ECLI:NL:RBZWB:2026:308

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
BRE 25/1571
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 26c Algemene wet inzake rijksbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen naheffingsaanslag parkeerbelasting niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting, maar dit beroep is te laat ingediend. De rechtbank beoordeelt dat de beroepstermijn van zes weken, die begon te lopen na de dagtekening van de uitspraak op bezwaar van 30 december 2024, is verstreken op 10 februari 2025.

Het beroepschrift is pas op 12 maart 2025 ontvangen en belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat het tijdig op de post is gedaan. De rechtbank oordeelt dat het beroep daarom kennelijk niet-ontvankelijk is. De door belanghebbende aangevoerde reden dat hij vertrouwde op een gegrondverklaring vanwege eerdere vergelijkbare zaken wordt niet als verschoonbaar beschouwd.

De rechtbank benadrukt dat de eerdere gegrondverklaringen betrekking hadden op andere parkeerlocaties en dat het bestreden bezwaar duidelijk ongegrond werd verklaard. Hierdoor is geen sprake van een niet aan belanghebbende toe te rekenen omstandigheid of geringe verwijtbaarheid.

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk en beoordeelt het beroep niet inhoudelijk. Het bestreden besluit blijft daarmee in stand. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-tijdige indiening.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/1571

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 januari 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats 1], belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Breda, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 30 december 2024. Het beroep ziet op de naheffingsaanslag parkeerbelasting met [aanslagnummer].
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat het te laat is ingediend en het te laat indienen niet verschoonbaar is. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Toetsingskader
3. Voor het indienen van een beroepschrift geldt een termijn van zes weken. [1] Deze termijn begint op de dag na de dagtekening van de uitspraak op bezwaar. [2] Maar als de dagtekening een datum is vóór de datum waarop de uitspraak op bezwaar is verzonden, begint deze termijn op de dag na de dag van verzending.
Een beroepschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. [3] Wanneer het beroepschrift (aangetekend of niet-aangetekend) met de gewone post [4] wordt verstuurd, is het bij ontvangst na het einde van de termijn onder voorwaarden ook tijdig ingediend. [5] Die voorwaarden zijn dat het beroepschrift voor het einde van de termijn op de post is gedaan én het niet later dan een week na afloop van de termijn bij de rechtbank is ontvangen. Als op de enveloppe geen (leesbaar) poststempel is geplaatst, neemt de rechtbank in beginsel aan dat het beroepschrift tijdig op de post is gedaan als het de eerste of tweede werkdag na de beroepstermijn is ontvangen. De rechtbank wijkt alleen van dit laatste uitgangspunt af als op grond van vaststaande feiten aannemelijk is dat het beroepschrift later dan de laatste dag van de termijn op de post is gedaan.
3.1.
Als iemand een beroepschrift te laat indient, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het beroepschrift verontschuldigbaar is. Dan laat de rechtbank niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege. [6]
Is het beroep te laat ingediend?
4. Vast staat dat de dagtekening van de uitspraak op bezwaar 30 december 2024 is. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de verzending ervan later dan die datum heeft plaatsgevonden. De termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde dus op 10 februari 2025.
4.1.
Belanghebbende heeft het beroepschrift met PostNL verstuurd. De rechtbank heeft het beroepschrift op 12 maart 2025 ontvangen. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat het beroepschrift voor het einde van de beroepstermijn op de post is gedaan. Het beroepschrift is dus niet tijdig ingediend.
Is het te laat indienen verontschuldigbaar?
5. Belanghebbende heeft hiervoor de volgende reden gegeven. Belanghebbende geeft aan dat hem pas na het dwangbevel duidelijk werd dat deze zaak anders is beoordeeld, dan de twee identieke zaken die in zijn voordeel zijn beslist. Belanghebbende mocht er gerechtvaardigd op vertrouwen dat dit bezwaar eveneens gegrond zou worden verklaard.
6. De heffingsambtenaar geeft aan dat belanghebbende niet mocht uitgaan van een gegrondverklaring. Deze aanname zorgt volgens de heffingsambtenaar niet voor een rechtvaardiging voor het overschrijden van de beroepstermijn. Daarnaast heeft de heffingsambtenaar belanghebbende voldoende gewezen op de termijn van zes weken voor het indienen van een beroepschrift.
7. De rechtbank is van oordeel dat de geschetste omstandigheden niet ertoe hebben geleid dat het beroep na het verstrijken van de termijn is ingediend als gevolg van geringe verwijtbaarheid of een niet aan belanghebbende toe te rekenen omstandigheid. In de uitspraak op bezwaar staat duidelijk dat het bezwaar ongegrond wordt verklaard en de naheffingsaanslag wordt gehandhaafd. Het vertrouwen dat het bezwaar desondanks gegrond zou zijn, zou zijn opgewekt door andere uitspraken op bezwaar. Belanghebbende heeft drie bezwaren ingediend. Eén bezwaar, het onderhavige, zag op de [straat 1] te [plaats 2], terwijl de andere twee uitspraken zagen op de [straat 2] te [plaats 2]. De twee bezwaren die zagen op de [straat 2] te [plaats 2] zijn gegrond verklaard uit coulance. De reden die gemeente Breda hiervoor heeft gegeven is dat belanghebbende meerdere keren dezelfde parkeerfout heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding op basis van opgewekt vertrouwen, ook al is naar mening van belanghebbende sprake van identieke situaties. Uit de uitspraken, met dezelfde datum, valt niet te herleiden dat alle bezwaren gegrond verklaard zijn. Bovendien ging één bezwaar over het parkeren in een andere straat, waarbij er dus sprake is van een ander feit.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van
R.P.A.G. Dekkers, griffier, op 23 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 6:7 van Pro de Awb.
2.Dit volgt uit artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
3.Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
4.Onder gewone post wordt verstaan door PostNL of door ieder ander bij de Autoriteit Consument en Markt geregistreerd postvervoerbedrijf.
5.Dit volgt uit artikel 6:9, tweede lid, van de Awb.
6.Dit volgt uit artikel 6:11 van Pro de Awb.