Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2971

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
26/1163 WVW VV
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:84 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking voorlopige voorziening rijbewijs

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van het CBR om zijn rijbewijs ongeldig te verklaren per 2 maart 2026. Dit verzoek is later ingetrokken, waarna verzoeker proceskostenvergoeding heeft gevraagd.

De voorzieningenrechter heeft het CBR in de gelegenheid gesteld te reageren. Het CBR zag geen reden om proceskosten of griffierecht te vergoeden. De rechter beoordeelde dat het CBR niet aan het verzoek om voorlopige voorziening is tegemoetgekomen, omdat het CBR het bezwaar van verzoeker al op 27 februari 2026 ongegrond verklaarde en uit coulance de ongeldigverklaring van het rijbewijs ophefte, nog voordat het verzoek om voorlopige voorziening het CBR kon bereiken.

Omdat verzoeker geen beroepsmatige rechtsbijstand had en geen andere kosten kon aantonen, en het CBR niet aan het verzoek tegemoet was gekomen, was er geen grond voor proceskostenvergoeding. De voorzieningenrechter wees het verzoek daarom af.

Uitkomst: Het verzoek om vergoeding van proceskosten wordt afgewezen omdat het CBR het rijbewijs al had opgeheven voordat het verzoek om voorlopige voorziening was ontvangen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/1163

uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 april 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

en

De directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR), verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van verzoeker om een veroordeling van het CBR in de proceskosten. Verzoeker heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn verzoek om voorlopige voorziening tegen het besluit van 23 februari 2026. Bij dit besluit is verzoekers rijbewijs ongeldig verklaard per 2 maart 2026. Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt.
1.1.
De voorzieningenrechter heeft CBR in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling tot proceskosten. Het CBR heeft de voorzieningenrechter meegedeeld geen aanleiding te zien om de proceskosten/het griffierecht te vergoeden.
1.2.
De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [1]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hij legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoetgekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [2]
3.1.
Verzoeker heeft zelf een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. Niet is gebleken dat sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Evenmin is gebleken dat andere kosten zijn gemaakt als bedoeld in artikel 1 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) waarop een proceskostenveroordeling betrekking kan hebben. Gelet daarop bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
3.2.
Evenmin bestaat aanleiding te bepalen dat het CBR het griffierecht moet vergoeden.
Daarvoor zou aanleiding kunnen zijn indien het CBR aan het verzoek tot voorlopige voorziening tegemoet is gekomen.
Is het CBR aan het verzoek tegemoetgekomen?
4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het CBR niet tegemoet is gekomen aan het verzoek om voorlopige voorziening.
4.1.
Verzoeker heeft op 26 februari 2026 een verzoek om voorlopige voorziening ingediend inzake het besluit van het CBR van 23 februari 2026. Bij dat besluit heeft het CBR verzoekers rijbewijs ongeldig verklaard per 2 maart 2026.
4.2.
Uit het dossier blijkt dat de griffie het verzoek om voorlopige voorziening op 27 februari 2026 per post aan het CBR heeft toegezonden, zodat het CBR dit verzoek niet eerder dan op 28 februari 2026 kan hebben ontvangen. Het CBR heeft echter dezelfde dag, dat het verzoek door de griffie aan haar is toegezonden -op 27 februari 2026 dus- al beslist op het bezwaar van verzoeker. Daarbij is dit bezwaar kennelijk ongegrond verklaard, maar is uit coulance besloten om de ongeldigverklaring van verzoekers rijbewijs omgaand op te heffen.
4.3.
Omdat het CBR al had besloten om de ongeldigverklaring van verzoekers rijbewijs op te heffen voordat zij bekend kon zijn met het verzoek om voorlopige voorziening, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake van tegemoetkomen aan de indiener van het verzoekschrift.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.H. van der Linden, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier, op 14 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Met toepassing van 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Artikel 8:75a van de Awb is op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure.