Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3046

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 maart 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
C/02/444943 / JE RK 26-241
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van de Merbel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 1:247 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarigen wegens bedreigde ontwikkeling en gebrekkige samenwerking ouders

De kinderrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 16 maart 2026 besloten de ondertoezichtstelling van twee minderjarigen te verlengen tot 25 maart 2027. De minderjarigen wonen bij hun moeder en zijn onder toezicht gesteld vanwege ernstige bedreiging van hun ontwikkeling. De gecertificeerde instelling (GI) verzocht om verlenging omdat de doelen van de ondertoezichtstelling nog niet zijn bereikt, met name het tot stand brengen van structureel en voorspelbaar contact tussen de kinderen en hun vader.

Tijdens de zitting waren de ouders en vertegenwoordigers van de GI aanwezig. De minderjarigen maakten geen gebruik van hun recht om hun mening te geven. De moeder verzet zich tegen de verlenging vanwege gebrek aan vertrouwen in de GI en zorgen over de veiligheid van onbegeleid contact met de vader, die volgens haar nog niet aan zijn agressieproblemen heeft gewerkt. De vader steunt het verzoek en benadrukt dat de kinderen meer contact willen.

De kinderrechter oordeelt dat de ontwikkeling van de kinderen nog steeds ernstig wordt bedreigd door het ontbreken van onbelast contact tussen vader en kinderen en de gebrekkige samenwerking tussen ouders. De hulpverlening moet daarom in een gedwongen kader worden voortgezet. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard om de continuïteit van de hulpverlening te waarborgen.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarigen wordt verlengd tot 25 maart 2027 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaak-/rekestnummer: C/02/444943 / JE RK 26-241
Datum uitspraak: 16 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg, hierna te noemen GI,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 11 februari 2026;
  • de brief d.d. 27 februari 2026 van de GI, met bijlagen;
  • het e-mailbericht d.d. 9 maart 2026 van de moeder, met bijlagen.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- de vader;
- twee vertegenwoordigers van de GI.
1.3.
[minderjarige 2] en [minderjarige 1] zijn in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. Daar hebben zij geen gebruik van gemaakt.
2.
De feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] .
2.2.
[minderjarige 2] en [minderjarige 1] wonen bij hun moeder.
2.3.
Bij beschikking van 25 juni 2024 zijn [minderjarige 2] en [minderjarige 1] onder toezicht gesteld van de
GI voor de duur van negen maanden, te weten met ingang van 25 juni 2024 en tot 25 maart 2025. Daarna is deze maatregel steeds verlengd, laatstelijk bij beschikking van 1 oktober 2025, zulks met ingang van 9 oktober 2025 en tot 25 maart 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het verzoek. Momenteel zijn nog altijd de doelen van de ondertoezichtstelling niet behaald. Het doel waar met name de afgelopen tijd aan gewerkt is, is het tot stand brengen van structureel en voorspelbaar contact tussen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en de vader. De begeleide contacten tussen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en de vader verlopen goed en er zijn geen signalen van onveiligheid. De GI is dan ook, samen met de betrokken hulpverlening, van oordeel dat uitbreiding van het contact aan de orde is. Echter blijft de moeder barrières opwerpen voor de opbouw van de omgang. De GI bevestigt dat vader geen emotieregulatiebehandeling heeft gehad. Daarentegen werkt de vader sinds begin van de ondertoezichtstelling mee aan de begeleide omgang. Tijdens deze begeleide omgangsmomenten worden er door de begeleiders geen zorgsignalen gezien. Integendeel zelfs, de vader kan goed aanvoelen waar [minderjarige 1] en [minderjarige 2] behoefte aan hebben, geeft aan wat hij moeilijk vindt, maakt dit ook bespreekbaar met de begeleiders, volgt hun adviezen op en past dit gelijk toe. Daarnaast is het ouderschapsbemiddelingstraject nog lopende en is de hulpverlening bezig met de ouders apart een ouderschapsplan te maken. Desalniettemin worden diepere onderliggende onderwerpen niet aangepakt. Het ontbreekt dan ook nog aan passende hulpverlening die daadwerkelijk met de ouders aan het onderliggende patroon gaat werken, namelijk de trauma’s, wantrouwen en angst voor nieuwe onveiligheid, beschuldigingen en ontkenningen van onderliggende problematiek.
4.2.
De moeder voert verweer tegen het verzoek van de GI en concludeert tot afwijzing van het verzoek. Haar vertrouwen in de jeugdbeschermers is verdwenen. Door interne wisselingen van de jeugdbeschermers is er veel informatie verloren gegaan. Twee maanden geleden zijn er twee nieuwe jeugdbeschermers aangesteld. Zij betrekken en informeren de moeder onvoldoende over belangrijke zaken en beslissingen aangaande [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Tevens heeft de moeder zorgen over de veiligheid van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , indien zij onbegeleid contact met vader zouden hebben. De moeder heeft het gevoel dat door de GI voorbij wordt gegaan aan de veiligheid van de kinderen. Uit het onderzoek van de Raad kwam duidelijk naar voren dat vader individuele hulpverlening nodig heeft om zijn emoties onder controle te krijgen. De moeder kan dan ook niet begrijpen hoe er in het kader van het verlengingsverzoek een compleet andere risicotaxatie bij vader is vastgesteld en er nu nog amper zorgen zijn. Echter heeft de vader nog steeds niet gewerkt aan zijn agressieproblemen. De moeder ziet niet in niet hoe onbegeleid contact tussen de vader en de kinderen veilig kan plaatsvinden, als de vader nog niet aan zijn problematiek gewerkt heeft.
4.3.
Door de vader is naar voren gebracht dat hij het eens is met het verzoek van de GI. Zonder ondertoezichtstelling weet de vader zeker dat de moeder [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van hem zal weghouden. Desalniettemin geven de kinderen duidelijk aan dat zij hun vader meer en onbegeleid willen zien. Volgens de vader zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] oud genoeg om zelf aan te geven of zij het contact met de vader al dan niet als veilig ervaren. Ook de ingezette hulpverlening, [hulpverlening] en de kindbehartigers, geven aan dat de contacten tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] goed verlopen en uitbreiding van de omgangsmomenten aan de orde is. De vader weet niet meer hoe hij de moeder gerust moet stellen als zij zelfs niet de ingezette hulpverlening gelooft.

5.De beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW)
kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de
duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter een
minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die
minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
Inhoudelijke beoordeling
5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan en de kinderrechter zal daarom het verzoek van de GI toewijzen voor de duur van twaalf maanden. Dat betekent dat de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt verlengd, zulks met ingang van 25 maart 2026 en tot 25 maart 2027. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.4.
De ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt nog steeds ernstig bedreigd. Tot op heden vindt er nog steeds geen structurele, onbelast omgang tussen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en de vader plaats. Hoewel de begeleide omgang goed genoeg gaat en er tijdens deze contactmomenten geen onveiligheid heeft plaatsgevonden in de afgelopen paar maanden, blijft de moeder wantrouwend jegens de vader. Zij is overtuigd dat omgang niet veilig onbegeleid kan plaatsvinden en dat de vader daartoe eerst individuele hulpverlening zal moeten aangaan. Doordat de omgang telkens opnieuw stagneert wordt vader steeds wanhopiger en bozer naarmate de tijd vordert en moeder blijft hierdoor wantrouwig, terughoudend en wil de regie en controle houden over de omgang tussen vader en de kinderen. Het lukt de ouders dan ook nog steeds onvoldoende om samen te werken en te communiceren in het belang van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . Ondanks dat er een ouderschapsbemiddelingstraject loopt, lijken ze elkaar nog steeds veel te verwijten, te wantrouwen en hebben veel zorgen over elkaars opvoedsituatie en opvoedvaardigheden. Dit patroon dient doorbroken te worden. Het risico is dan ook nog steeds reëel dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] klem raken tussen hun beide ouders en loyaliteitsproblemen ontwikkelen, hetgeen een negatieve impact kan hebben op hun emotionele en sociale ontwikkeling.
5.5.
Uit de hiervoor beschreven zorgen, blijkt dat de eerder opgestelde doelen van de ondertoezichtstelling nog niet zijn behaald. De kinderrechter acht de ouders op dit moment ook nog niet in staat om samen, zonder hulp van een professionele derde, tot een verbetering van de situatie te komen. Nu het de ouders zelf niet lukt om gezamenlijk de huidige situatie te veranderen, is het noodzakelijk dat de hulpverlening in het gedwongen kader wordt voortgezet zodat er gewerkt blijft worden aan het behalen van de eerder opgestelde doelen.
5.6.
De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor een jaar verlengen. Op die manier blijft de jeugdbeschermer betrokken om erop toe te zien dat passende hulpverlening wordt ingezet en dat deze hulpverlening doorgang blijft vinden. Daarnaast kan de jeugdbeschermer in het kader van de ondertoezichtstelling als neutraal persoon betrokken blijven om de regie te voeren en de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te behartigen.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarigen noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 25 maart 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2026 door mr. Van de Merbel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. De Haard als griffier, en op schrift gesteld op 3 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.