Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3047

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 maart 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
C/02/440519 FA RK 25-5134
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • M. Meyboom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:251a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing eenhoofdig gezag moeder wegens belang minderjarige en verstoorde relatie vader

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 16 maart 2026 het verzoek van de moeder om het gezamenlijk gezag over hun minderjarige kind aan haar alleen toe te kennen. Partijen waren gehuwd geweest en hadden gezamenlijk gezag over het kind, dat bij de moeder woont. De minderjarige, inmiddels 15 jaar, heeft een ernstige problematiek waaronder autisme en ADHD en ontvangt intensieve hulpverlening.

De moeder stelde dat de verstandhouding tussen de ouders ernstig verstoord is en dat de minderjarige geen contact meer wil met de vader. De vader wenst betrokken te blijven bij de hulpverlening, ondanks de uitdrukkelijke wens van het kind dat hij geen informatie over hem opvraagt. De Raad voor de Kinderbescherming benadrukte de kwetsbaarheid van het kind en de mogelijke negatieve gevolgen van de vaderlijke betrokkenheid tegen de wil van het kind in.

De rechtbank oordeelde dat het belang van de minderjarige bij rust en duidelijkheid prevaleert boven het belang van de vader om geïnformeerd te worden. Gezien de ernstige spanningen tussen vader en kind en de negatieve impact op de hulpverlening, is het eenhoofdig gezag aan de moeder anderszins noodzakelijk. Het gezamenlijk gezag wordt beëindigd en het gezag wordt aan de moeder toegekend. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden aangevochten door hoger beroep.

Uitkomst: Het gezamenlijk gezag wordt beëindigd en het gezag wordt aan de moeder toegekend wegens het belang van de minderjarige.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/440519 FA RK 25-5134
Datum uitspraak: 16 maart 2026
Beschikking betreffende gezag
in de zaak van
[de vrouw],
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. P.P.M. Hendrikx-Heeren,
en
[de man] ,
wonende te [woonplaats 2] , België,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. P.G.M. Lodder.
1 Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 6 oktober 2025 van de vrouw ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
- het ouderschapsplan van 15 december 2010 en de echtscheidingsbeschikking van 1 juni 2011 en de beschikking van 2 december 2019 betreffende de zorgregeling en kinderalimentatie van de rechtbank Midden-Nederland.
1.2 De zaak is behandeld op de zitting van 12 februari 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, en de man, zonder advocaat.
Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad.
1.3 De advocaat van de man heeft in zijn F2-formulier van 8 januari 2026 (waarbij hij zich heeft gesteld voor de man) verzocht om uitstel van de geplande zitting. Dit verzoek is afgewezen. De man heeft vervolgens op zitting weer verzocht om aanhouding van de zaak. Hij heeft aangegeven dat hij veel moeite heeft moeten doen om een advocaat te vinden. Nu is zijn advocaat verhinderd voor de zitting. De vrouw heeft gemotiveerd bezwaar gemaakt tegen aanhouding en vindt uitstel van de zitting niet in het belang van de minderjarige.
De rechtbank stelt vast dat partijen al bij brief van 11 november 2025 zijn opgeroepen voor de zitting van 12 februari 2026. De man was dus al langere tijd op de hoogte van deze zitting, zodat hij voldoende tijd heeft gehad om een advocaat te vinden. In het procesreglement is opgenomen dat een advocaat een zaak niet moet aannemen als bij hem op dat moment bekend is dat hij niet op de al geplande zitting aanwezig kan zijn. Daarbij heeft de advocaat van de man sinds 8 januari 2026 voldoende tijd gehad om een verweerschrift in te dienen, hetgeen hij niet heeft gedaan. De rechtbank heeft de behandeling op zitting daarom laten doorgaan.
1.4 Na te noemen minderjarige is gelet op zijn leeftijd in staat gesteld zijn mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek. Hij heeft hiervan gebruik gemaakt en heeft met de kinderrechter gesproken op 9 februari 2026.

2.De feiten

2.1
Blijkens de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:
- partijen zijn met elkaar gehuwd geweest van 24 november 2004 tot 30 juni 2011;
- uit hun huwelijk is het volgende, nu nog minderjarige kind geboren:
[minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2010;
- partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over die minderjarige;
- de minderjarige heeft zijn hoofdverblijf bij de vrouw.

3.Het verzoek

De vrouw verzoekt, samengevat, bepaling dat voortaan aan haar alleen het gezag over de minderjarige toekomt.

4.De beoordeling

4.1
De vrouw legt aan haar verzoek het volgende ten grondslag.
Vanwege de ernstig verstoorde verstandhouding tussen partijen, de weigering van [minderjarige] van inmiddels 15 jaar oud om nog contact te hebben met de man en de aanhoudende pogingen van de man om betrokken te blijven bij de hulpverlening – tegen de wil van [minderjarige] in – is sprake van een situatie waarin het kind ernstig klem dreigt te raken tussen de ouders. Deze situatie bestaat al langdurig en uitzicht op verbetering ontbreekt. Daarnaast wordt de voortgang van de hulpverlening van [minderjarige] door de rol van de man belemmerd en dat maakt dat wijziging van het gezag ook anderszins in het belang van [minderjarige] is.
4.2
De man heeft op zitting mondeling verweer gevoerd.
Hij heeft aangevoerd dat hij betrokken wil blijven in het leven van [minderjarige] en op de hoogte wil zijn van de hulpverlening die [minderjarige] krijgt. De man stelt dat [minderjarige] in een loyaliteitsconflict zit. Hij wil weten waar het vandaan komt dat [minderjarige] niet wil dat hij informatie opvraagt bij de hulpverlenende instanties. Hij snapt niet waar die weerstand bij [minderjarige] vandaan komt.
Verder is het niet zo dat hij iets weigert of dat hij tegenwerkt. Hij werkt overal aan mee en tekent voor toestemming, aldus de man.
4.3
De Raad merkt op dat [minderjarige] een kwetsbare jongen met problemen is. Het kan zo zijn dat [minderjarige] op een gegeven moment geen hulp meer wil, omdat zijn vader tegen zijn wil in informatie over hem opvraagt, terwijl hij wel hulp nodig heeft. In het belang van [minderjarige] zou het gezag van de man eventueel ook deels beperkt kunnen worden. De Raad wil [minderjarige] dan daarover horen. Er zou ook een raadonderzoek kunnen komen, maar gezien de wachttijd bij de Raad en de onderzoektijd kan dit wel meer dan negen maanden gaan duren en zo lang kan [minderjarige] niet wachten. Omdat de man zonder advocaat op zitting was, vindt de Raad het lastig om een uitspraak te doen over het eenhoofdig gezag; anders had de Raad dat wel gedaan. De Raad ziet nog als optie om een bijzonder curator te benoemen voor [minderjarige] . De Raad benoemt ook nog dat [minderjarige] zijn grenzen al langdurig aangeeft, maar dat de man toch over die grenzen heen gaat om zijn recht als gezagdragende vader op te eisen. Het wordt niet duidelijk waarom de man dat doet.
4.4
De rechtbank overweegt als volgt.
Op grond van artikel 1:251a lid 1 BW kan de rechter bepalen dat het gezag over minderjarigen aan één ouder toekomt indien (a) er een onaanvaardbaar risico is dat bij instandhouding van gezamenlijk gezag van beide ouders de kinderen klem of verloren zouden raken tussen die ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of (b) indien wijziging van het gezag anderszins in het belang van de minderjarigen noodzakelijk is.
De rechtbank stelt vast dat [minderjarige] kampt met forse problematiek (autisme, ADHD, dwanghandelingen, ernstige overprikkeling en angsten). Hij heeft veel hulpverlening nodig. Hij is gevoelig voor spanningen; zijn klachten nemen toe als hij stress ervaart. Er is thuisbehandeling geweest en er is begeleiding/dagbesteding bij [dagbesteding] opgestart. Ter zitting heeft de vrouw toegelicht dat [minderjarige] bezig is met een re-integratietraject, met een toekomstperspectief op een baan. [minderjarige] heeft aangegeven dat hij stress ervaart van het feit dat zijn vader informatie opvraagt en krijgt over hem; gevoelige informatie die hij bewust niet met zijn vader wil delen. [minderjarige] heeft daarover uitgebreid gepraat met de hulpverleners. Hij heeft zijn vader twee brieven geschreven, op 2 januari 2025 en op 10 september 2025, waarin hij dit aangeeft met het verzoek om hem zijn rust te geven. De man wil aan deze wens van [minderjarige] geen gehoor geven. De rechtbank wil in het midden laten waar deze wens van [minderjarige] vandaan komt; in ieder geval kan worden vastgesteld dat het een uitdrukkelijke en standvastige wens van [minderjarige] is. Door de hulpverlening is bevestigd dat door het niet respecteren van de wens van [minderjarige] door zijn vader de (stress)klachten van [minderjarige] toenemen. Met de Raad is de rechtbank van oordeel dat de inzage door de man in de dossiers van [minderjarige] de vertrouwensrelatie tussen [minderjarige] en zijn hulpverleners ernstig kan schaden en zijn hulpverlening in het gedrang kan brengen. Ter zitting is gebleken dat de man niet bereid is om de wens van [minderjarige] in te willigen, omdat volgens hem eerst moet worden uitgezocht waar die wens vandaan komt. Op de vraag van de Raad heeft de man aangegeven dat hij eventueel wel tijdelijk, een paar maanden, geen contact zou willen opnemen met de hulpverlenende instanties, maar een toezegging wil en kan de man niet echt doen. De rechtbank stelt vast dat er al heel veel hulpverlening en onderzoeken zijn geweest voor [minderjarige] , waaronder ook een ondertoezichtstelling. Naar het oordeel van de rechtbank kan van [minderjarige] niet worden verlangd nogmaals mee te werken aan nader onderzoek, zoals een raadsonderzoek of een bijzonder curator. [minderjarige] heeft baat bij rust en duidelijkheid. Het belang van [minderjarige] bij rust prevaleert boven het belang van de man om geïnformeerd te worden over [minderjarige] . De rechtbank acht eenhoofdig gezag door de vrouw in het belang van [minderjarige] , op basis van het criterium dat het anderszins noodzakelijk is voor de minderjarige. De spanningen spelen met name tussen [minderjarige] en de man en niet tussen de ouders onderling waardoor [minderjarige] klem of verloren zou raken. Het verzoek van de vrouw zal dan ook, op de grond dat het eenhoofdig gezag anderszins in het belang van [minderjarige] is, worden toegewezen.

5.De beslissing

De rechtbank
beëindigt het gezamenlijk ouderlijk gezag ten aanzien van de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2010, en bepaalt dat het gezag voortaan aan de vrouw alleen toekomt;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
gelast de griffier van deze rechtbank om deze beslissing over het gezag in te schrijven in het gezagsregister;
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Meyboom, kinderrechter, en, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.