De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 16 maart 2026 het verzoek van de moeder om het gezamenlijk gezag over hun minderjarige kind aan haar alleen toe te kennen. Partijen waren gehuwd geweest en hadden gezamenlijk gezag over het kind, dat bij de moeder woont. De minderjarige, inmiddels 15 jaar, heeft een ernstige problematiek waaronder autisme en ADHD en ontvangt intensieve hulpverlening.
De moeder stelde dat de verstandhouding tussen de ouders ernstig verstoord is en dat de minderjarige geen contact meer wil met de vader. De vader wenst betrokken te blijven bij de hulpverlening, ondanks de uitdrukkelijke wens van het kind dat hij geen informatie over hem opvraagt. De Raad voor de Kinderbescherming benadrukte de kwetsbaarheid van het kind en de mogelijke negatieve gevolgen van de vaderlijke betrokkenheid tegen de wil van het kind in.
De rechtbank oordeelde dat het belang van de minderjarige bij rust en duidelijkheid prevaleert boven het belang van de vader om geïnformeerd te worden. Gezien de ernstige spanningen tussen vader en kind en de negatieve impact op de hulpverlening, is het eenhoofdig gezag aan de moeder anderszins noodzakelijk. Het gezamenlijk gezag wordt beëindigd en het gezag wordt aan de moeder toegekend. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden aangevochten door hoger beroep.