ECLI:NL:RBZWB:2026:3023

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
11930557 CV EXPL 25-3465 (E)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Vermariën
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:228 BWArt. 7:17 BWArt. 7:21 BWArt. 3:53 BWArt. 6:203 BW
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Buitengerechtelijke vernietiging koop tweedehands auto wegens dwaling en verborgen schadeverleden

Op 5 april 2025 kocht eiser een gebruikte Kia Proceed GT van gedaagde via Marktplaats. Na aflevering ontdekte eiser diverse gebreken en vermoedde een aanrijdingsschade die niet was gemeld. Gedaagde ontkende kennis van schade. Eiser stelde gedaagde in gebreke en schakelde een schadeherstelbedrijf in dat herstelkosten van €9.530,09 begrootte.

Eiser stelde dat de koopovereenkomst vernietigbaar was wegens dwaling, omdat gedaagde niet had geïnformeerd over het schadeverleden, met name de vervangen bumperbalk. Gedaagde voerde verweer dat hij geen kennis had van schade en dat eiser als professionele partij een onderzoeksplicht had.

De rechtbank oordeelde dat gedaagde op de hoogte was van de schade en zijn mededelingsplicht had geschonden. De dwaling kwam voor rekening van gedaagde, omdat eiser geen verdergaande onderzoeksplicht had. De koopovereenkomst werd buitengerechtelijk vernietigd met terugwerkende kracht, waardoor gedaagde de koopsom moest terugbetalen en eiser de auto moest teruggeven.

De gevorderde wettelijke rente over de koopsom werd toegewezen vanaf 8 augustus 2025, de datum waarop gedaagde in verzuim was gesteld. Gedaagde werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten en wettelijke rente over deze kosten. Het meer of anders gevorderde werd afgewezen.

Uitkomst: De koopovereenkomst is buitengerechtelijk vernietigd wegens dwaling en gedaagde is veroordeeld tot terugbetaling van de koopsom.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 11930557 \ CV EXPL 25-3465
Vonnis van 15 april 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
procederend in persoon,
tegen
[gedaagde],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. W. Boeters.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 11,
- de conclusie van antwoord met productie 1 en 2 zijdens [gedaagde] ,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de nagekomen producties genaamd toevoeging 1, 2 en 3 zijdens [eiser] ,
- de akte overlegging nadere producties 3 en 4 zijdens [gedaagde] ,
- de mondelinge behandeling van 18 maart 2026, waarvan door de griffier zittingsaantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] heeft op 5 april 2025 via Marktplaats van [gedaagde] een gebruikte auto van het merk Kia type Proceed GT met [kenteken] (hierna: de auto) gekocht voor een bedrag van € 24.500,00. De auto was op dat moment 2 jaar en 8 maanden oud en had een kilometerstand van 69.125 km. In de koopovereenkomst is opgenomen dat het een geïmporteerde auto betreft. [gedaagde] is niet degene die de auto naar Nederland geïmporteerd heeft. Hij heeft de auto op 18 januari 2025 van een autobedrijf gekocht en is dus maar betrekkelijk kort eigenaar van de auto geweest.
2.2.
[eiser] heeft voorafgaand aan de koop op 5 april 2025 een proefrit met de auto gemaakt en het onderhoudsboekje ingezien. Op 12 april 2025 heeft [eiser] de auto opgehaald. Tijdens de terugrit constateerde [eiser] dat de claxon niet goed functioneerde. In de dagen daarna heeft [eiser] dit geprobeerd op te lossen en toen dit niet lukte de auto nader onderzocht. Toen is bij hem het vermoeden ontstaan dat de auto betrokken is geweest bij een aanrijding. [eiser] heeft hierover via WhatsApp contact opgenomen met [gedaagde] die aangaf van niks te weten. [eiser] heeft hem vervolgens bij brief van 21 april 2025 in gebreke gesteld. In die brief schrijft [eiser] onder andere het volgende:
“(…) De auto vertoont het volgende gebrek/de volgende gebreken.
Het lijkt erop dat de auto een kop-staart botsing heeft gehad. Na mijn twijfels of de auto schade
heeft gehad ben ik verder op onderzoek uitgegaan omdat ik er achter kwam dat de claxon het
deed. Zo ben ik erachter gekomen dat de hele voorkant sowieso in de kreukels heeft gelegen.
Daarnaast is ook onder de auto te zien dat de achterkant ook volledig in de kreukels heeft gelegen en
alle dingen die ik voor nu ben tegengekomen zijn ook erg slecht of niet hersteld. Ik ben de volgende
dingen sowieso al tegengekomen en ik weet zeker dat dat niet alles is:
  • Claxon functioneert niet komend door de schade
  • Voorbumper slecht gespoten en aan de achterkant zitten dingen met bouwschroeven vast
  • Gat in de radiator als gevolge van de schade
  • Sensoren in de voorbumper niet goed aangesloten en zit niet meer vast
  • Alle clips van de bumpers zitten los
  • Adaptieve cruise control sensor zit met een beetje ductape vast
  • Bodemplaat van de motorruimte zat niet goed vast en daar misten alle clips
  • Grill is met bouwschroeven vast gezet
  • Motorkap is slecht hersteld en gespoten
  • Achterportier heeft schade gehad
  • Achterbumper sluit niet goed aan
  • Achterklep sluit niet goed
  • Kunststof kappen binnenzijde achterklep zijn helemaal krom
  • Rechter achterlicht sluit niet goed aan bij de platen
  • Onder de bumper zit de bumperbalk waar je ziet dat er scheuren in zitten en allemaal krommingen
  • uitlaatklep werkt niet meer en die kabel is ook weg
  • kabels voor sensoren en dergelijke hangen allemaal los achter in de bumper en voor ook
  • onder in de laadruimte van de kofferbak zie je dat de auto een flinke klap heeft gehad gezien het kunststof gebogen en deels gescheurd is
  • ophanging linker achterwiel is krom of uit balans. Wiel slijt helemaal aan de binnenkant
  • velgen vertonen ook schade aan de binnenkant
Voor mij was het tot hier voldoende om het onderzoek eerst te staken gezien de problemen blijven
opstapelen.
Ik heb bewijs van het feit dat dit gebrek al aanwezig was toen ik de auto kocht. Ik heb u gevraagd
of u bekend was met de schade waarop u heeft aangegeven van niet en dat de auto geen schade heeft
gehad. Na een deel van mijn onderzoek ben ik tweedehands onderdelen tegen gekomen geadresseerd aan uw adres. Dat bewijs voeg ik als bijlage bij deze brief. Door de aanwezigheid van deze gebreken
bij de levering is er sprake van non-conformiteit, zoals bedoeld in artikel 7.17 BW. De
auto voldoet immers niet aan de verwachtingen die ik op grond van de koopovereenkomst mocht
hebben. Dat betekent ook dat u op grond van art. 7:21 BW Pro de gebreken kosteloos moet herstellen.
Ik stel u door middel van deze brief in de gelegenheid om de gebreken aan de auto binnen 14 dagen
na dagtekening kosteloos te herstellen bij een erkend schade herstelbedrijf en verzoek u om contact
met mij op te nemen voor het inplannen van een afspraak. (…)”
2.3.
[gedaagde] is blijven ontkennen van iets te weten en heeft zich op het standpunt gesteld dat de auto geen schade heeft gehad en in goede staat verkeerde.
2.4.
[eiser] heeft vervolgens een autoschadeherstelbedrijf ( [bedrijf] ) ingeschakeld die de auto op 12 mei 2025 heeft onderzocht en de herstelkosten heeft begroot op een totaalbedrag van € 9.530,09. [bedrijf] merkt daarbij op dat het voertuig slecht is hersteld, dat de calculatie is gebaseerd op de zichtbare slecht herstelde schades en dat de kans aanwezig is dat bij demontage nog meer aan het voertuig mankeert.
2.5.
Bij brief van 28 mei 2025 heeft [eiser] de koopovereenkomst buitengerechtelijk vernietigd op grond van dwaling en subsidiair ontbonden wegens non-conformiteit. Nadat deze brief in eerste instantie verzonden was naar het adres in [plaats 3] dat [gedaagde] op de koopovereenkomst vermeld had, is deze brief bij exploot op 25 juli 2025 aan het juiste adres van [gedaagde] in [plaats 2] betekend.
2.6.
Het is partijen niet gelukt samen tot een oplossing van hun geschil te komen. Daarom is [eiser] deze procedure gestart.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert - kort samengevat - dat de kantonrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
primair
I. voor recht verklaart dat de koopovereenkomst buitengerechtelijk is vernietigd dan wel de koopovereenkomst vernietigt op grond van dwaling,
II. [gedaagde] veroordeelt tot terugbetaling van de koopsom van € 24.500,00, te vermeerderen met wettelijke rente,
subsidiair
III. voor recht verklaart dat de koopovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden is, dan wel de koopovereenkomst ontbindt op grond van non-conformiteit,
IV. [gedaagde] veroordeelt tot terugbetaling van de koopsom van € 24.500,00,
meer subsidiair
V. [gedaagde] veroordeelt tot nakoming van de koopovereenkomst door dat de auto op zijn kosten te herstellen op zodanige wijze dat deze geen gebreken meer vertoont, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom,
uiterst subsidiair
VI. een andere door de kantonrechter te bepalen maatregel treft,
in alle gevallen
VII. [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten en nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.2.
[eiser] legt daaraan ten grondslag dat hij een auto met schadeverleden blijkt te hebben gekocht die hij niet gekocht zou hebben als hij dit had geweten. [eiser] beroept zich primair op vernietiging van de koopovereenkomst wegens dwaling. [eiser] stelt dat, gezien het verzendlabel op de bumperbalk, [gedaagde] van het schadeverleden op de hoogte moet zijn geweest en hem daarover had moeten informeren omdat dit essentieel was voor de aankoopbeslissing. Subsidiair beroept [eiser] zich op ontbinding van de overeenkomst wegens non-conformiteit omdat hij niet hoefde te verwachten dat hij een auto met een schadeverleden kocht. Meer subsidiair vordert [eiser] dat [gedaagde] wordt veroordeeld de gebreken op eigen kosten te herstellen.
3.3.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen. Hij betwist dat er grond is voor vernietiging dan wel ontbinding van de koopovereenkomst of herstel. Volgens [gedaagde] kende hij geen noemenswaardige schade die de koop in de weg stond en was de auto geschikt voor normaal gebruik. Verder voert [gedaagde] aan dat de auto zonder garantie is verkocht, dat [eiser] kan worden aangemerkt als een ‘professionele partij’ waarvoor een verdergaande onderzoeksplicht geldt en dat het risico bij hem als koper ligt.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Algemene uitgangspunten bij dwaling
4.1.
Dwaling (geregeld in artikel 6:228 BW Pro) kan tot vernietiging van een overeenkomst leiden indien deze onder invloed van een onjuiste voorstelling van zaken tot stand is gekomen en de overeenkomst bij een juiste voorstelling niet of niet op dezelfde voorwaarden zou zijn gesloten. De wet onderscheidt drie gronden voor dwaling: a) dwaling die is veroorzaakt door een inlichting van de wederpartij, b) dwaling die het gevolg is van het schenden van een mededelingsplicht door de wederpartij en c) dwaling die berust op wederzijdse onwetendheid.
4.2.
Een beroep op dwaling slaagt niet wanneer de dwaling op grond van de verkeersopvattingen of de omstandigheden voor rekening van de dwalende behoort te blijven (artikel 6:228 lid 2 BW Pro). Daarbij kunnen onder meer de deskundigheid van partijen, de kenbaarheid van relevante feiten en de aard van de overeenkomst een rol spelen. Tot de verkeersopvattingen behoort dat een beroep op dwaling faalt wanneer de dwalende de onjuiste voorstelling aan zichzelf te wijten heeft, bijvoorbeeld door schending van zijn onderzoeksplicht. Dat eigen onderzoek de dwaling had kunnen voorkomen, sluit een succesvol beroep op dwaling echter niet zonder meer uit.
4.3.
De kantonrechter benadrukt dat het bij een beroep op dwaling niet gaat om de vraag of de auto geschikt is voor normaal en veilig gebruik. Die vragen komen pas bij een beroep op non-conformiteit aan de orde. Bij dwaling staat centraal of de verkoper informatie had moeten verstrekken die voor de koper essentieel is voor het aangaan van de overeenkomst. Bijvoorbeeld, zoals in deze zaak aan de orde, over het schadeverleden van een auto.
4.4.
Volgens vaste rechtspraak gaat een mededelingsplicht van de verkoper voor de onderzoeksplicht van een koper. Dat betekent dat als de dwaling te wijten is aan schending van een mededelingsplicht, de koper in beginsel niet kan worden tegengeworpen dat hij onvoldoende onderzoek heeft gedaan.
4.5.
In het algemeen rust op een verkoper de verplichting om uit eigen beweging melding te maken van een schadeverleden omdat dit van invloed is op de marktwaarde van een tweedehands auto en essentieel is voor de beslissing van de koper om al dan niet tot koop over te gaan, dan wel nader onderzoek te laten verrichten naar de staat van de auto en de mogelijke gevolgen van eerdere schade. Dit geldt in het bijzonder bij aanrijdingsschade aan de voor- of achterzijde wegens de impact die dergelijke aanrijdingen kunnen hebben op de constructie en veiligheid van een auto.
Schadeverleden en kennis van [gedaagde]
4.6.
[eiser] stelt dat de auto een schadeverleden heeft. Volgens [eiser] is sprake van slecht/ondeskundig en deels niet herstelde schade aan de voor- en achterkant die het gevolg zijn van een aanrijding. [eiser] heeft dit nader onderbouwd aan de hand van foto’s en heeft [bedrijf] ingeschakeld om dit verder te onderzoeken en de reparatiekosten te begroten. Naar het oordeel van de kantonrechter kan [gedaagde] dan niet volstaan met de enkele blote betwisting dat de auto prima reed en dat hij van niets wist. Er wordt dus vanuit gegaan dat sprake is van gebrekkig herstelde schade.
4.7.
Uit het aangetroffen verzendlabel (hieronder ingevoegd) met de naam van [gedaagde] op de bumperbalk - een wezenlijk onderdeel van de carrosserie - blijkt dat [gedaagde] in ieder geval op de hoogte moet zijn geweest van schade aan de bumperbalk en dat hij daaraan reparaties heeft uitgevoerd of heeft laten uitvoeren. Aan de wisselende stellingen die [gedaagde] ten aanzien van het verzendlabel heeft ingenomen, hecht de kantonrechter geen waarde.
[afbeelding geanonimiseerd]
4.8.
[gedaagde] heeft allereerst gesteld dat de sticker door [eiser] vervalst zou zijn. Dat acht de kantonrechter volstrekt ongeloofwaardig. Op het verzendlabel is immers niet alleen de naam van [gedaagde] vermeld, maar ook zijn adres in [plaats 2] welk adres [eiser] helemaal niet kende. [gedaagde] had namelijk op de koopovereenkomst zijn oude adres in [plaats 3] vermeld wat ook de reden is dat aanmaningen aanvankelijk naar dat adres in [plaats 3] zijn gestuurd. Pas in juli 2025 is [eiser] via de deurwaarder met het juiste adres van [gedaagde] in [plaats 2] bekend geraakt.
4.9.
Op zitting kwam [gedaagde] met een nieuwe stelling. Volgens dit scenario zou hij omstreeks maart 2025 lakschade aan de bumper hebben willen laten herstellen, maar zou een autogarage de gehele bumper hebben vervangen omdat dat goedkoper zou zijn geweest dan de bumper te spuiten. De garage zou een nieuwe bumper op naam van [gedaagde] hebben besteld, hetgeen zijn naam op het verzendlabel zou verklaren. De bumper zou echter bij de garage zijn bezorgd, zodat hij van niets wist.
4.10.
Ook dit scenario acht de kantonrechter om meerdere redenen ongeloofwaardig. [gedaagde] stelt dat de auto eind maart 2025 bij de garage zou zijn geweest, terwijl op het verzendlabel 27 januari 2025 als verzenddatum vermeld staat. Bovendien kon [gedaagde] niet meer aangeven om welke garage het precies ging, anders dan dat het een garage in [plaats 2] zou zijn geweest. Ook heeft hij geen factuur overgelegd ter ondersteuning van zijn verhaal, of zijn verhaal op enige andere manier onderbouwd. Daarnaast blijkt uit de adressering op het verzendlabel dat het onderdeel rechtstreeks naar het adres van [gedaagde] is gestuurd. Dit strookt niet met de stelling dat de garage het onderdeel op naam van [gedaagde] zou hebben besteld maar zelf geleverd zou hebben gekregen. Voorts is de stelling dat de sticker op de bumper zou hebben gezeten en door [eiser] naar de bumperbalk zou zijn verplaatst eveneens ongeloofwaardig, nu op de sticker expliciet vermeld staat dat het bestelde onderdeel een ‘bumperbalk’ betreft.
4.11.
Dit alles leidt tot de conclusie dat onvoldoende gemotiveerd is betwist dat door [gedaagde] een bumperbalk besteld is. Dat de bumperbalk vervangen moest worden, duidt erop dat er schade is geweest die hersteld moest worden waarvan [gedaagde] op de hoogte was. [gedaagde] had [eiser] daarover uit eigen beweging moeten informeren.
De bumperbalk van een auto is immers een essentieel onderdeel dat de impact van een aanrijding absorbeert en de constructie van de auto beschermt. Het is dan ook niet aannemelijk dat het vervangen van een bumperbalk bij een kleine schade noodzakelijk is. Bovendien wist [gedaagde] dat het schadeverleden van belang was voor [eiser] . Uit het feit dat [eiser] voorafgaand aan de koop van de auto expliciet heeft gevraagd naar eventuele schade in het verleden, blijkt namelijk dat dit belangrijk voor hem was.
Tussenconclusie: de koopovereenkomst is tot stand gekomen onder invloed van dwaling
4.12.
De kantonrechter concludeert dat voldoende aannemelijk is geworden dat de auto betrokken is geweest bij een botsing waardoor schade is ontstaan aan de voor- en achterzijde, zoals [eiser] stelt. Uit het rapport van [bedrijf] blijkt afdoende dat deze schade niet of niet goed hersteld is. [gedaagde] heeft hier niets tegenover gesteld. Uit het feit dat de bumperbalk vervangen is, volgt verder dat [gedaagde] daarvan op de hoogte moet zijn geweest en daarover geen juiste inlichtingen heeft verstrekt. Door [eiser] niet (op zijn minst) te informeren over de vervangen bumperbalk heeft [gedaagde] zijn mededelingsplicht geschonden en een onjuiste voorstelling van zaken veroorzaakt. [eiser] heeft onweersproken gesteld dat hij de auto niet zou hebben gekocht indien hij van het schadeverleden had geweten. Dit is voldoende om aan te nemen dat de overeenkomst onder invloed van dwaling tot stand is gekomen en bij een juiste voorstelling van zaken niet, althans niet onder dezelfde voorwaarden zou zijn gesloten. Dit leidt ertoe dat de koopovereenkomst in beginsel wegens dwaling vernietigbaar is, behoudens de in artikel 6:228 lid 2 BW Pro bedoelde gevallen waarin de dwaling voor rekening van de dwalende behoort te blijven.
Behoort dwaling voor rekening van [eiser] te blijven?
4.13.
[gedaagde] stelt dat [eiser] een professionele partij is en daarom een zwaardere onderzoeksplicht heeft. De kantonrechter volgt dit standpunt niet. Het enkele feit dat [eiser] een bedrijf heeft dat gespecialiseerd is in het schoonmaken, coaten en wrappen van auto’s maakt hem nog niet deskundig op het gebied van autoschade of schadeherstel. [eiser] heeft de auto gewoon als particulier gekocht. Daarom geldt voor hem geen verdergaande onderzoeksplicht.
4.14.
Dat [eiser] tijdens de proefrit heeft opgemerkt dat de achterklep niet goed leek te sluiten, kan hem in het kader van zijn onderzoeksplicht evenmin worden tegengeworpen. [eiser] heeft ter zitting toegelicht dat hij tijdens de proefrit aan [gedaagde] heeft gevraagd waarom de klep niet goed sloot en of de auto schade had gehad. [gedaagde] heeft daarop verklaard dat hij daarvan niets wist en dat de auto absoluut geen schade had gehad. [eiser] heeft verder uitgelegd dat de auto een elektrische achterklep heeft die soms iets uit het lood kan raken en daardoor minder goed kan sluiten. In combinatie met de mededeling van [gedaagde] dat de auto geen schade heeft gehad, is [eiser] ervan uitgegaan dat dit de oorzaak was van het niet goed sluiten van de achterklep en was er geen reden om aan schade anderszins te denken.
4.15.
De daadwerkelijke oorzaak van het slecht sluiten van de achterklep is daarbij pas aan het licht gekomen na destructief onderzoek op een brug. Een dergelijk onderzoek kan niet van een koper worden verwacht voorafgaand aan de koop, ook niet van een koper met enige kennis van auto’s. Bovendien is reeds geoordeeld dat [gedaagde] op de hoogte was van de vervangen bumperbalk. Wanneer een verkoper op zo’n cruciaal punt als het schadeverleden dergelijke informatie voor de koper achterhoudt, kan hij zich er niet met succes op beroepen dat een daaromtrent ontstane verkeerde voorstelling van zaken voor rekening van de koper moet blijven omdat hij op dit punt meer onderzoek had moeten verrichten. In dat geval gaat de mededelingsplicht van de verkoper altijd boven de onderzoeksplicht van de koper.
[eiser] heeft expliciet naar eventuele schade gevraagd en [gedaagde] heeft steeds ontkennend geantwoord. De kantonrechter is gelet hierop van oordeel dat [eiser] er op heeft mogen vertrouwen dat hij een tweedehands auto kocht die in goede staat verkeerde, zonder schadeverleden en zonder gebreken die het gevolg zijn van niet of slecht herstelde schade. In dat licht kan [eiser] ook niet worden tegengeworpen dat het een importauto betreft die mogelijk schade uit het verleden had.
4.16.
Verder is door [gedaagde] nog aangevoerd dat over de koopprijs zou zijn onderhandeld en dat deze van € 33.000,00 zou zijn verlaagd naar € 24.500,00 omdat [eiser] tijdens de proefrit uitleesapparatuur en een lakdiktemeter bij zich zou hebben gehad waarmee afwijkingen in de lak, duidend op schadeherstel, zouden zijn vastgesteld. Nog daargelaten dat op geen enkele wijze is gebleken dat de vraagprijs aanvankelijk € 33.000,00 bedroeg - [eiser] heeft juist een screenshot van de Marktplaatsadvertentie ingebracht waarop een vraagprijs te zien is van € 24.850,00 - en [gedaagde] hierover ter zitting bovendien zeer wisselend heeft verklaard, heeft [eiser] betwist dat hij tijdens de proefrit uitleesapparatuur en/of een lakdiktemeter bij zich had. Dat blijkt ook nergens uit. Die stelling is door [gedaagde] eerst op 25 juli 2025 ingenomen, strookt niet met zijn eerdere uitlatingen via WhatsApp en wederom heeft [gedaagde] hierover vervolgens steeds wisselende standpunten ingenomen. Zo heeft [gedaagde] zowel het standpunt ingenomen dat ter plekke na de proefrit zou zijn onderhandeld vanwege de bevindingen van [eiser] , als het standpunt dat al enkele dagen voor de proefrit telefonisch over de vraagprijs was onderhandeld om welke reden hij de vraagprijs van Marktplaatsadvertentie toen al zou hebben aangepast naar € 24.850,00. Maar zelfs als [eiser] tijdens de proefrit wel een lakdiktemeting zou hebben uitgevoerd, dan had daarmee hooguit herstelde lakschade vastgesteld kunnen worden. Dat zou de mededelingsplicht van [gedaagde] ten aanzien van de bumperbalk geenszins hebben verminderd.
4.17.
Ook het standpunt dat vergelijkbare auto’s voor € 33.000 te koop stonden, kan [gedaagde] niet baten. Voor zover hiermee wordt bedoeld dat [eiser] als gevolg van een veel lagere koopprijs een andere verwachting had moeten hebben, volgt de kantonrechter dit standpunt niet. [gedaagde] heeft onvoldoende onderbouwd dat [eiser] de auto voor een aanzienlijk lagere prijs heeft gekocht. De door [gedaagde] via WhatsApp overgelegde advertentievoorbeelden betreffen weliswaar auto’s van hetzelfde type, maar zijn niet vergelijkbaar wat betreft kilometerstand en zijn bovendien afkomstig van professionele autoverkopers (garages) die over het algemeen een hogere vraagprijs hanteren vanwege de door hen geboden service. De koopprijs vormt dus evenmin aanleiding om de dwaling op de voet van artikel 6:228 lid 2 BW Pro voor rekening van [eiser] te laten komen.
4.18.
Tot slot faalt het verweer van [gedaagde] dat hij niet aansprakelijk is omdat hij de auto als particulier en zonder garantie heeft verkocht, het onderhoudsboekje heeft meegegeven, uit Carfax geen schade blijkt en hij de auto niet zelf heeft geïmporteerd. Ook deze stelling houdt geen stand nu vast staat dat [gedaagde] wist dat een essentieel onderdeel, de bumperbalk, was vervangen en hij dit niet aan [eiser] heeft meegedeeld. Daarbij geldt dat Carfax niet elke schade of reparatie registreert, een onderhoudsboekje niets zegt over het schadeverleden/structurele schade en het feit dat de auto niet door [gedaagde] zelf is geïmporteerd zijn mededelingsplicht niet vermindert.
4.19.
Concluderend staat vast dat [gedaagde] op de hoogte was van het schadeverleden, althans in ieder geval van schade aan de bumperbalk en dat hij [eiser] daarover had moeten informeren. Dit geldt temeer nu [eiser] specifiek naar schade heeft gevraagd. Het beroep van [gedaagde] op de onderzoeksplicht van [eiser] gaat daarom niet op. Door relevante informatie achter te houden, kan [gedaagde] zich er niet met succes op beroepen dat een daaromtrent ontstane verkeerde voorstelling van zaken voor rekening van [eiser] moet blijven omdat [eiser] op dit punt - naar hij meent - zelf maar meer onderzoek had kunnen en moeten verrichten.
Gevolgen van dwaling
4.20.
Het is voldoende aannemelijk dat [eiser] de auto, indien hij juist geïnformeerd was over het schadeverleden - althans over de bumperbalk - niet, althans niet onder dezelfde voorwaarden zou hebben gekocht. De kantonrechter oordeelt daarom dat [eiser] de koopovereenkomst terecht buitengerechtelijk heeft vernietigd. Deze buitengerechtelijke vernietiging heeft [gedaagde] op 25 juli 2025 bereikt en werkt terug tot het moment van het sluiten van de overeenkomst. Dit betekent dat beide partijen achteraf gezien zonder rechtsgrond en dus onverschuldigd gepresteerd hebben (artikel 3:53 in Pro samenhang met artikel 6:203 BW Pro). Het gevolg hiervan is dat [gedaagde] de koopprijs terug moet betalen en dat [eiser] de auto moet teruggeven. Het primair gevorderde zal worden toegewezen. De kantonrechter komt daardoor niet meer toe aan de beoordeling van de subsidiaire vordering (ontbinding wegens non-conformiteit) of de meer subsidiaire vordering (herstel).
4.21.
De door [eiser] gevorderde wettelijke rente over koopprijs vanaf de datum van betaling is niet toewijsbaar. Wettelijke rente is pas verschuldigd vanaf het moment waarop [gedaagde] in verzuim is met betrekking tot de verplichting tot terugbetaling van de koopprijs. Dat moment valt dus niet gelijk met de datum waarop [eiser] de koopprijs heeft betaald. De terugwerkende kracht van de vernietiging betekent namelijk niet dat wettelijke rente eveneens vanaf die datum verschuldigd is. Daarom wordt de wettelijke rente toegewezen vanaf 8 augustus 2025, zijnde 14 dagen nadat de buitengerechtelijke vernietiging inclusief de sommatie tot terugbetaling [gedaagde] heeft bereikt.
Proceskosten
4.22.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
146,14
- griffierecht
732,00
- salaris gemachtigde
543,00
(1 punt × € 543,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.565,14
4.23.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
verklaart voor recht dat de koopovereenkomst met betrekking tot de auto buitengerechtelijk vernietigd is door middel van het exploot van 25 juli 2025,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 24.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag vanaf 8 augustus 2025 tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.565,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Vermariën en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.