Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3103

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
C/02/427737 / FA RK 24-4827 en C/02/440945 FA Rk 25-5332
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Hopmans
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 lid 4 RvArt. 828 RvArt. 815 lid 2 RvArt. 10:86 BWArt. 3:185 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding geregistreerd partnerschap met aanhouding verzoeken over kinderen en volledige overeenstemming over verdeling vermogen

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 17 maart 2026 uitspraak gedaan in een zaak betreffende de ontbinding van een geregistreerd partnerschap tussen een man en een vrouw. Beide partijen verzochten de ontbinding wegens duurzame ontwrichting. De rechtbank bevestigde haar rechtsmacht en verklaarde de verzoeken ontvankelijk, ondanks het ontbreken van een ouderschapsplan, omdat redelijkerwijs niet verwacht kon worden dat partijen binnen redelijke termijn een dergelijk plan zouden overleggen.

De verzoeken met betrekking tot de minderjarige kinderen, zoals het ouderschapsplan, hoofdverblijf, zorgregeling en kinderbijdrage, werden aangehouden in afwachting van het verloop van een hulpverleningstraject waar partijen mee instemden. Tijdens de zitting van 26 februari 2026 werd afgesproken dat geen nieuwe procedures over de kinderen zouden worden gestart zolang het traject loopt.

Ten aanzien van de verdeling van het partnerschapsvermogen bereikten partijen volledige overeenstemming. De gemeenschap van goederen werd vastgesteld met peildatum 9 augustus 2024. De woning, hypothecaire lening, bankrekeningen, inboedel, auto’s en scooter werden verdeeld volgens afspraken, waarbij onder meer de vrouw de woning en hypothecaire lening op zich neemt en de man een verrekening ontvangt. De rechtbank wees de verzoeken tot vaststelling van de verdeling af, omdat partijen zelf bindende afspraken hadden gemaakt.

De rechtbank sprak de ontbinding van het geregistreerd partnerschap uit en hield de behandeling van de verzoeken over de kinderen aan. De verzoeken tot vaststelling van de verdeling van het vermogen werden afgewezen. Partijen kunnen tegen deze beschikking binnen drie maanden hoger beroep instellen.

Uitkomst: Ontbinding geregistreerd partnerschap uitgesproken, verzoeken over kinderen aangehouden, verdeling vermogen niet vastgesteld wegens volledige overeenstemming.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
Zaaknummers: C/02/427737 / FA RK 24-4827 (ontbinding geregistreerd partnerschap)
C/02/440945 / FA RK 25-5332 (verdeling partnerschapsgemeenschap)
datum uitspraak: 17 maart 2026 (bij vervroeging)
beschikking betreffende ontbinding geregistreerd partnerschap en verdeling
in de zaak van
[de vrouw],
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. W. Tiggelaar te Middelburg,
en
[de man],
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. W. van der Sande te Goes.
1 Het verdere procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- de tussenbeschikking van de rechtbank van 27 mei 2025 en alle daarin vermelde stukken;
- het op 27 mei 2025 ontvangen aanvullend verzoekschrift tot ontbinding geregistreerd partnerschap (afwikkeling partnerschapsvoorwaarden) met bijlagen;
- het op 7 juli 2025 ontvangen verweerschrift tegen aanvullend verzoek verdeling tevens verzoek vaststelling verdeling ex artikel 3: 185 BW met bijlagen;
- het F-formulier van mr. Tiggelaar van 3 februari 2026;
- het F-formulier van mr. Van der Sande van 11 februari 2026;
- de brief van mr. Tiggelaar van 16 februari 2026 met bijlagen.
1.2 De zaak is (inhoudelijk) behandeld op de zitting van 26 februari 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat.

2.De verdere beoordeling

In zaaknummer C/02/427737 / FA RK 24-4827
Ontbinding geregistreerd partnerschap
2.1.
Beide partijen verzoeken de ontbinding van het door hen aangegane geregistreerd partnerschap uit te spreken. Zij stellen daartoe dat het geregistreerd partnerschap duurzaam is ontwricht.
Rechtsmacht
2.2.
Zoals al overwogen in de tussenbeschikking van 27 mei 2025 komt de
Nederlandse rechter op grond van artikel 4, vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) rechtsmacht toe met betrekking tot de verzoeken tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap, nu dat partnerschap in Nederland is aangegaan.
Ontvankelijkheid
2.3.
Zoals al overwogen in de tussenbeschikking van 27 mei 2025 dient een (inleidend) verzoekschrift tot ontbinding van een geregistreerd partnerschap op grond van artikel 828 Rv Pro jo artikel 815 lid 2 Rv Pro een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen. Tijdens de regiezitting van 8 mei 2025 is vastgesteld dat in deze zaak een door partijen gedragen ouderschapsplan ontbreekt maar dat voldoende aannemelijk is geworden dat van partijen redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat zij binnen een redelijke termijn alsnog een ouderschapsplan overleggen dat voldoet aan alle wettelijke vereisten. De rechtbank heeft partijen bij tussenbeschikking van 27 mei 2025 - ondanks het ontbreken van een ouderschapsplan - dan ook ontvankelijk verklaard in hun verzoeken tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap.
Toepasselijk recht
2.4.
Zoals al overwogen in de tussenbeschikking van 27 mei 2025 is krachtens artikel 10:86 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) Nederlands recht van toepassing op de verzoeken tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap.
Inhoudelijke beoordeling
2.5.
De verzoeken tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap liggen als op de wet gegrond voor toewijzing gereed.
Ouderschapsplan, hoofdverblijf, zorgregeling en kinderbijdrage
2.6.
Bij voornoemde F-formulieren van mrs. Tiggelaar en Van der Sande van respectievelijk 3 en 11 februari 2026 hebben partijen aangegeven dat zij kunnen starten met een traject bij [hulpverlening] en vanuit [hulpverlening] de toezegging is gevraagd dat op de zitting van 26 februari 2026 geen zaken over de kinderen worden besproken en dat ook geen nieuwe procedures worden gestart tijdens dit traject. Beide partijen hebben aangegeven hiermee in te kunnen stemmen en hebben de rechtbank dan ook gevraagd om de verzoeken over de kinderen aan te houden in afwachting van het verdere verloop van het hulpverleningstraject en/of berichtgeving van partijen.
Aanhouding
2.7.
Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank de verzoeken aangaande de minderjarigen (opname ouderschapsplan, vaststelling hoofdverblijf, zorgregeling en kinderbijdrage) op de zitting van 26 februari 2026 niet inhoudelijk behandeld. De rechtbank zal deze verzoeken overeenkomstig het verzoek van partijen aanhouden in afwachting van het verloop en de uitkomst van het inmiddels ingezette traject bij [hulpverlening] en verwijzen naar de
familiekamerrol van [datum] 2026. De rechtbank verzoekt partijen zich uiterlijk op voornoemde roldatum, of zoveel eerder als mogelijk is, uit te laten over de het verloop en de uitkomst van het hulpverleningstraject bij [hulpverlening] , de gevolgen daarvan van de over en weer door hen ingediende verzoeken aangaande de kinderen, alsmede over het door hen gewenste verdere procesverloop ten aanzien van deze verzoeken.
Geldigheidsduur voorlopige voorzieningen
2.8.
Partijen hebben tijdens de zitting afgesproken dat de bij beschikking van 29 januari 2025 getroffen voorlopige voorzieningen ten aanzien van de voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, vakantieregeling en kinderbijdrage op het moment van inschrijving van deze beschikking tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap in de registers van de burgerlijke stand hun werking niet zullen verliezen maar onverminderd van kracht zullen zijn totdat in deze procedure de beslissingen op de verzoeken tot een nevenvoorziening ter zake van hetzelfde onderwerp (zorgregeling en kinderbijdrage) in kracht van gewijsde zijn gegaan, dan wel totdat partijen in onderling overleg anders overeenkomen.
In zaaknummer C/02/440945 / FA RK 25-5332
Verzoek ex art. 22 Rv Pro
2.9.
De vrouw heeft tijdens de zitting haar verzoek om de man op de voet van artikel 22
Rv te veroordelen om het financieel jaaroverzicht van de ING over 2024, de saldo overzichten van een aantal bankrekeningen en de aanslag Sabewa over 2025 in het geding te brengen, ingetrokken. De rechtbank kan dit verzoek dan ook niet meer onderzoeken. Dit verzoek zal dan ook worden afgewezen.
Verdeling partnerschapsgemeenschap
2.10.
Partijen hebben verzocht de verdeling van de ontbonden partnerschapsgemeenschap vast te stellen op de door ieder van hen voorgestane wijze.
Rechtsmacht
2.11.
De verzoeken tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap (en verdeling)
zijn gedaan na 29 januari 2019. Dat betekent dat de vraag welke rechter bevoegd is dient te worden beantwoord aan de hand van de Verordening (EU) 2016/1104 tot uitvoering van de nauwere samenwerking op het gebied van de bevoegdheid, het toepasselijke recht en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van de vermogensrechtelijke gevolgen van geregistreerde partnerschappen (hierna: Verordening vermogensrechtelijke
gevolgen geregistreerde partnerschappen).
2.12.
Niet is gesteld of gebleken dat partijen bij rechtsgeldige overeenkomst de Nederlandse rechter hebben aangewezen voor de kennisneming van het verzoek met betrekking tot hun partnerschapsvermogen. Krachtens artikel 6, onder a van de Verordening vermogensrechtelijke gevolgen geregistreerde partnerschappen heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht ten aanzien van de verzoeken met betrekking tot hun partnerschapsvermogen, nu partijen op het tijdstip van het aanbrengen van de zaak hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden.
Toepasselijk recht
2.13.
Niet is gesteld of gebleken dat partijen ten aanzien van het partnerschapsvermogen een geldige rechtskeuze hebben gedaan. Krachtens artikel 26, lid 1, van de Verordening vermogensrechtelijke gevolgen geregistreerde partnerschappen wordt het partnerschapsvermogen beheerst door het Nederlandse recht, nu volgens dit recht het geregistreerd partnerschap tot stand is gebracht.
Inhoudelijke beoordeling
2.14.
Partijen zijn een geregistreerd partnerschap met elkaar aangegaan op 6 juli 2017. Niet gesteld of gebleken is dat partijen partnerschapsvoorwaarden hebben gemaakt. Gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 BW in samenhang met artikel 1:80b BW - zoals deze artikelen golden tot 1 januari 2018 - moet worden aangenomen dat tussen partijen een wettelijke algehele gemeenschap van goederen bestond. Het uitgangspunt is dat de (door indiening van het verzoekschrift tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap) ontbonden partnerschapsgemeenschap (op grond van artikel 1:100 BW Pro, in samenhang met artikel 1:80b BW zoals deze artikelen golden tot 1 januari 2018), bij helfte tussen partijen moet worden verdeeld.
Peildatum omvang en samenstelling
2.15.
Voor de omvang en samenstelling van de ontbonden gemeenschap geldt als peildatum 9 augustus 2024, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap. Dit is ook niet in geschil tussen partijen.
Peildatum waarde
2.16.
Voor de bepaling van de waarde van de te verdelen goederen geldt in beginsel - voor zover de man en de vrouw niet anders overeenkomen dan wel de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich brengen - de datum van feitelijke verdeling.
Samenstelling van de gemeenschap
2.17.
De vrouw en de man hebben de volgende vermogensbestanddelen ter beoordeling aangedragen:
de gezamenlijke woning aan de [adres] , gemeente Goes (hierna: de woning);
de op de woning rustende hypothecaire geldlening bij Nationale Nederlanden met [leningnummer] ;
de saldi van de bankrekeningen;
e inboedel;
de auto van het merk Mercedes;
de auto van het merk Peugeot;
de scooter.
Overeenstemming
2.18.
De rechtbank heeft de zitting enige tijd geschorst, zodat partijen met elkaar in overleg konden treden over de wijze van verdeling van de gemeenschappelijke goederen en een aantal verrekenposten. Na de schorsing is gebleken dat partijen tot een volledige overeenstemming zijn gekomen. Partijen zijn het volgende met elkaar overeengekomen:
A.
de woning:
- De gezamenlijke woning aan de [adres] , gemeente Goes, wordt aan de vrouw toegedeeld tegen een waarde van € 415.000,=, waarbij de op de woning rustende hypothecaire geldlening bij Nationale Nederlanden met [leningnummer] geheel door de vrouw wordt gedragen en afgelost. Deze toedeling vindt plaats onder de opschortende voorwaarden dat:
a) de notariële levering van de woning aan de vrouw plaatsvindt binnen vier maanden na de datum van deze beschikking, en
b) uiterlijk ten tijde van de notariële levering van de woning aan de vrouw de man wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de op de woning rustende hypothecaire geldlening of de hypothecaire geldlening geheel door de vrouw wordt ingelost;
- De overwaarde van de woning bedraagt (waarde ad € 415.000,00 minus de openstaande hypothecaire geldlening per 1 december 2024 ad € 142.140,73 =)
€ 272.859,27. Aan de man komt toe de helft van dit bedrag ofwel (afgerond)
€ 136.429,00. Op het aan de man toekomende deel van de overwaarde strekt in mindering het hierna onder B., tweede gedachtestreepje, vermelde bedrag van
€ 10.000,00 dat de man uit hoofde van overbedeling ter zake de Mercedes aan de vrouw verschuldigd is. Dit betekent dat de vrouw uiterlijk op het moment van notariële levering van de woning aan haar per saldo een bedrag van
(€ 136.429,00 minus € 10.000,00 =) € 126.429,00 aan de man dient te voldoen;
- Partijen zullen zelf een notaris aanwijzen ten overstaan van wie genoemde werkzaamheden van de levering van de woning zullen plaatsvinden, waarbij alle aan de toedeling van de woning verbonden kosten voor rekening van partijen komen, ieder voor de helft;
de auto’s:
- Partijen zullen de auto’s van het merk Mercedes en Peugeot binnen twee weken na de zittingsdatum van 26 februari 2026 omwisselen in die zin dat de bij de vrouw in gebruik zijnde Mercedes door de vrouw wordt overgedragen aan de man en de bij de man in gebruik zijnde Peugeot door de man wordt overgedragen aan de vrouw;
- Ten aanzien van de Mercedes wordt uitgegaan van een waarde van € 20.000,00, zodat de man uit hoofde van overbedeling een bedrag van € 10.000,00 aan de vrouw moet betalen. Laatstgenoemd bedrag wordt - zoals hiervoor onder A., tweede gedachtestreepje, weergegeven - verrekend met het aan de man toekomende deel van de overwaarde van de woning;
- Zodra de vrouw een eigen vervangende auto heeft, zal de Peugeot worden verkocht aan een derde en zullen partijen de verkoopopbrengst van de Peugeot bij helfte delen;
- De vrouw zal vanaf het moment waarop zij de Peugeot in haar bezit heeft en tot de datum van verkoop van de Peugeot aan een derde de kosten van de motorrijtuigenbelasting en de verzekeringspremie van de Peugeot voor haar rekening nemen;
- De man zal vanaf het moment waarop hij de Mercedes in zijn bezit heeft de kosten van de motorrijtuigenbelasting en de verzekering van de Mercedes voor zijn rekening nemen;
de scooter:
- De scooter zal worden verkocht aan een derde en partijen zullen de verkoopopbrengst bij helfte delen;
de inboedel:
- Aan de man worden de volgende inboedelgoederen toegedeeld:
a. de bank uit de woonkamer;
b. de gereedschappen uit de garage (Bosch boormachine, slijpmachine, kettingzaag, 1 van de 2 kisten met gereedschap en de bij de - al bij de man in bezit zijnde - schroefmachine behorende bitjes);
c. de olijfboom in pot (cadeau ouders man);
d. de damesfiets;
- Partijen zullen binnen twee weken na de zittingsdatum van 26 februari 2026 een afspraak maken over het ophalen van voornoemde inboedelgoederen door de man bij de vrouw;
de (saldi van de) bankrekeningen:
- Uit hoofde van de verdeling van de saldi van de bankrekeningen zijn partijen elkaar over en weer niets meer verschuldigd;
de verrekenposten:
- Tot 31 december 2025 hebben partijen over en weer niets meer van elkaar te vorderen;
- Voor de periode vanaf 1 januari 2026 zullen partijen op het moment van de notariële overdracht van de woning aan de vrouw de navolgende kosten bij helfte verrekenen:
a. het eigenaarsdeel van de aanslag Sabewa 2026 vanaf 1 januari 2026 tot de datum van notariële overdracht van de woning aan de vrouw;
b. de premie opstalverzekering vanaf 1 januari 2026 tot de datum van notariële overdracht van de woning aan de vrouw;
c. de premie overlijdensrisicoverzekering vanaf 1 maart 2026 tot de datum van notariële overdracht van de woning aan de vrouw;
d. bij de overdracht van de Mercedes aan de man wordt de door de vrouw - per drie maanden - vooruitbetaalde motorrijtuigenbelasting bij helfte met de man verrekend;
e. bij verkoop van de Peugeot aan een derde wordt het door de man van de Belastingdienst terug te ontvangen bedrag aan door hem - per drie maanden - vooruitbetaalde motorrijtuigenbelasting bij helfte met de vrouw verrekend.
2.19.
Nu partijen volledige overeenstemming hebben bereikt over de verdeling van de gehele ontbonden partnerschapsgemeenschap, kan de rechtbank de verdeling niet vaststellen, gezien het bepaalde in artikel 3:185 lid 1 BW Pro. De rechtbank zal de verzoeken van partijen ten aanzien van de (vaststelling van de wijze van) verdeling van de partnerschaps-gemeenschap dan ook afwijzen. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de tussen partijen gemaakte afspraken tussen hen wel bindend zijn, maar zich niet lenen voor opname in het dictum van deze beschikking.

3.De beslissing

De rechtbank:
in zaaknummer C/02/427737 / FA RK 24-4827:
3.1.
spreekt uit de ontbinding van het geregistreerd partnerschap tussen partijen, op 6 juli 2017 te [woonplaats 2] geregistreerd;
3.2.
houdt de behandeling van de verzoeken met betrekking tot het ouderschapsplan, het hoofdverblijf van de minderjarigen, de zorgregeling en de kinderbijdrage - om reden als onder r.o. 2.7. van deze beschikking genoemd - aan tot de
familiekamerrol van [datum] 2026;
3.3.
houdt iedere verdere beslissing aan;
in zaaknummer C/02/440945 / FA RK 25-5332:
3.4.
wijst de verzoeken af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Hopmans, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026 in tegenwoordigheid van mr. Van ’t Veer-Bax, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.