Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3028

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 maart 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
C/02/440356 / FA RK 25-5045
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Sumner
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:250 BWArt. 1:253a BWArt. 810 RvArt. 223 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling voorlopige zorg- en contactregeling en vervangende toestemming schoolkeuze minderjarige

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een verzoek tot wijziging van de zorg- en contactregeling tussen ouders over twee minderjarige kinderen. De ouders zijn gescheiden en hebben gezamenlijk gezag. De zorg- en contactregeling was eerder voorlopig vastgesteld, waarbij contact tussen de vader en de jongste minderjarige wekelijks plaatsvindt en het contact met de oudste minderjarige voorlopig is geschorst.

De vrouw verzocht om voortzetting van deze regeling, benoeming van een bijzondere curator voor advies over zorg, opvoeding en gezagsverdeling, en vervangende toestemming voor het inzetten van hulpverlening en schoolkeuze. De man stemde in met een aantal gezagszaken, maar weigerde toestemming voor een schoolwissel van de jongste minderjarige.

De rechtbank verleende vervangende toestemming voor het onderzoek naar de wenselijkheid en noodzaak van de schoolkeuze, stelde de voorlopige zorg- en contactregeling vast en wees het verzoek tot benoeming van een bijzondere curator af. De regie over de verdere zorg- en contactregeling wordt belegd bij de gecertificeerde instelling. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank stelt de voorlopige zorg- en contactregeling vast, verleent vervangende toestemming voor onderzoek schoolkeuze en wijst het verzoek tot benoeming van een bijzondere curator af.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/440356 / FA RK 25-5045
Datum uitspraak: 16 maart 2026
Beschikking over wijziging verdeling zorg- en opvoedingstaken, bijzondere curator en vervangende toestemming
in de zaak van
[de vrouw],
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: voorheen mr. S.H. Oosterhuis-Broers te Eindhoven (onttrokken per 31 oktober 2025), vanaf dat moment mr. R.A.M. Verlijsdonk-Gerards te Eindhoven,
tegen
[de man],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de man,
over de minderjarigen:
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2012 te [geboorteplaats 1] , hierna te noemen: [minderjarige 1] ;
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2015 te [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De rechtbank merkt voor het vervolg van deze zaak als belanghebbende aan:
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Tilburg, hierna te noemen: de GI.
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.

1.Het procesverloop

1.1.
In het procesdossier zitten de volgende stukken:
  • het op 30 september 2025 ontvangen verzoekschrift, met bijlagen;
  • de brief van 2 januari 2026 van mr. Verlijsdonk-Gerards met daarin een wijziging van het verzoek, met bijlagen;
  • het F9-formulier van 7 januari 2026 van mr. Verlijsdonk-Gerards, met bijlage.
1.2.
Het namens de vrouw ingediende verzoek tot het treffen van een provisionele voorziening heeft de rechtbank behandeld ter zitting op 11 december 2025. In die zaak heeft de rechtbank bij beschikking van 24 december 2025 beslist (in de zaak met het zaaknummer C/02/440355 / FA RK 25-5044).
1.3.
De verzoeken in deze bodemzaak zijn mondeling ter zitting behandeld op 8 januari 2026, gelijktijdig met het verzoek van de Raad tot ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . In die zaak heeft de kinderrechter bij beschikking van 8 januari 2026 beslist (in de zaak met het zaaknummer C/02/443497 / JE RK 25-2319).
1.4.
Bij voormelde zitting zijn verschenen en gehoord:
  • de vrouw, bijgestaan door mr. Verlijsdonk-Gerards;
  • de man;
  • een vertegenwoordigster namens de Raad;
  • een vertegenwoordigster namens de GI (via een digitale tweezijdige beeld- en geluidsverbinding via MS Teams).
1.5.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben, gezien hun leeftijd, het recht om hun mening in deze zaak te geven. Omdat de kinderrechter hen medio december 2025 al heeft gesproken met het oog op de aanstaande zitting in de tussen partijen aanhangige zaak over provisionele voorzieningen en de onderwerpen in die zaak de onderwerpen in deze zaak raken, heeft de kinderrechter [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , vanwege de extra belasting dat dit voor hen met zich mee zou brengen, niet nogmaals uitgenodigd voor een gesprek met de kinderrechter.

2.De feiten

2.1.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, stelt de rechtbank de volgende feiten vast:
  • De ouders zijn met elkaar getrouwd geweest van 20 september 2011 tot 16 januari 2017. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn tijdens dit huwelijk geboren;
  • De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;
  • [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw;
  • Van de echtscheidingsbeschikking van 19 december 2016 maakt het door partijen ondertekende ouderschapsplan deel uit. Hierin hebben partijen afspraken gemaakt over een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.
2.2.
Bij beschikking van deze rechtbank van 24 december 2025 (in de zaak met het zaaknummer C/02/440355 / FA RK 25-5044) heeft de rechtbank bepaald, bij wijze van provisionele voorziening op grond van artikel 223 Rv Pro, dus totdat definitief in deze bodemzaak is beslist, dat de zorg- en contactregeling tussen de man en [minderjarige 1] voorlopig wordt geschorst en dat de man en [minderjarige 2] voorlopig wekelijks op zaterdag van 09.00 uur tot 12.00 uur gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar, waarbij de vrouw ervoor zorgt dat [minderjarige 2] naar de man wordt gebracht en dat hij weer wordt opgehaald. De rechtbank heeft daarnaast toestemming verleend aan de vrouw, ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de man, om de jeugdhulpverlening via Crossroads in de vorm van de kindbehartiger via De Gezinsmanager te hervatten voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Beide beslissingen zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het verzoek van de vrouw om bij wijze van provisionele voorziening een bijzondere curator voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te benoemen, is afgewezen.

3.De verzoeken van de vrouw en de onderbouwing daarvan

3.1.
De vrouw verzoekt in deze bodemzaak, na wijziging van haar verzoeken, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
  • in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te bepalen dat de voorlopige zorg- en contactregeling zoals bepaald bij wijze van provisionele voorziening te laten doorlopen totdat de rechtbank naar aanleiding van het advies van de Raad en/of de bijzondere curator definitief beslist;
  • op grond van artikel 1:250 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) een bijzondere curator voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te benoemen met als taakopdracht advies uitbrengen over de wijze waarop de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken moet worden ingevuld, welke hulpverlening nodig en passend is, welke medische zorg nodig is, welke schoolkeuze voor [minderjarige 2] passend is en of het wenselijk/noodzakelijk is dat het gezamenlijk ouderlijk gezag in stand blijft en de vrouw dient te worden belast met het eenhoofdig gezag, althans een advies door de rechtbank in goede justitie te bepalen;
  • de vrouw toestemming te verlenen, ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de man, voor het inzetten dan wel het voortzetten van de bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] betrokken hulpverleningsinstanties te weten Crossroads, De GezinsManager en Samen Sterker, alsmede eventuele andere door Crossroads geadviseerde onderaannemers.
3.2.
Namens en door de vrouw is ter onderbouwing van voormelde verzoeken, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd. De vrouw stelt dat de zorg- en contactregeling tussen de man en de kinderen in het afgelopen jaar moeizaam is verlopen. Dit komt onder andere doordat de man moeite heeft om voldoende aan te sluiten bij de belevingswereld van de kinderen, waardoor hij onvoldoende aansluit bij hun wensen en behoeften. Dit heeft ertoe geleid dat er tussen de man en [minderjarige 1] al ruim een jaar geen sprake is van contact. Het contact tussen de man en [minderjarige 2] is in het afgelopen jaar sterk verminderd in frequentie. Op 11 december 2025 - tijdens de mondelinge behandeling van de verzoeken van de vrouw tot het treffen van provisionele voorzieningen - zijn partijen een voorlopige zorg- en contactregeling overeengekomen op basis waarvan de man en [minderjarige 2] iedere week op zaterdag van 09.00 uur tot 12.00 uur contact met elkaar hebben. Partijen hebben daarnaast afgesproken dat de zorg- en contactregeling tussen de man en [minderjarige 1] voorlopig is geschorst. De vrouw stelt dat voormelde regeling tussen de man en [minderjarige 2] weliswaar goed verloopt, maar dat deze regeling vooralsnog het hoogst haalbare is. De vrouw verzoekt daarom te bepalen dat voormelde voorlopige regeling voor [minderjarige 2] blijft doorlopen en te bepalen dat het contact tussen de man en [minderjarige 1] slechts kan worden hersteld als [minderjarige 1] daar zelf om vraagt. De vrouw kan ermee instemmen dat de regie over de (verdere) vormgeving en uitbreiding van de zorg- en contactregeling tussen de man en beide kinderen bij de GI wordt belegd.
3.3.
De vrouw verzoekt om voor beide kinderen een bijzondere curator te benoemen met als taakopdracht te adviseren over onder andere medische onderzoeken, behandeltrajecten en de schoolkeuze voor [minderjarige 2] en het contact(herstel) tussen beide kinderen en de man, zodat alle bestaande kwesties tussen partijen hierover worden weggenomen, en om te onderzoeken of er sprake is van een of meerdere contra-indicaties voor het in stand laten van het gezamenlijk ouderlijk gezag van partijen over de kinderen. Dat de kinderen inmiddels onder toezicht zijn gesteld doet niet af aan de meerwaarde van het benoemen van een bijzondere curator, omdat de GI niet per direct een vaste jeugdbeschermer beschikbaar heeft die de ondertoezichtstelling kan en zal uitvoeren en de ervaring leert dat een bijzondere curator zich over dergelijke kwesties nadrukkelijker uitspreekt.

4.De standpunten van de man en de GI alsmede het advies van de Raad

4.1.
De man heeft, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. De man bekruipt het gevoel dat de vrouw er alles aan doet om hem uit het leven van de kinderen te verwijderen. De man stelt daarnaast dat de vrouw niet eens probeert om met hem te overleggen. De vrouw neemt enkel contact met hem op om toestemming te vragen voor gezagszaken over de kinderen. Zij verwacht dan dat de man per ommegaande reageert en instemt. De man wil graag gelijkwaardig ouder zijn en, net als de vrouw, inspraak hebben over gezagszaken die de kinderen aangaan en betrokken zijn in hun leven als ouder met gezag. De man heeft ter zitting ingestemd en zijn toestemming verleend voor een aantal van de gezagszaken in verband waarmee de vrouw heeft verzocht om haar vervangende toestemming te verlenen dan wel een onderzoek door een bijzondere curator te gelasten. De man heeft daarbij aangegeven dat een aantal van de toestemmingsverzoeken van de vrouw voor hem niet duidelijk was. Zo wist hij niet dat Crossroads ook betrokken is voor het voortzetten van het huidige traject van [minderjarige 2] bij de zorgboerderij. Dat de man niet eerder zijn toestemming heeft verleend voor bepaalde gezagszaken, is dan ook te wijten aan de gebrekkige communicatie van de vrouw. De man geeft geen toestemming voor het verrichten van een onderzoek naar de noodzaak dan wel de wenselijkheid dat [minderjarige 2] zal overstappen naar een andere school ( [school] ).
4.2.
De GI heeft, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. De GI stelt dat zij te maken heeft met een wachtlijst voordat er een vaste jeugdbeschermer kan en zal worden aangesteld die de ondertoezichtstelling van de kinderen zal uitvoeren. Binnen een week zal een jeugdbeschermer contact opnemen met beide ouders voor een kennismaking en om te bezien wat er nu nodig is. Als er dingen geregeld moeten worden over bepaalde gezagszaken die de kinderen aangaan of over de contacten tussen de man en de kinderen, dan zal de GI daarop inzetten. Na verloop van tijd zal de uitvoering van de maatregel worden opgepakt door een tijdelijke jeugdbeschermer vanuit het Provinciaal Instroomteam (PIT). De GI vindt het positief dat de man ter zitting zijn toestemming heeft gegeven voor een aantal belangrijke gezagszaken die de kinderen aangaan. De GI vindt het daarnaast een goed idee om de regie over de (verdere) vormgeving en de uitbreiding van de zorg- en contactregeling tussen de man en de kinderen bij haar te beleggen.
4.3.
De Raad heeft, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. Nu de man zijn toestemming heeft verleend voor het regelen van een aantal gezagszaken, is voor die zaken geen vervangende toestemming vanuit de rechtbank en/of een onderzoek vanuit een bijzondere curator nodig. Over de schoolkeuze van [minderjarige 2] heeft de Raad aangegeven dat het van belang is dat wordt onderzocht of een overstap naar [school] (particulier onderwijs) (zoals de vrouw graag wil) in zijn belang moet worden geacht en zo ja, wanneer die overstap dan moet plaatsvinden. Nu de man daar niet mee instemt, adviseert de Raad om hiervoor vervangende toestemming te verlenen aan de vrouw. Het advies van de (jeugd)professionals daarover zal vervolgens, naar de mening van de Raad, gevolgd moeten worden. De Raad adviseert tot slot om de huidige voorlopige zorg- en contactregeling tussen de man en de kinderen vooralsnog te laten doorlopen en de regie over de (verdere) vormgeving en de uitbreiding daarvan bij de GI te beleggen.

5.De beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Op grond van artikel 1:253a, lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen die te maken hebben met de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Uit lid 2 van voornoemd artikel volgt dat de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een regeling kan vaststellen over de uitoefening van het ouderlijk gezag. Dit kan op grond van sub a een regeling zijn over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders over hun kind(eren).
5.2.
Op grond van voormeld artikel kan de rechtbank eveneens vervangende toestemming verlenen aan een ouder voor het nemen van gezagsbeslissingen over hun kind(eren) die, in geval van gezamenlijk gezag, door de beide gezagdragende ouders gezamenlijk genomen moeten worden, zoals voor bepaalde medische onderzoeken en behandelingen, medicatiegebruik en de schoolkeuze.
5.3.
De rechtbank beproeft, alvorens te beslissen, een vergelijk tussen de ouders en neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
5.4.
Uit artikel 1:250 BW Pro volgt, voor zover hier van belang, het volgende. Wanneer in aangelegenheden betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige de belangen van de met het gezag belaste ouder(s) in strijd zijn met die van de minderjarige, kan de rechtbank, indien dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk wordt geacht, daarbij in het bijzonder de aard van de belangenstrijd in aanmerking genomen, op verzoek van een belanghebbende of ambtshalve een bijzondere curator benoemen om de minderjarige terzake, zowel in als buiten rechte te vertegenwoordigen.
Hulpverlening voor prikangst, onderzoek naar allergieën en eventuele daaruit voortkomende (medicamenteuze) behandeling [minderjarige 2]
5.5.
Naar aanleiding van wat er tijdens de zitting is besproken, heeft de man zijn toestemming verleend aan de vrouw voor het inzetten van hulpverlening gericht op het wegnemen van de prikangst die [minderjarige 2] ervaart en, daarmee samenhangend, voor het verrichten van (medisch) onderzoek naar eventuele allergieën en, indien naar aanleiding daarvan wordt geadviseerd om bepaalde medicatie te gebruiken, voor het gebruiken van die medicatie.
5.6.
Hierdoor heeft de vrouw geen belang meer bij vervangende toestemming met betrekking tot deze onderwerpen, en zullen deze verzoeken worden afgewezen.
Voortzetten zorgboerderij [minderjarige 2]
5.7.
De man heeft daarnaast zijn toestemming verleend aan de vrouw voor het in-/voortzetten van de huidige trajecten van [minderjarige 2] bij de zorgboerderij (via/vanuit Crossroads en Samen Sterker) en voor de hulpverlening/begeleiding die hij vanuit de zorgboerderij krijgt bij het (stapsgewijs) terugkeren naar school.
5.8.
Hierdoor heeft de vrouw geen belang meer bij vervangende toestemming met betrekking tot dit onderwerp, en zal dit verzoek ook worden afgewezen.
Onderzoek naar wenselijkheid/noodzaak wijziging school [minderjarige 2]
5.9.
De rechtbank overweegt dat [minderjarige 2] , nadat hij langere tijd niet naar school is gegaan, momenteel 2 dagen per week naar de zorgboerderij en 2,5 dagen per week naar het reguliere onderwijs. [minderjarige 2] zit in groep 7, maar hij zal het schooljaar mogelijk moeten doubleren. [minderjarige 1] gaat al naar [school] (een particuliere school). Volgens de vrouw doet hij het daar goed. De vrouw vindt [school] ook voor [minderjarige 2] een passende school. De vrouw wil daarom graag een onderzoek laten verrichten naar de noodzaak en/of de wenselijkheid dat [minderjarige 2] eveneens zal overstappen naar [school] en zo ja, wanneer dan: per direct, bij de overstap naar de middelbare school of op een ander moment. Ter zitting heeft de man zijn toestemming hiervoor geweigerd.
5.10.
De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige 2] dat in ieder geval onderzocht zal worden of het noodzakelijk en/of wenselijk is dat [minderjarige 2] naar [school] zal gaan en zo ja, wanneer dan. Dit om ervoor te zorgen dat [minderjarige 2] , die een moeizaam schoolverloop kent, een zo groot als mogelijke kans wordt geboden om zijn schoolcarrière op een goede manier te doorlopen en af te ronden. De rechtbank zal daarom, overeenkomstig het advies van de Raad, daartoe vervangende toestemming verlenen aan de vrouw. Deze toestemming ziet nadrukkelijk op het onderzoek dat nodig is naar de schoolkeuze en niet voor de eventuele aanmelding van [minderjarige 2] bij [school] . Naar aanleiding van de uitkomsten zullen partijen hierover in onderling overleg moeten gaan.
Vaststelling zorg- en contactregeling
5.11.
Bij voormelde beschikking van 24 december 2025 is, bij wijze van provisionele voorziening, na overeenstemming hierover tussen partijen, door de rechtbank bepaald dat de zorgregeling tussen de man en [minderjarige 1] voorlopig wordt geschorst en dat de man en [minderjarige 2] voorlopig wekelijks op zaterdag van 09.00 uur tot 12.00 uur gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar, waarbij de vrouw ervoor zorgt dat [minderjarige 2] naar de man wordt gebracht en dat hij weer wordt opgehaald. Gebleken is dat deze regeling voor [minderjarige 2] goed loopt en dat de situatie wat [minderjarige 1] betreft nog onveranderd is, namelijk dat er bij hem op dit moment nog steeds geen ruimte bestaat voor contact(herstel) met de man. De rechtbank vindt het daarom het meest in het belang van beide kinderen om voormelde regeling door te zetten.
5.12.
De rechtbank zal daarom bepalen dat deze regeling zal doorlopen. Nu de kinderen onder toezicht zijn gesteld van de GI, zal de rechtbank daarbij bepalen dat de regie over de (verdere) vormgeving en uitbreiding van de zorg- en contactregeling tussen de man en beide kinderen bij de GI wordt belegd, met dien verstande dat er, zodra daarvoor bij de kinderen ruimte ontstaat en dit door de GI en de betrokken (jeugd)professionals in hun belang wordt geacht, zal worden ingezet op contactherstel (bij [minderjarige 1] ) en op uitbreiding van de contacten (bij [minderjarige 2] ). Dit is in lijn met de in het kader van de ondertoezichtstelling geformuleerde doelen, namelijk dat de kinderen onbelast en prettig contact hebben met hun beide ouders.
5.13.
Vanwege de (regievoerende) taak van de GI in deze zaak, zal de rechtbank de GI vanaf heden en voor het vervolg van deze zaak als belanghebbende aanmerken.
Benoeming bijzondere curator
5.14.
Nu de man ter zitting zijn toestemming heeft verleend aan de vrouw voor het verrichten van (medische) onderzoeken en voor de daaruit voortkomende (medicamenteuze) behandelingen voor [minderjarige 2] en de rechtbank, zoals zij hiervoor heeft overwogen, aan de vrouw vervangende toestemming zal verlenen voor het verrichten van een onderzoek naar de noodzaak en/of de wenselijkheid dat [minderjarige 2] zal overstappen naar [school] , kan de vrouw deze gezagszaken gaan regelen. Gelet hierop heeft de vrouw geen belang meer bij een onderzoek en advies over deze gezagszaken door een bijzondere curator. De rechtbank zal het daartoe strekkende verzoek van de vrouw daarom afwijzen.
5.15.
Nu de rechtbank zal bepalen dat de huidige voorlopige zorg- en contactregeling tussen de man en de kinderen zal doorlopen en de regie over de (verdere) vormgeving en uitbreiding daarvan bij de GI zal worden belegd, heeft de vrouw ook geen belang meer bij een onderzoek en advies over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen over de kinderen. De rechtbank zal de daartoe strekkende verzoeken van de vrouw daarom eveneens afwijzen.
5.16.
Vanwege de betrokkenheid van de GI in het kader van de ondertoezichtstelling van de kinderen, ziet de rechtbank tot slot geen aanleiding om een bijzondere curator voor de kinderen te benoemen voor onderzoek en advies naar de noodzaak en/of de wenselijkheid van een beëindiging van het gezamenlijk ouderlijk gezag van partijen over de kinderen. De GI kan hier namelijk ook een standpunt over innemen als de vrouw daarom vraagt.
Overige verzoeken
5.17.
Nu de man ter zitting zijn toestemming heeft verleend voor het voortzetten van het traject voor [minderjarige 2] vanuit de zorgboerderij (vanuit Samen Sterker en via Crossroads), heeft de vrouw in dat verband geen belang meer bij het verkrijgen van vervangende toestemming vanuit de rechtbank.
5.18.
De rechtbank overweegt daarnaast dat zij in voormelde beschikking van 24 december 2025, bij wijze van provisionele voorziening, al vervangende toestemming aan de vrouw heeft verleend voor het hervatten van de hulpverlening (via Crossroads) vanuit De GezinsManager in de vorm van een kindbehartiger. Als de GI het nodig vindt om naast de kindbehartiger die met de reeds verleende vervangende toestemming van de rechtbank kan worden ingezet, nog andere hulpverlening voor de kinderen in te zetten, dan kan de GI daar binnen het (gedwongen) kader van de ondertoezichtstelling van de kinderen op inzetten.
5.19.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw voor het krijgen van vervangende toestemming voor het inzetten van alle voormelde hulpverlening dan ook geen belang (meer). Dat de GI niet per direct een vaste jeugdbeschermer beschikbaar heeft die de maatregel zal uitvoeren, doet hier niet aan af. De tijdelijke contactpersoon van de GI kan namelijk, indien nodig, ook beslissingen nemen of bij de rechtbank een verzoek indienen ter verkrijging van vervangende toestemming van de rechtbank. De rechtbank gaat er bovendien van uit, gezien de toestemmingen die de man ter zitting heeft verleend, dat de man, mits hij goed wordt geïnformeerd door de vrouw over de toekomstig te nemen gezagsbeslissingen, zich in het belang van de kinderen constructief zal blijven opstellen bij het regelen van gezagszaken. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw ter verkrijging van vervangende toestemming voor het inzetten van de voormelde hulpverlening en behandeling daarom afwijzen.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.20.
De rechtbank zal de beslissing over de zorg- en contactregeling tussen de man en de kinderen en over de vervangende toestemming voor het onderzoek naar de school van [minderjarige 2] uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de vrouw. Dit betekent dat de beslissing per direct van kracht is, ook als hiertegen een hoger beroep wordt ingesteld.
5.21.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
verleent toestemming aan de vrouw, ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de man, om een onderzoek te laten verrichten naar de wenselijkheid en/of de noodzaak dat [minderjarige 2] zal overstappen naar [school] (een particuliere school) en zo ja, wanneer dan: per direct, bij de overstap naar de middelbare school of op een ander moment;
6.2.
bepaalt in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen over de minderjarigen [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2012 te [geboorteplaats 1] , en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2015 te [geboorteplaats 2] , het volgende:
  • de zorg- en contactregeling tussen de man en [minderjarige 1] blijft vooralsnog geschorst;
  • de man en [minderjarige 2] hebben wekelijks op zaterdag van 09.00 uur tot 12.00 uur het recht op contact met elkaar, waarbij de vrouw ervoor zorgt dat [minderjarige 2] naar de man wordt gebracht en dat hij weer wordt opgehaald;
  • de regie over de (verdere) vormgeving en uitbreiding van de zorg- en contactregeling tussen de man en beide kinderen wordt bij de GI belegd, met dien verstande dat er, zodra daarvoor bij de kinderen ruimte ontstaat en dit door de betrokken (jeugd)professionals ook in hun belang wordt geacht, er zal worden ingezet op contactherstel (bij [minderjarige 1] ) dan wel op uitbreiding van de contacten (bij [minderjarige 2] );
6.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
merkt de GI vanaf heden en voor het vervolg van deze procedure aan als belanghebbende in deze zaak;
6.5.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2026 door mr. Sumner, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Wallerbos als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.