Eiser heeft op 28 november 2024 een aanvraag ingediend bij de Dienst Toeslagen voor aanvullende compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Verweerder heeft niet binnen de wettelijke termijn van zes maanden, die eenmaal met zes maanden verlengd kon worden, een besluit genomen. Eiser stelde verweerder op 17 december 2025 in gebreke, waarna het beroep werd ingesteld.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is omdat verweerder niet tijdig heeft beslist. De wettelijke beslistermijn verstreek op 28 november 2025. De rechtbank legt een nadere beslistermijn op van 60 weken na het verstrijken van de wettelijke termijn, conform een eerdere lijn die de rechtbank heeft uitgezet. Dit betekent dat verweerder uiterlijk 22 januari 2027 een besluit moet nemen.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag dat verweerder te laat is, met een maximum van € 15.000,-. Verweerder heeft de dwangsom reeds vastgesteld op € 1.442,-. Verder moet verweerder het griffierecht en proceskosten van eiser vergoeden. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 10 april 2026.