemming groenvoorziening, met specificatie grasland. De bewoners van voornoemde kavels zouden de elementen niet zoals bedoeld in hun tuinen hebben gezet, maar op de grondwallen die vrij zouden moeten blijven volgens het bestemmingsplan. De begroeiing ontneemt eisers het vrije uitzicht.
4.1.
Het college heeft op 22 januari 2025 een beslissing genomen. Enerzijds verklaart het college het verzoek niet ontvankelijk, omdat eisers geen belanghebbenden zijn in de zin van de Awb. Daarbij is ingegaan op de vraag of wordt voldaan aan het afstands- en zichtcriterium en of sprake is van gevolgen van enige betekenis. De afstand tussen eisers en de gebieden waar handhaving plaats zou moeten vinden, is zodanig dat de aanwezige begroeiing en objecten voor eisers geen gevolgen van enige betekenis hebben. Anderzijds wijst het college het verzoek af vanwege de geringe ernst en impact van de overtreding op de leefomgeving.
4.2.
Eisers stellen in bezwaar dat de gevolgen voor de woon- en leefsituatie groot zijn, waardoor sprake is van een persoonlijk belang. De gevolgen zijn wel degelijk van enige betekenis, waardoor eisers als belanghebbenden aangemerkt moeten worden. Daarbij is hetgeen is vastgesteld in het bestemmingsplan bedoeld om het planologisch karakter van het [object] te waarborgen. Door enkel uit te gaan van afstand en zicht, gaat het college hieraan voorbij. Het college heeft een plicht om deze regels te handhaven.
4.3.
Met het besluit van 11 juli 2025 verklaart het college het bezwaar van eisers niet-ontvankelijk. Hiermee wijkt het af van het advies van de bezwaarcommissie. Het college blijft bij het standpunt dat eisers geen belanghebbenden zijn, omdat zij geen gevolgen van enige betekenis ondervinden. Daarnaast onderscheiden eisers zich onvoldoende van de andere omwonenden, waardoor geen sprake is van een persoonlijk belang.
Toetsingskader belanghebbendenbegrip
5. Uit artikel 7:1, eerste lid, van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:1, eerste lid, van de Awb, volgt dat uitsluitend een belanghebbende bezwaar kan maken tegen een besluit. Een belanghebbende is degene wiens belang rechtstreeks is betrokken bij een besluit. Dit betekent dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Het criterium “gevolgen van enige betekenis" van de activiteit is een correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis kan niet worden gesproken van een persoonlijk belang. Ter plaatse van de woning of het perceel van betrokkene moeten, naar objectieve maatstaven gemeten, gevolgen van enige betekenis van het besluit kunnen worden ondervonden. In dit geval gaat dat dus om het besluit niet tot handhaving over te gaan.
5.1.
Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor iemands woon-, leef- of bedrijfssituatie zijn, wordt in vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) gekeken naar de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (onder andere geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat. Die factoren worden zo nodig in onderlinge samenhang bekeken. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn. [1]
Zijn eisers belanghebbenden in de zin van de Awb?
6. Eisers stellen belanghebbenden te zijn, omdat zij rechtstreeks zicht hebben op de groen- en verlichtingselementen en het vrije zicht hierdoor wordt beperkt. De groen- en verlichtingselementen leveren een overtreding op van het bestemmingsplan. De afstand tot de grondwallen doet daar niet aan af. Daarnaast is sprake van een negatieve impact op de landschappelijke beleving. De ligging en beleving van het landschap en de cultuurhistorische waarden van zowel de woning van eisers als het [object] maken dat het belang van eisers zich onderscheidt van anderen.
6.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat het zicht van eisers niet van enige betekenis is, vanwege de afstand tot de objecten en vanwege tussengelegen objecten die het zicht verder beperken. Verder doen eventuele objecten op de grondwallen geen afbreuk aan het landschap, vanwege hun geringe omvang/hoogte. Het vrije uitzicht zou nauwelijks beïnvloed worden door de grondwallen.
6.2.
De rechtbank stelt aan de hand van de foto’s in het dossier en van hetgeen hierover ter zitting is besproken het volgende vast:
  • De grondwallen hebben een hoogte van ongeveer 50 centimeter aan de straatkant. De hoogte neemt af richting de polder.
  • Op het perceel van eisers bevinden zich geen bijgebouwen of beplantingen die het zicht van eisers beperken.
  • Het zicht van eisers wordt nauwelijks beperkt door gebouwen of bijgebouwen op de naastgelegen percelen.
  • Vanuit het perceel van eisers zijn hoge bomen zichtbaar. Eisers merken op dat het handhavingsverzoek onder andere op deze bomen toeziet.
6.3.
Voor zover twijfel bestaat of kan worden gesproken van gevolgen van enige betekenis, zouden eisers volgens vaste rechtspraak van de Afdeling het voordeel van de twijfel moeten krijgen. Eisers wonen op een afstand van ongeveer 75, respectievelijk 125, meter van de grondwallen gelegen tussen de percelen aan het [adres 1] en het [adres 2] . Dit is een relatief korte afstand vanaf het perceel van eisers. Hoewel eisers geen volledig zicht hebben op de grondwallen, blijkt uit de foto’s dat een groot deel van de grondwallen te zien is vanaf het perceel van eisers. Hierbij staan de groen- en verlichtingselementen op de grondwallen direct in het zicht. Daar komt bij dat met het [object] , waarbinnen desbetreffende percelen en grondwallen zich bevinden, een specifieke planologische uitstraling is beoogd die kaders heeft gekregen in het bestemmingsplan. De rechtbank bekijkt deze elementen in samenhang en oordeelt dat eisers zich terecht op het standpunt stellen dat zij gevolgen van enige betekenis ondervinden.
6.4.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat eisers moeten worden aangemerkt als belanghebbenden in de zin van de Awb.
6.5.
Deze beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Het college moet het bezwaar namelijk alsnog inhoudelijk beoordelen, omdat deze zaak tot nu toe voornamelijk over de ontvankelijkheid van het bezwaar ging.
7.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het college hiervoor zes weken.
7.2.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding van hun proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 11 juli 2025;
- draagt het college op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eisers moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.S.S. Obispo, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.E. Loontjens, griffier, op 8 april 2026 en openbaar bekend gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 1:2
1. Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
(..)
Artikel 7:1
1. Degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een bestuursrechter in te stellen, dient alvorens beroep in te stellen bezwaar te maken, tenzij:
a. het besluit in bezwaar of in administratief beroep is genomen,
b. het besluit aan goedkeuring is onderworpen,
c. het besluit een goedkeuring of een weigering daarvan inhoudt,
d. het besluit is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4,
e. het besluit is genomen op basis van een uitspraak waarin de bestuursrechter met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, onderdeel a, heeft bepaald dat afdeling 3.4 geheel of gedeeltelijk buiten toepassing blijft,
f. .het beroep zich richt tegen het niet tijdig nemen van een besluit,
g. het besluit is genomen op grond van een voorschrift als genoemd in de bij deze wet behorende Regeling rechtstreeks beroep dan wel het besluit anderszins in die regeling is omschreven.
2. Tegen de beslissing op het bezwaar kan beroep worden ingesteld met toepassing van de voorschriften die gelden voor het instellen van beroep tegen het besluit waartegen bezwaar is gemaakt.
Artikel 8:1
Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.