Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3101

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
C/02/440793 / JE RK 25-1840 en C/02/445208 / JE RK 26-288
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Phillips
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 1:247 BWArt. 1:254f BWArt. 1:255 lid 1 BWArt. 1:260 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige met complexe problematiek

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 17 maart 2026 uitspraak gedaan over de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige met complexe kind-eigen en medische problematiek. De minderjarige verblijft sinds enige tijd op een woongroep waar zij de noodzakelijke intensieve zorg en begeleiding ontvangt die thuis niet geboden kan worden.

De gecertificeerde instelling verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van een jaar. De vader stemde in met het verzoek, hoewel hij het moeilijk vindt zijn dochter los te laten. De moeder stemde eveneens in en bezocht de minderjarige regelmatig. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde de verlenging toe te wijzen gezien de kwetsbare gezondheid en ontwikkelingsachterstand van de minderjarige.

De rechtbank oordeelde dat de voorwaarden voor verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing zijn vervuld. De positieve ontwikkeling van de minderjarige op de woongroep en de stabilisatie van haar medische toestand rechtvaardigen voortzetting van de plaatsing. Tevens werd een contactregeling vastgesteld waarbij de vader in de even weken het weekend contact heeft en in de oneven weken één keer per vier weken, met ruimte voor overleg over schoolvakanties.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard om continuïteit in de zorg en ontwikkeling van de minderjarige te waarborgen. Het verzoek van de vader tot verdere uitbreiding van het contact is afgewezen. De rechtbank complimenteerde de ouders met hun betrokkenheid en inzet ondanks de moeilijke situatie.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige worden verlengd voor een jaar met een vastgestelde contactregeling tussen vader en minderjarige.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummers: C/02/440793 / JE RK 25-1840 en C/02/445208 / JE RK 26-288
Datum uitspraak: 17 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing en de schriftelijke aanwijzing
in de zaak
(met zaaknummer C/02/440793 / JE RK 25-1840)van
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. E.M.A. Leijser uit Tilburg,
en
in de zaak
(met zaaknummer C/02/445208 / JE RK 26-288)van
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Amsterdam,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt verder
(in beide zaken)als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 2] .
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, de kinderrechter over het verzoek geadviseerd.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
Inzake C/02/440793 / JE RK 25-1840:
- de beschikking van 21 november 2025, hersteld bij beschikking van 29 december 2025, en alle daarin vermelde stukken;
- het bericht van de GI met bijlage van 6 maart 2026, ontvangen op 10 maart 2026.
Inzake C/02/445208 / JE RK 26-288:
  • het verzoek van de GI met bijlagen, ontvangen op 18 februari 2026;
  • de brief van de GI van 6 maart 2026;
  • de brief van de Raad van 10 maart 2026, ontvangen op 12 maart 2026.
1.2.
De (nadere) mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 17 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] niet uitgenodigd voor een gesprek met de kinderrechter, omdat dit gelet op haar kind-eigen problematiek te belastend is voor [minderjarige] .

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 25 februari 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] (laatstelijk) verlengd tot 24 maart 2026. Bij diezelfde beschikking is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder (laatstelijk) verlengd tot 24 maart 2026.
2.3.
Op grond van voornoemde machtiging verblijft [minderjarige] op een woongroep van [de woongroep] .

3.De verzoeken

Inzake C/02/445208 / JE RK 26-288:
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Inzake C/02/440793 / JE RK 25-1840:
3.2.
De vader verzoekt (bij gewijzigd verzoek van 12 november 2025) de schriftelijke aanwijzing van de GI van 3 november 2025 geheel vervallen te verklaren én (zoals reeds verzocht bij verzoek van 14 oktober 2025, gewijzigd tijdens de mondelinge behandeling van 17 maart 2026) een nieuwe contactregeling tussen de vader en [minderjarige] vast te stellen waarin wordt bepaald dat:
- de vader en [minderjarige] recht hebben op contact met elkaar ieder weekend van vrijdag na school tot zondagavond (in de even weken) en tot zaterdagavond (in de oneven weken);
- de schoolvakanties van [minderjarige] in onderling overleg met de GI worden ingevuld.
3.3.
De vader verzoekt de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] en verwijst voor de onderbouwing daarvan naar het verzoekschrift. Het is belangrijk dat de plaatsing bij [de woongroep] en de daar geboden zorg voor [minderjarige] kan worden voortgezet. Sinds [minderjarige] op de groep verblijft, gaat het beter met haar ontwikkeling en haar medische toestand is stabieler. Er zijn minder grote zorgen en [minderjarige] hoeft minder vaak naar het ziekenhuis. [minderjarige] heeft vanwege haar ontwikkelingsniveau en haar medische problematiek, meer dan gemiddelde zorg nodig. Dit kan haar in de gezinssituatie niet worden geboden. De komende periode zal ook aandacht worden besteed aan het toewerken naar de meerderjarigheid van [minderjarige] . Het is belangrijk dat zaken goed voor haar zijn geregeld, waarbij ook de opties van beschermingsmaatregelen voor volwassenen zullen worden besproken.
Verder blijft de GI van mening dat de huidige contactregeling tussen de vader en [minderjarige] , waarbij het contact is uitgebreid overeenkomstig de tijdens de vorige zitting gemaakte afspraken, passend is voor [minderjarige] . De contactmomenten verlopen goed en [minderjarige] vindt het contact met de vader en de moeder fijn. De GI kan zich niet vinden in de door de vader verzochte verdere uitbreiding van het contact. Het is belangrijk dat [minderjarige] ook in het weekend tijd op haar woonplek bij [de woongroep] kan doorbrengen, zodat zij ook momenten in het weekend heeft waarop zij niets hoeft en in rust kan meegaan in het weekendritme op de groep en kan meedoen aan groepsactiviteiten.
4.2.
Door en namens de vader is ingestemd met het verzoek van de GI. Ondanks dat de vader dit nog altijd erg moeilijk vindt, ziet hij in dat de plaatsing van [minderjarige] bij [de woongroep] het beste voor haar is. De vader ziet dat het goed gaat met [minderjarige] op de groep. De vader ervaart daarbij nog wel het gevoel dat hij [minderjarige] daarmee opgeeft. De vader wil [minderjarige] niet het gevoel geven dat de zorg te moeilijk en te zwaar voor hem is, waardoor [minderjarige] elders moet wonen. Dit zorgt ervoor dat de vader voor haar blijft strijden. De GI omschrijft dit als weerstand en boosheid, maar volgens de vader komt dit juist voort uit pijn en verdriet. Dat [minderjarige] het sinds haar verblijf op de groep beter lijkt te doen, geeft de vader het gevoel dat hij het al die jaren niet goed heeft gedaan. De afgelopen periode is er wel meer rust ontstaan. De vader heeft beter meegewerkt en de communicatie met [de woongroep] verliep daardoor beter. Ook heeft de vader hulpverlening vanuit [opleidingscentrum]
De vader handhaaft verder zijn (gewijzigde) verzoek in die zin dat hij verzoekt om de huidige (voorlopige) regeling verder uit te breiden, zodat de vader ieder weekend contact heeft met [minderjarige] in de even weken van vrijdagmiddag tot zondagavond en in de oneven weken van vrijdagmiddag tot zaterdagavond. Dit komt wat vader betreft het meest tegemoet aan de belangen van [minderjarige] . Dit biedt ook de moeder de gelegenheid om [minderjarige] op de zondagen in de oneven weken te bezoeken zoals zij wenst. Het contact tussen [minderjarige] en de moeder is immers ook belangrijk voor [minderjarige] . De (voorlopige) uitbreiding van het contact tussen [minderjarige] en de vader is goed verlopen. Dit heeft gezorgd voor meer rust bij [minderjarige] . [minderjarige] heeft het naar haar zin bij de vader en deze uitbreiding is niet te veel gebleken voor [minderjarige] . [minderjarige] heeft daarbij behoefte aan duidelijkheid en structuur.
4.3.
De moeder stemt in met het verzoek van de GI. Zij heeft geen problemen met de betrokkenheid van de GI en [minderjarige] doet het goed op de groep. De moeder heeft het nog altijd lastig met de scheiding tussen haar en de vader. De moeder heeft er veelal alleen voor gestaan en wenst met respect te worden behandeld. De moeder staat op de wachtlijst voor behandeling. Tot de behandeling kan starten gebruikt de moeder medicatie vanuit de psychiater. De moeder bezoekt [minderjarige] op zondag in de oneven weken op de groep. Wanneer er moet worden gewisseld, zoals met carnaval het geval is geweest, gaat dit in goed onderling overleg.
4.4.
De Raad adviseert om het verzoek van de GI toe te wijzen. [minderjarige] is vanwege haar complexe kind-eigen problematiek in combinatie met haar kwetsbare gezondheid aangewezen op zeer intensieve en zorgvuldige behandeling en begeleiding. Zij is voor haar verzorging en opvoeding volledig afhankelijk van haar omgeving en hiervoor is de inzet van professionele zorg op een woongroep noodzakelijk. [minderjarige] zit nu op een goede plek en er moet de komende periode gekeken worden naar de toekomst en hoe zaken het beste voor [minderjarige] kunnen worden geregeld. De Raad vindt het knap dat de ouders allebei inzien dat het goed gaat met [minderjarige] op de groep en dat ze daar een goede ontwikkeling doormaakt en passende zorg krijgt. De ouders hebben [minderjarige] daarvoor met alle betrokkenheid en inzet opgevoed. Daarbij benadrukt de Raad dat de ouders daarin zeker niet hebben gefaald.
Ten aanzien van de verzochte zorgregeling tussen [minderjarige] en de vader volgt de Raad het oordeel van de GI. Het is belangrijk dat [minderjarige] ook kan wennen aan dat ze vrije tijd heeft op de woongroep en dat zij meer ritme en rust gaat ervaren. Hier hoeft verder niet te rigide mee te worden omgegeven. Het is goed om te kijken of er in de schoolvakanties ruimte is voor uitbreiding van het contact.

5.De beoordeling

Verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
5.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
5.2.
Op grond van artikel 1:260 BW Pro kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.3.
Op basis van artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
5.4.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar
5.5.
De kinderrechter is van oordeel dat aan voormelde voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling en verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing is voldaan. Hiertoe overweegt de kinderrechter als volgt.
5.6.
Het is de kinderrechter gebleken dat de zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] nog niet zijn weggenomen, waardoor zij nog altijd ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. [minderjarige] is een zeer kwetsbaar meisje met complexe kind-eigen en medische problematiek. Bij [minderjarige] is er sprake van een algehele achterstand in haar ontwikkeling, zij heeft een verstandelijke en lichamelijke beperking, een forse achterstand op sociaal-emotioneel gebied en zij kan zich verbaal niet goed uiten. Ook zit [minderjarige] in een rolstoel, heeft zij een hartafwijking en is zij bekend met voedingsproblematiek en scoliose. Als gevolg daarvan is [minderjarige] voor haar verzorging en opvoeding volledig afhankelijk van haar omgeving en is zij aangewezen op intensieve professionele zorg. De intensieve zorg die [minderjarige] nodig heeft, kan haar in de thuissituatie niet, althans onvoldoende worden geboden.
5.7.
Sinds [minderjarige] op de woongroep bij [de woongroep] verblijft, maakt zij een positieve ontwikkeling door. Zij lijkt daar steeds meer de rust en stabiliteit te ervaren die zij nodig heeft om toe te kunnen komen aan haar eigen ontwikkeling. Dit heeft er bovendien toe geleid dat de medische situatie van [minderjarige] meer is gestabiliseerd. Op de woongroep wordt adequaat aangesloten bij de behoeften en ontwikkeling van [minderjarige] en wordt haar de medische zorg geboden die zij gezien haar ontwikkeling en gezondheid nodig heeft. De kinderrechter is dan ook van oordeel dat haar verblijf op de woongroep dient te worden gewaarborgd, zodat [minderjarige] zich ook de komende periode verder kan blijven ontwikkelen op de wijze die goed voor haar is gebleken.
5.8.
Daarbij merkt de kinderrechter nog op dat zij het ontzettend knap vindt van beide ouders hoe zij altijd hebben getracht het beste voor [minderjarige] te doen. Zij zien inmiddels in dat de plaatsing van [minderjarige] bij [de woongroep] haar goed doet. Hiervoor verdienen beide ouders een groot compliment. De vader heeft de afgelopen periode laten zien dat het hem, hoe moeilijk ook, steeds beter lukt om [minderjarige] meer los te laten en daarmee lijkt de vader de belangen van [minderjarige] voorop te stellen. De aanhoudende strijd die de vader voorheen leek te voeren met de GI, blijkt daarbij niet voort te komen uit weerstand of boosheid, maar vanuit het verdriet en de pijn die de vader ervaart doordat de machtiging tot uithuisplaatsing hem het gevoel geeft dat hij [minderjarige] in de steek laat. Ook de moeder laat daarbij haar kwetsbaarheden zien, stelt zich open en is bereid om hulpverlening aan te gaan voor haar eigen problematiek.
5.9.
Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter het – onweersproken – verzoek van de GI toewijzen en de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengen met ingang van 24 maart 2026 en tot 24 maart 2027. De kinderrechter vindt het belangrijk dat de komende periode de plaatsing van [minderjarige] bij [de woongroep] wordt geborgd, de positieve ontwikkeling wordt voorgezet en dat er onderzocht wordt wat er nodig is om ervoor te zorgen dat ook vanaf de meerderjarigheid de belangen van [minderjarige] gewaarborgd blijven.
Schriftelijke aanwijzing
5.10.
De GI heeft op 3 november 2025 in een nieuwe schriftelijke aanwijzing gericht aan de vader een beslissing genomen over het contact tussen de ouders en [minderjarige] . Deze aanwijzing houdt in dat de ouders conform het ouderschapsplan om de week contact hebben met [minderjarige] en dat vakanties onderling worden afgestemd tussen de ouders en de GI. Daarbij is bepaald dat:
- [minderjarige] in de even weken een weekend naar vader toe gaat om te logeren. Op vrijdagmiddag ophalen en op zondagavond terugbrengen;
- [minderjarige] in de oneven weken op de woongroep blijft, moeder kan [minderjarige] in dat weekend bezoeken in overleg met begeleiding.
5.11.
Wanneer de GI in verband met de uithuisplaatsing van een minderjarige de contacten tussen deze minderjarige en de met het gezag belaste ouder beperkt, wordt deze beslissing van de GI aangemerkt als een schriftelijke aanwijzing volgens artikel 1:265f, tweede lid, BW. Op grond van artikel 1:264 BW Pro kan een met het gezag belaste ouder de rechter verzoeken deze schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen te verklaren. Volgens artikel 1:254f, derde lid, BW is de termijn voor het indienen van dit verzoek twee weken vanaf de ingang van de dag na die waarop de beslissing is verzonden of uitgereikt.
5.12.
Bij tussenbeschikking van 21 november 2025, hersteld bij beschikking van 29 december 2025, zijn partijen tot overeenstemming gekomen over een (voorlopige) uitbreiding van het contact tussen [minderjarige] en de vader. In aanvulling op de reeds overeengekomen zorgregeling, waarbij [minderjarige] in de even weken in het weekend naar de vader gaat van vrijdagmiddag 17:00 uur tot zondagavond, gaat [minderjarige] eens per vier weken in de oneven weken van vrijdagmiddag 17:00 uur tot zaterdagavond naar de vader. In de oneven weken blijft [minderjarige] iedere zondag op de groep, zodat de moeder [minderjarige] op die dagen op de groep (in overleg met de begeleiding) kan bezoeken. De schoolvakanties worden in onderling overleg afgestemd met de ouders en de GI.
5.13.
Het is de kinderrechter gebleken dat deze overeengekomen uitbreiding van de contacten tussen de vader en [minderjarige] in december 2025 zijn gestart en sindsdien goed verlopen. Dit stemt de kinderrechter positief. Naar het oordeel van de kinderrechter is deze regeling op het moment dan ook passend voor [minderjarige] . De kinderrechter zal deze regeling – anders dan namens de vader verzocht – niet verder uitbreiden. Net als de GI en de Raad vindt de kinderrechter het belangrijk dat [minderjarige] ook in de weekenden tijd kan doorbrengen op de woongroep waar zij verblijft en waar haar woonperspectief naar verwachting langdurig zal zijn gelegen. Het is voor [minderjarige] wenselijk dat zij daarbij met regelmaat mee kan doen aan groepsactiviteiten en dat zij op haar verblijfplek voldoende vrije tijd heeft. Deze momenten van vrije tijd en saamhorigheid met haar groepsgenoten zijn immers ook van belang voor de verdere ontwikkeling van [minderjarige] .
5.14.
Daarbij kan de kinderrechter zich wel vinden in het door de Raad voorgestelde alternatief voor wat betreft een uitbreiding van het contact tussen de vader en [minderjarige] in de schoolvakanties. Nu de GI tijdens de zitting heeft aangegeven daar eveneens achter te kunnen staan, gaat de kinderrechter ervanuit dat de GI met de ouders overlegt over welke extra contactmomenten er haalbaar zijn voor [minderjarige] in haar schoolvakanties.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.15.
De kinderrechter zal deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 24 maart 2026 tot 24 maart 2027;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 24 maart 2026 tot 24 maart 2027;
6.3.
verklaart de schriftelijke aanwijzing van 3 november 2025 gedeeltelijk vervallen en bepaalt als contactregeling tussen de vader en [minderjarige] :
- [minderjarige] gaat in de even weken in het weekend naar de vader van vrijdagmiddag 17:00 uur en tot zondagavond. De vader brengt [minderjarige] op zondagavond terug en legt [minderjarige] op bed.
- [minderjarige] gaat één keer per vier weken in de oneven weken van vrijdagmiddag 17.00 uur tot zaterdagavond naar de vader. De vader brengt haar op zaterdagavond terug en legt haar op bed.
- [minderjarige] blijft in alle oneven weken op zondag op de woongroep, zodat de moeder [minderjarige] op de woongroep kan bezoeken in overleg met begeleiding.
- De schoolvakanties van [minderjarige] worden in onderling overleg afgestemd met de ouders en de GI, waarbij indien mogelijk extra contactmomenten kunnen worden overeengekomen tussen [minderjarige] en de vader of tussen [minderjarige] en de moeder.
6.4.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.5.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026 door mr. Phillips, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Palings als griffier, en op schrift gesteld op 27 maart 2026.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.