Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3097

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
C/02/445782 / JE RK 26-394
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Dijkman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:257 BWArt. 2 Besluit gezagsregistersArt. 807 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging voorlopige ondertoezichtstelling minderjarige wegens bedreiging ontwikkeling

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om verlenging van de voorlopige ondertoezichtstelling van een minderjarige, die reeds op 6 maart 2026 voor twee weken was ingesteld. De moeder had zonder toestemming van de rechtbank met de minderjarige en haar halfbroertje naar een andere woonplaats verhuisd, wat leidde tot een toename van de afstand tussen ouders en druk op de zorgregeling.

Tijdens de mondelinge behandeling op 17 maart 2026 werden de ouders en vertegenwoordigers van de Raad en de gecertificeerde instelling gehoord. De vader en moeder stemden in met de ondertoezichtstelling, waarbij de moeder de verhuizing noodgedwongen had doorgezet en de vader grote zorgen uitte over het welzijn van de minderjarige.

De kinderrechter constateerde dat er geen nieuwe feiten waren die de eerdere spoedbeschikking zouden herroepen, maar dat de situatie ernstig genoeg was om de ondertoezichtstelling te verlengen tot 6 juni 2026. De verhuizing had geleid tot een onrustige opvoedomgeving, wegvallen van noodzakelijke hulpverlening en belemmerde omgang met de vader. De Raad krijgt de opdracht onderzoek te doen naar de impact van de verhuizing en passende maatregelen te nemen in het belang van de minderjarige.

Uitkomst: De voorlopige ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt verlengd tot 6 juni 2026 wegens ernstige bedreiging van haar ontwikkeling.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/02/445782 / JE RK 26-394
Datum uitspraak: 17 maart 2026
Nadere beschikking voorlopige ondertoezichtstelling
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING ZEELAND-WEST-BRABANT,
locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad,
betreffende
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2023 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. H.E.C.M. Nieland te Bergen op Zoom
,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. R.G.J. Kerkhof te Gilze.
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
gevestigd te Etten-Leur,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI).

1.Het nadere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de spoedbeschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 6 maart 2026, en alle daarin opgenomen en vermelde stukken;
- het door tussenkomst van mr. Nieland ontvangen e-mailbericht van de grootmoeder moederszijde;
- de ter zitting overgelegde schriftelijke verklaring van de vader.
1.2.
Op 17 maart 2026 heeft de kinderrechter de zaak met gesloten deuren mondeling behandeld. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader,
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI.
De advocaat, Mr. Van Kerkhof, was niet in de gelegenheid de zitting bij te wonen. Hij heeft tijdens de inhoudelijke behandeling van het verzoek ten aanzien van het halfbroertje van [minderjarige] zijn standpunt namens de vader kenbaar gemaakt.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij haar moeder.
2.3.
De kinderrechter heeft bij spoedbeschikking van 6 maart 2026 [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van twee weken, met ingang van 6 maart 2026 en tot 20 maart 2026, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. De Raad verzoekt te beslissen op het verzoek zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden.
3.2.
De kinderrechter heeft op 6 maart 2026 deels beslist op dit verzoek. Thans is aan de orde de vraag of er nieuwe feiten en/of omstandigheden zijn die aanleiding geven om de spoedbeschikking van 6 maart 2026 met ingang van heden te herroepen, alsmede het resterende deel van het verzoek ten aanzien van de voorlopige ondertoezichtstelling, te weten de periode met ingang van 20 maart 2026 en tot 6 juni 2026.

4.De standpunten

4.1.
De Raad handhaaft het verzoek en verwijst naar de onderbouwing van het verzoek. Ondanks dat de rechtbankbij haar beschikking van 17 februari 2026 de moeder geen toestemming heeft verleend om met [persoon] en zijn halfzusje [minderjarige] te verhuizen naar [woonplaats 1] , heeft zij dit toch doorgezet. Dit heeft als gevolg dat de reisafstand tussen de ouders enorm is toegenomen en dit zet druk op de zorgregeling. De Raad is daarom van mening dat het het beste voor [minderjarige] is als de moeder zich zal vestigen in de regio Zeeland / Brabant in plaats van [woonplaats 1] . Een uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader acht de Raad op dit moment niet passend, omdat dit een nieuwe verhuizing voor [minderjarige] zou betekenen. De Raad acht de verhuizing naar [woonplaats 1] niet in het belang van [minderjarige] , maar het is vanwege het ontbreken van zicht onduidelijk wat de exacte impact van de verhuizing op haar is. Bovendien loopt de omgang tussen de vader en [minderjarige] sinds de verhuizing onvoldoende. De Raad maakt zich hier zorgen over. Ook krijgt [minderjarige] op dit moment niet de hulpverlening die zij nodig heeft, namelijk fysiotherapie ten behoeve van haar ontwikkelingsafstand. Daarnaast zijn er zorgen over de relatie tussen de ouders. De spanningen lopen hoog op en er is tussen hen een impasse ontstaan. Vanuit het gedwongen kader moet zicht op [minderjarige] worden verkregen en keuzes worden gemaakt die in het belang van [minderjarige] zijn.
4.2.
De moeder kan zich vinden in een ondertoezichtstelling. De huidige situatie is niet alleen te wijten aan de moeder, maar is mede gecreëerd door de vader. De moeder heeft in afwachting van een beslissing van de rechtbank ten aanzien van haar verhuizing met de kinderen tijdelijk ingewoond bij oma. Dit was geen houdbare situatie en heeft er inmiddels toe geleid dat oma niet langer achter dit verblijf kon staan. De verhuizing naar [woonplaats 1] was dus in eerste instantie niet haar wens en noodgedwongen, maar ze heeft daar nu wel stabiliteit voor haar kinderen gecreëerd. De moeder begrijpt de boosheid van de vader en heeft gezocht naar een werkbare oplossing voor de omgang tussen de vader en [minderjarige] . Ze probeert zich zo goed als mogelijk aan de omgangsregeling te houden en het lukt de ouders momenteel om afspraken met elkaar te maken. De moeder is bovendien hard op zoek naar een woning in de regio Zeeland - Brabant .
4.3.
De vader stemt in met het verzoek ten aanzien van de ondertoezichtstelling. De moeder trekt haar eigen plan, legt de recent gegeven beslissing van de rechtbank naast zich neer en geeft aan dat haar toekomst in Groningen ligt. De vader is het hier niet mee eens. De toekomst van [minderjarige] ligt in Zeeland of Brabant en niet in [woonplaats 1] . Er is op dit moment geen zicht op de situatie in [woonplaats 1] . De vader maakt zich grote zorgen over het welzijn en de ontwikkeling van [minderjarige] . [minderjarige] is in een onrustige en onvoorspelbare situatie terechtgekomen. Het contact tussen [minderjarige] en de vader is onder druk komen te staan, waarbij de vader onvoldoende zicht heeft op haar situatie in [woonplaats 1] . De vader moet zich al langere tijd aanpassen aan omstandigheden van de moeder en die afwijken van de gemaakte afspraken, terwijl er juist behoefte is aan stabiliteit en duidelijkheid. Het contact met de moeder is op dit moment lastig door een gebrek aan transparantie.
4.4.
De GI is het eens met het verzoek van de Raad. De jeugdbeschermer heeft recentelijk met beide ouders kennis gemaakt en hen kort uitgelegd wat de GI in de komende tijd gaat doen.

5.De nadere beoordeling

Spoedbeslissing tot voorlopige ondertoezichtstelling
5.1.
Bij spoedbeslissing van 6 maart 2026 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van twee weken, met ingang van 6 maart 2026 en tot 20 maart 2026, zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden. De belanghebbenden zijn tijdens de mondelinge behandeling op 17 maart 2026 in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Naar aanleiding daarvan constateert de kinderrechter dat zich geen nieuwe feiten en omstandigheden hebben voorgedaan die maken dat deze beslissing moet worden herroepen.
Inhoudelijke beoordeling resterende deel van het verzoek
5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Daarom zal de kinderrechter het resterende deel van het verzoek van de Raad toewijzen en de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengen voor de resterende duur, met ingang van 20 maart 2026 en tot 6 juni 2026. De kinderrechter legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.
5.3.
Op basis van de stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat er sprake is van een ernstig vermoeden dat [minderjarige] acuut en ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Ondanks dat de rechtbank geen toestemming heeft verleend, heeft de moeder toch besloten om de verhuizing met [minderjarige] en haar halfbroertje [persoon] naar [woonplaats 1] door te zetten. De verhuizing naar de andere kant van het land leidt ertoe dat er geen zicht meer is op [minderjarige] . De huidige situatie, waarbij de vader in [woonplaats 2] woont en de moeder in [woonplaats 1] , is ingewikkeld. Het handelen van de moeder heeft de verstandhouding tussen ouders nog meer onder druk gezet. Door de forse toename van reistijd wordt het contact tussen de vader en [minderjarige] bemoeilijkt. De omgang is al meerdere malen niet doorgegaan. Ook gaat [minderjarige] nu niet meer naar een kinderdagverblijf en krijgt zij niet langer de hulpverlening die zij nodig heeft ter ondersteuning van haar ontwikkelingsachterstand. In de huidige omstandigheden is het naar het oordeel van de kinderrechter hard nodig dat de Raad onderzoek gaat doen naar wat de impact is van de verhuizing op [minderjarige] en welke stappen in dit kader nodig zijn. Duidelijk is dat [minderjarige] door een onrustige tijd heen gaat, waarin ze wordt blootgesteld aan een nieuwe opvoedomgeving en de voor haar noodzakelijke hulpverlening abrupt is weggevallen. Bovendien krijgt [minderjarige] , al dan niet bewust, de opgelopen spanningen tussen de ouders mee. Door de impasse die is ontstaan tussen de ouders is de situatie binnen het vrijwillig kader niet op korte termijn op te lossen.
5.4.
Voortzetting van de voorlopige ondertoezichtstelling is dus noodzakelijk om de acute en ernstige bedreiging voor [minderjarige] weg te kunnen nemen alsmede om ervoor te zorgen dat er in de komende periode beslissingen in het belang van [minderjarige] worden genomen. Het resterende deel van het hiertoe strekkende verzoek zal daarom worden toegewezen tot 6 juni 2026. De kinderrechter geeft de ouders mee om goed in gesprek te blijven en het belang van [minderjarige] voorop te blijven stellen.
5.5.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [2]

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
wijst toe het restantverzoek ten aanzien van de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 20 maart 2026 en tot 6 juni 2026.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026 door mr. Dijkman, kinderrechter, in aanwezigheid van Bakker-Maljers als griffier, en op schrift gesteld op 31 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open. [3]

Voetnoten

1.Artikel 1:257 BW Pro.
2.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.
3.Artikel 807 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).