Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3100

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
C/02/444618 / JE RK 26-193
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • De Beer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 BWArt. 1:260 BWArt. 1:247 lid 2 BWArt. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige kinderen wegens instabiele opvoedsituatie

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen, geboren in 2014 en 2016, die bij hun moeder wonen. De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit, maar de opvoedsituatie is instabiel door conflicten en moeizame communicatie.

Tijdens de zitting op 17 maart 2026, waarbij ouders, hun advocaten, een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling aanwezig waren, is vastgesteld dat de kinderen nog steeds ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. De kinderen zelf hebben hun mening aan de kinderrechter kenbaar gemaakt, waarbij zij vertrouwelijkheid hebben gevraagd.

De kinderrechter oordeelt dat de gronden voor ondertoezichtstelling nog steeds aanwezig zijn. De communicatie tussen ouders is problematisch, met wantrouwen en conflicten die de kinderen emotioneel belasten. Hulpverlening is gestart maar heeft nog niet geleid tot structurele verbetering. Daarom wordt de ondertoezichtstelling verlengd van 18 maart 2026 tot 18 maart 2027 en wordt de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard om directe uitvoering te waarborgen.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige kinderen wordt verlengd met een jaar en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/444618 / JE RK 26-193
Datum uitspraak: 17 maart 2026
beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedag 1] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedag 2] 2014 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen : [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. N. Wouters uit Middelburg,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. H. Mink uit Oost-Souburg.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de kinderrechter over het verzoek te adviseren.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 29 januari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 17 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft een gesprek gevoerd met de kinderrechter. [minderjarige 2] heeft een brief naar de kinderrechter gestuurd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] willen niet dat hetgeen zij hebben gedeeld met de kinderrechter besproken wordt met de ouders. De kinderrechter heeft dat dan ook niet gedaan.
1.4.
De zaak is vanwege de samenhang gelijktijdig behandeld met zaaknummer
C/02/396140 / FA RK 22-1427. Op dit zaaknummer wordt per separate beschikking beslist.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.
2.3.
Bij beschikking van 18 maart 2025 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 18 maart 2025 en tot 18 maart 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI stelt dat een verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk is, gelet op de aanhoudende zorgen rondom de communicatie van de ouders, de belasting van de kinderen, de noodzaak om lopende trajecten te continueren en het feit dat de opvoedsituatie nog onvoldoende stabiel is.
4.2.
Namens en door de moeder is gesteld dat zij zich kan vinden in een verlenging van de ondertoezichtstelling.
4.3.
Namens en door de vader is tevens ingestemd met het verzoek van de GI.

5.De beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
Inhoudelijke beoordeling
5.3.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is naar het oordeel van de kinderrechter voldoende duidelijk gebleken dat er nog steeds wordt voldaan aan de gronden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling en de kinderrechter zal het verzoek dan ook toewijzen voor de duur van twaalf maanden. Dat betekent dat de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt verlengd, zulks met ingang van 18 maart 2026 en tot 18 maart 2027. De kinderechter legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen.
5.4.
De kinderrechter is van oordeel dat de zorgen ten opzichte van de vorige mondelinge behandeling onveranderd zijn gebleven. Er is dan ook nog steeds sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Hoewel beide ouders aangeven het beste voor de kinderen te willen, blijven wantrouwen en conflicten het ouderschap domineren. Ouders zijn (nog) niet in staat om duurzaam samen te werken of consequente afspraken te maken in het belang van de kinderen. De communicatie tussen ouders blijft zeer moeizaam. Afspraken worden regelmatig eenzijdig gewijzigd, er wordt negatief over elkaar gesproken in aanwezigheid van de kinderen en praktische zaken zoals het meegeven van spullen leiden tot terugkerende conflicten. Vanwege de verslechterde communicatie is afgesproken dat ouders elkaar alleen per e-mail informeren over strikt noodzakelijke zaken.
Gelet hierop, is de opvoedsituatie van de kinderen instabiel en emotioneel belastend en leidt tot onrust.
5.5.
Ook verschillen de ouders in opvoedfocus, waarbij moeder meer gericht lijkt op controle rondom spullen en veiligheid, en vader meer op gezag en structuur. Dit kan bijdragen aan spanningen. De kinderen ontvangen hierdoor verschillende boodschappen in beide huizen, wat hen het gevoel kan geven tussen ouders in te staan. Hulpverlening, in de vorm van Ouderschapsbemiddeling vanuit Juvent en IPT, is gestart, maar structurele verbetering is nog niet zichtbaar en het onderzoek naar een passende zorgregeling moet nog steeds plaatsvinden. Vanuit deze hulpverlening wordt ook gezien dat de kinderen loyaal zijn aan beide ouders, maar dat zij klem zitten tussen hun ouders.
5.6.
Gelet op het bovenstaande, zal de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengen. Op die manier blijft de jeugdbeschermer betrokken om erop toe te zien dat passende hulpverlening wordt ingezet en dat deze hulpverlening doorgang blijft vinden. Daarnaast kan de jeugdbeschermer in het kader van de ondertoezichtstelling als neutraal persoon betrokken blijven om de regie te voeren en de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te behartigen.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarige noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 18 maart 2026 en tot 18 maart 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026 door mr. De Beer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. De Haard, griffier, en op schrift gesteld op 8 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.