ECLI:NL:RBZWB:2026:2971
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking voorlopige voorziening rijbewijs
Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van het CBR om zijn rijbewijs ongeldig te verklaren per 2 maart 2026. Dit verzoek is later ingetrokken, waarna verzoeker proceskostenvergoeding heeft gevraagd.
De voorzieningenrechter heeft het CBR in de gelegenheid gesteld te reageren. Het CBR zag geen reden om proceskosten of griffierecht te vergoeden. De rechter beoordeelde dat het CBR niet aan het verzoek om voorlopige voorziening is tegemoetgekomen, omdat het CBR het bezwaar van verzoeker al op 27 februari 2026 ongegrond verklaarde en uit coulance de ongeldigverklaring van het rijbewijs ophefte, nog voordat het verzoek om voorlopige voorziening het CBR kon bereiken.
Omdat verzoeker geen beroepsmatige rechtsbijstand had en geen andere kosten kon aantonen, en het CBR niet aan het verzoek tegemoet was gekomen, was er geen grond voor proceskostenvergoeding. De voorzieningenrechter wees het verzoek daarom af.
Uitkomst: Het verzoek om vergoeding van proceskosten wordt afgewezen omdat het CBR het rijbewijs al had opgeheven voordat het verzoek om voorlopige voorziening was ontvangen.