Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3091

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
C/02/ 444700 KG ZA 26-57
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • Van Triest
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige zorgregeling en verwijzing naar hulpverlening voor baby in scheidingssituatie

Partijen, die een relatie hadden waaruit een minderjarig kind is geboren, zijn feitelijk uit elkaar gegaan. De vader vordert een voorlopige zorgregeling met frequent contact met de baby, terwijl de moeder een beperkt contact voorstelt vanwege de jonge leeftijd en afhankelijkheid van de baby.

De rechtbank oordeelt dat het belang van de baby voorop staat en dat frequent contact met beide ouders noodzakelijk is voor een goede hechting. Daarom wordt een voorlopige regeling vastgesteld waarbij de vader twee keer per week contact heeft, aanvankelijk onder begeleiding of in een openbare ruimte.

Daarnaast wordt een (jeugd)hulpverleningstraject via het Uniform Hulpaanbod ingezet om de ouders te ondersteunen bij het vormgeven van hun ouderschap en het oplossen van hun conflicten. De rechtbank wijst de proceskostencompensatie toe en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank stelt een voorlopige zorgregeling vast met twee contactmomenten per week en verwijst partijen naar een hulpverleningstraject.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaakgegevens: C/02/ 444700 KG ZA 26-57
Vonnis in kort geding van 17 maart 2026
in de zaak van
[de man] ,
hierna te noemen: de man,
wonende te [woonplaats] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat: mr. C.L.M. Gommers te Breda,
tegen
[de vrouw] ,
hierna te noemen: de vrouw,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat: mr. M. Marjanović te Eindhoven.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad, om de voorzieningenrechter over de vorderingen te adviseren.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 20 februari 2026 met producties 1 tot en met 4;
  • de op 24 februari 2026 ingediende producties 5 tot en met 9, van de zijde van de man;
  • de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, met producties 1 tot en met 10.
1.2
Op 3 maart 2026 heeft de voorzieningenrechter de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld, omdat het belang van de minderjarige en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit vereist.
1.3
Tijdens de mondelinge behandeling zijn verschenen de partijen, bijgestaan door hun advocaten. Daarnaast was een vertegenwoordigster namens de Raad aanwezig.
1.4
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad, uit welke relatie het nu nog minderjarige kind is geboren:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2025 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
2.2
De man heeft [minderjarige] erkend.
2.3
Partijen zijn van rechtswege gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.4
[minderjarige] woont bij de vrouw.
2.5
Tussen partijen is bij de rechtbank een bodemprocedure aanhangig (bekend onder het zaaknummer: C/02/445469 FA RK 26-1036), gericht op het vaststellen van een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.

3.Het geschil

in conventie

3.1
De man vordert om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. een voorlopige zorgregeling tussen de man en [minderjarige] te bepalen zoals in punt 13 van de dagvaarding is omschreven;
II. de vrouw te gebieden uitvoering te geven aan de onder I. bedoelde zorgregeling;
III. partijen te verwijzen naar het Uniform Hulpaanbod voor ouderschapsbemiddeling en in afwachting daarvan, op te dragen om bemiddelingsgesprekken aan te gaan met mevrouw [persoon 1] .
in reconventie
3.2
De vrouw vordert om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. te bepalen dat een voorlopige zorgregeling tussen de man en [minderjarige] wordt bepaald,
waarbij de man [minderjarige] eenmaal per veertien dagen op zondag gedurende anderhalf
uur ziet op een neutrale locatie, partijen buiten dit moment uitsluitend via WhatsApp contact hebben en partijen de neutrale locatie niet gezamenlijk verlaten, maar dat de vrouw eerst met [minderjarige] vertrekt;
II. partijen te verwijzen naar het Uniform Hulpaanbod voor ouderschapsbemiddeling
onder begeleiding van mevrouw [persoon 2] ;
III. de man te veroordelen in de proceskosten, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis, en - voor het geval voldoening van die kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over die kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening tot en met de dag der algehele voldoening.

4.De standpunten van partijen en het advies van de Raad

Het standpunt van de man

4.1
De man heeft ter onderbouwing van zijn vorderingen, samengevat, het volgende aangevoerd. Een aantal maanden voor de geboorte van [minderjarige] zijn partijen, op initiatief van de vrouw, feitelijk uit elkaar gegaan. Kort na de geboorte van [minderjarige] heeft de vrouw kenbaar gemaakt dat de relatie niet meer hersteld kon worden en heeft zij de verloving en de relatie definitief verbroken. Hij heeft [minderjarige] slechts een paar keer gezien. Hij realiseert zich dat [minderjarige] nog een baby is, maar dat neemt niet weg dat het in haar belang is om een hechte band op te kunnen bouwen met beide ouders. Daarvoor is nodig dat hij en [minderjarige] elkaar frequent zien en elkaar kunnen leren kennen. De vrouw staat op dit moment echter geen contact, althans geen frequent contact, toe. Verder lukt het hem niet om in contact te komen met de vrouw om te overleggen over een ouderschapsplan. Hij vordert vaststelling van de volgende zorgregeling:
- de eerste periode van vier weken: drie keer per week gedurende een uur aan het woonadres van de vrouw,
- de tweede periode van vier weken: drie keer per week gedurende een uur in een openbare ruimte en in aanwezigheid van de vrouw,
- de derde periode van vier weken: drie keer per week gedurende anderhalf uur bij de man thuis, zonder aanwezigheid van de vrouw,
waarbij de contacten steeds zullen zijn op zondag, woensdag en vrijdag in de namiddag.
De man vordert tevens een verwijzing naar het Uniform Hulpaanbod (hierna: UHA) en dat partijen wordt opgedragen om in afwachting van dat traject bemiddelingsgesprekken voeren bij mevrouw [persoon 1] .
Het standpunt van de vrouw
4.2
De vrouw heeft de door de man gestelde feiten en gebeurtenissen rondom het uiteengaan van partijen en de geboorte van [minderjarige] gemotiveerd betwist. Zowel in de stukken als tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw uitdrukkelijk aangegeven dat zij het in het belang van [minderjarige] acht dat zij en de man contact hebben met elkaar. Dit contact moet volgens haar voorlopig echter worden beperkt tot eenmaal per veertien dagen, zodat [minderjarige] kan wennen aan de man. Bovendien is [minderjarige] nog erg afhankelijk van haar, onder meer omdat zij borstvoeding krijgt en omdat haar dagritme steeds wisselt.Als [minderjarige] en de man aan elkaar zijn gewend en wanneer [minderjarige] minder afhankelijk van haar is, kan het contact worden uitgebreid. Verder wenst de vrouw dat het contact tussen de man en [minderjarige] voorlopig plaatsvindt in aanwezigheid van haarzelf of een derde. De man en [minderjarige] zijn nog niet aan elkaar gewend, waardoor de man nog niet in staat is [minderjarige] tot rust te brengen wanneer zij overstuur is. Daarnaast heeft zij gemerkt dat de man zijn eigen belang tot contact boven het belang van [minderjarige] stelt. Verder is de man bekend met een conversiestoornis, als gevolg waarvan hij ineens het bewustzijn kan verliezen, waardoor de veiligheid van [minderjarige] niet gewaarborgd is als zij alleen met de man is. Tot slot wenst de vrouw dat de contactmomenten voorlopig plaatsvinden in een openbare ruimte, bijvoorbeeld in een restaurant. Als gevolg van intimiderend en controlerend gedrag van de man voelt zij zich niet veilig wanneer zij alleen met de man is, bijvoorbeeld in haar woning. Ook vertrouwt zij er niet op dat de man na afloop van het contact haar woning zal verlaten. De vrouw is bereid om via mediation te bespreken hoe het contact op een passende en veilige wijze kan worden hervat en vormgegeven. Zij heeft telefonisch contact gehad met mevrouw [persoon 2] van het UHA, die op zeer korte termijn plek heeft om partijen te begeleiden bij het opstellen van een ouderschapsplan.
Het advies van de Raad
4.3
Tijdens de mondelinge behandeling is namens de Raad, samengevat, het volgende aangegeven en geadviseerd. De Raad ziet ouders die het beste willen voor [minderjarige] , maar die dit samen (nog) niet aan [minderjarige] kunnen bieden. Hun verhouding is problematisch. Daar maakt de Raad zich zorgen over. Als daaraan voorbij wordt gegaan, vreest de Raad dat [minderjarige] de spanningen tussen haar ouders meekrijgt en ook gaat voelen, hetgeen niet goed is voor haar ontwikkeling. Partijen hebben beiden een traject nodig, zowel individueel als samen, om te komen tot een vorm van ouderschap die voor [minderjarige] een goede basis zal zijn. Het is fijn dat partijen open staan voor een traject in het kader van het Uniform Hulpaanbod, dan wel een andere vorm van begeleiding, waarbij zij samen gesprekken aangaan over de invulling van de zorgregeling. Daarbij is het vooral van belang dat beide partijen zich kunnen vinden in de persoon van de mediator/begeleider. Partijen hebben ieder een hulpverlener aangedragen. Mochten partijen zich niet kunnen vinden in de door de ander aangedragen persoon, dan kunnen zij overwegen contact op te nemen met mevrouw [persoon 3] van [hulpverlening]. Dergelijke hulpverleningstrajecten kosten echter tijd. Het is in het belang van [minderjarige] dat zij zich goed kan hechten aan haar beide ouders. [minderjarige] is een heel jong kind. Om zich goed te kunnen hechten is frequent contact tussen haar en de man vereist, waarbij de man actief kan gaan zorgen voor [minderjarige] . Dit kan niet wachten tot partijen hun hulpverleningstraject(en) hebben doorlopen. [minderjarige] moet dus nu al een paar keer per week contact gaan hebben met de man. Het heeft de voorkeur dat de vrouw daarbij niet aanwezig is, maar bijvoorbeeld een derde die de man zo nodig kan ondersteunen en die ook het vertrouwen van de vrouw heeft. De Raad begrijpt dat het voor de vrouw moeilijk is om een deel van de zorg voor [minderjarige] aan de man over te dragen. Dat is voor haar onnatuurlijk, omdat [minderjarige] nog zo jong is en voor veel dingen afhankelijk van haar is. De vrouw zal er ook aan moeten wennen dat de man [minderjarige] op een andere manier zal verzorgen en opvoeden dan dat zij dat doet. Het gevoel van de vrouw en de belangen van [minderjarige] zijn in die zin tegenstrijdig, maar het belang van [minderjarige] staat voorop. Voor de vrouw is het een proces dat tijd nodig heeft. Het kan de vrouw helpen als zij de man goed informeert over wie [minderjarige] is en wat zij nodig heeft. Ook zou het goed zijn als de man iemand heeft die hem in het begin kan ondersteunen in het contact en met de verzorging van [minderjarige] . Mogelijk dat Babyzorg hierin iets kan betekenen.

5.De beoordeling

in conventie en in reconventie
Gezamenlijke behandeling
5.1
Vanwege de nauwe samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie, zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.
Spoedeisend belang
5.2
Op grond van de gedingstukken en de toelichting door partijen tijdens de mondelinge behandeling, waaruit blijkt dat de man en [minderjarige] geen contact (meer) hebben met elkaar, staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van de partijen bij hun vorderingen vast.
Voorlopige zorgregeling
5.3
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter met partijen besproken dat beide partijen het gezag hebben over [minderjarige] en dat de wet uitgaat van gelijkwaardig ouderschap. [minderjarige] heeft dus recht op gelijkwaardig contact met beide ouders. Vanwege haar zeer jonge leeftijd is het in het belang van [minderjarige] dat zij zich ook goed kan hechten aan de man. De man zal en moet de kans krijgen om een goede hechtingsrelatie met [minderjarige] op te bouwen. Dit betekent dat hij een grote rol moet krijgen in verzorging en opvoeding van [minderjarige] en vaak contact met haar moet hebben. De voorzieningenrechter volgt de Raad in het standpunt dat daarmee niet kan worden gewacht totdat [minderjarige] minder afhankelijk is van de vrouw of totdat het traject in het kader van het UHA is afgerond.
5.4
De voorzieningenrechter acht het in het belang van [minderjarige] dat zij voorlopig twee keer per week gedurende (minstens) een uur contact heeft met de man, waarvan eenmaal doordeweeks en eenmaal in het weekend. Gedurende de eerste vier contactmomenten zal de vrouw aanwezig zijn. Het heeft de voorkeur dat deze contactmomenten plaatsvinden onder begeleiding van mevrouw [persoon 3] . Indien dat niet mogelijk is op zo’n korte termijn, dan vinden de contacten plaats in een openbare ruimte. Na deze vier contactmomenten, zal het contact, indien mogelijk, plaatsvinden bij de ouders van de man. De vrouw zal ook dan gedurende vier contactmomenten aanwezig zijn (op de achtergrond). Daarna zal de vrouw [minderjarige] bij de man achterlaten. De ouders van de man, dan wel een van hen, blijven voorlopig op de achtergrond aanwezig. Partijen moeten beginnen met contacten van een uur. Daarna moeten zij samen kijken of die tijd kan worden uitgebreid. Daarbij is het belang van [minderjarige] leidend. Als zij tijdens de contacten regelmatig zodanig overstuur raakt dat zij niet meer te troosten is, dan is het beter om de duur van het contact voorlopig niet uit te breiden. Verder is het belangrijk dat man zich houdt aan de wens van vrouw dat hij na afloop van de contactmomenten niet met vrouw en [minderjarige] meeloopt naar buiten. De vordering van de vrouw te bepalen dat partijen alleen via WhatsApp contact met elkaar hebben, zal als niet weersproken worden toegewezen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter daarbij wel opgemerkt dat de vrouw telefonisch contact met de man moet opnemen, wanneer er iets met [minderjarige] is waarvan de man direct op de hoogte gesteld moet worden.
Uniform Hulpaanbod
5.5
De problematiek van de ouders omvat het volgende: Partijen zijn reeds voor de geboorte van [minderjarige] (feitelijk) uit elkaar gegaan. Beiden vinden het in het belang van [minderjarige] dat zij een goede band kan opbouwen met de man, maar het lukt partijen niet om daar samen invulling aan te geven, vanwege een gebrek aan vertrouwen en een gevoel van onveiligheid aan de zijde van de vrouw.
5.6
Het lukt ouders samen niet de problemen tussen hen op te lossen. De voorzieningenrechter vindt het, net als de Raad, daarom nodig dat voor deze ouders en [minderjarige] een passend (jeugd)hulpverleningstraject bij een zorgaanbieder wordt ingezet. Ouders hebben tijdens de mondelinge behandeling ermee ingestemd dat de voorzieningenrechter hen en [minderjarige] voor (jeugd)hulpverlening verwijst naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-West. De verwijzing heeft op
3 maart 2026 datum plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Dit vonnis geldt als bevestiging dat ouders met de doorverwijzing en de voorwaarden daarvan hebben ingestemd.
5.7
Met de inzet van het (jeugd)hulptraject gaan de ouders, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten:
- de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor [minderjarige] ;
- [minderjarige] heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund.
5.8
Gebleken is dat ouders daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de voorzieningenrechter na overleg met de ouders besloten dat zij samen met een zorgaanbieder ook gaan werken aan het behalen van de volgende resultaten:
- de gezagdragende ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van [minderjarige] ; (keuze: lichte interventie);
- [minderjarige] en de gezagdragende ouders hebben onbelast contact met elkaar;
- er is inzicht in de mogelijkheden/belemmeringen van beide ouders en de hulp die nodig is om een stabiele opvoedsituatie voor [minderjarige] te realiseren (binnen de scheidingssituatie).
De resultaten zijn ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is aan dit vonnis gehecht (bijlage 1). Ten aanzien van het verdere verloop van het traject overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
5.9
Na afloop van het (jeugd)hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/toegang op te maken rapport gevoegd. Tussen partijen is een bodemprocedure aanhangig, bij deze rechtbank bekend onder zaak-/rekestnummer C/02/445469 FA RK 26-1036. Voor het doorlopen van een hulpverleningstraject waarbij zoals hier wordt ingezet op onbelast contact wordt standaard een termijn van 9 maanden aangehouden. Gelet hierop verzoekt de voorzieningenrechter het loket om de volledige UHA-rapportage
uiterlijk op na te noemen pro forma datum, of zoveel eerder als mogelijk is, in de hiervoor genoemde
bodemprocedurein te brengen. Op verzoek van het loket en/of de gemeente/toegang kan de rechtbank deze termijn verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Als de verlenging wordt toegestaan dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door.
5.1
Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een mondelinge behandeling in de bodemprocedure nog nodig is. De advocaten maken in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de in die procedure gedane verzoeken met betrekking tot [minderjarige] .
5.11
Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de voorzieningenrechter het loket de volledige UHA-rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten.
5.12
Wanneer de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA-rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten.
5.13
Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de voorzieningenrechter de Raad dit onderzoek te verrichten en daarover in de in de bodemprocedure bekend onder zaak-/rekestnummer C/02/445469 FA RK 26-1036 een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vragen:
- Welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door de ouders past het beste bij de belangen van [minderjarige] ?
- Dient er hulpverlening te worden ingezet voor ouders en/of [minderjarige] en zo ja, welke?
- Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vraag aan de orde gesteld en zijn wel van belang om te vermelden?
5.14
Dit vonnis is een verzoek aan de Raad om dit onderzoek te verrichten, indien het traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
5.15
Na een onderzoek of interventie van de Raad stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid om binnen een termijn van 14 dagen op de rapportage van de Raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop.
5.16
De ouders zijn tijdens de mondelinge behandeling geïnformeerd over de privacy aspecten van de doorverwijzing (bijlage). Zij hebben met het delen van de privacy gegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt ingestemd.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
5.17
De voorzieningenrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd door partijen. Dat betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing.
Proceskosten
5.18
Omdat partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de zaak over hun kind gaat, zullen de proceskosten worden gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen. De vordering van de vrouw om de man te veroordelen in de proceskosten en de wettelijke rente over die kosten, zal worden afgewezen.

6.De beslissing

De voorzieningenrechter:
in conventie en in reconventie
6.1
stelt vast dat de man en de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2025 te [geboorteplaats] ,
voorlopiggerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar: twee keer per week gedurende (minstens) een uur, waarvan eenmaal doordeweeks en eenmaal in het weekend, een en ander met inachtneming van hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 5.4 van dit vonnis;
6.2
veroordeelt de vrouw uitvoering te geven aan de onder 6.1 vastgestelde voorlopige zorgregeling;
6.3
gebiedt de man om uitsluitend via WhatsApp contact te hebben met de vrouw en de (neutrale) locatie waar de contactmomenten met [minderjarige] plaatsvinden niet tegelijkertijd met de vrouw te verlaten, maar de vrouw eerst met [minderjarige] te laten vertrekken;
6.4
verwijst ouders en [minderjarige] voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-West. Het loket zal ouders en [minderjarige] vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van [minderjarige] verwijzen naar de zorgaanbieder;
6.5
verzoekt het loket om uiterlijk op
1 december 2026 pro forma, of zoveel eerder als mogelijk is, in de
bodemprocedurebekend onder zaak-/rekestnummer C/02/445469 FA RK 26-1036 de rapportage over het verloop en het resultaat van het (jeugd)hulpverleningstraject ter griffie in te dienen;
6.6
verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA-rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad;
6.7
verzoekt de Raad binnen veertien dagen na ontvangst van de UHA-rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;
6.8
verzoekt de Raad, regio Zeeland, West- en Midden-Brabant, locatie Breda, wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, ten behoeve van de bodemprocedure bekend onder zaak-/rekestnummer C/02/445469 FA RK 26-1036 onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in rechtsoverweging 5.13 opgenomen vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;
6.9
verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift van dit rapport en advies aan de advocaten van partijen;
6.1
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.11
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
6.12
wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van Triest, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026, in tegenwoordigheid van mr. Bishop-van Kollenburg, griffier.